#183
08.09.2026
—
14.01.2027
Twintig jaar hebben de Gentenaars zonder eigen repertoiregezelschap gezeten. In 1965 werd dan het NTG opgericht en inmiddels zijn we weer twintig jaar verder. We overlopen de geschiedenis van het NTG aan de hand van het komen en gaan van vijf directies. Een gezelschap wordt volwassen.
Viviane de Muynck is een late roeping in het theater. Eerst was ze directiesecretaresse. Vanuit het amateurtoneel ging ze de weg van de beroepscarrière op. In Nederland stond ze al op de nominatielijst voor beste actrice van het jaar.
Eind januari jl. organiseerden Vooruit en Nieuwpoortteater een promotieplatform voor de Vlaamse choreografen die in de schaduw werken van ‘de Grote Vier’. Alex Mallems zag het merendeel van de vijftien gepresenteerde choreografieën. Hij signaleert Antilichaam van Marc Vanrunxt als hoogtepunt.
Duivelskunstenaar Bob Wilson is op zijn best wanneer hij zich omgeven weet door een artistiek sterke equipe. Dat is opnieuw het geval bij The Black Rider, met namen als Tom Waits, William Burroughs en Wolgang Wiens. Alex Mallems bespreekt.
Sedert 1985 wordt het Festival d’Avignon geleid door Alain Crombecque. Onder zijn directeurschap heeft het festival zeer nadrukkelijk een centrale plaats opgeëist binnen het Franse theaterlandschap : Avignon verzamelt jaarlijks de vooraanstaande Franse theatergezelschappen (Théâtre des Amandiers-Nanterre, Théâtre National de Chaillot, enzovoort) en functioneert voor die gezelschappen vaak als co-producent bij het opzetten van zeer grote produkties.
Antoine Vitez zal voor mij onverbreekbaar verbonden blijven aan die unieke theaternacht in de Cour d’Honneur du Palais des Papes in Avignon. 11 juli 1987, première van Le Soulier de Satin van Paul Claudel. Een elf uur durende voorstelling met de poëzie van Claudel in de hoofdrol, een twintig minuten lange staande ovatie om 9 uur ’s morgens. Het blijven onuitwisbare herinneringen. De relativiteit ervan wordt je in het gezicht gegooid bij de plotse dood van Antoine Vitez, 59 jaar oud.
Kwaliteit en continuïteit zijn wellicht de twee stevigste peilers waarop het jaarlijkse Festival d’Automne in Parijs zijn succes bouwt. De globale integratie van het festival binnen Parijs als permanente culturele metropool werd reeds uitgebreid toegelicht naar aanleiding van de vorige editie (Etcetera 24). De editie ’89 werd gekarakteriseerd door een sterke inbreng van het Duits repertoiretheater met ensceneringen van Klaus Michael Grüber, Luc Bondy en Hans Jürgen Syberberg. Die Deutsche Welle lijkt het Franse theaterlandschap eindelijk te overspoelen en die artistieke irrigatie leverde de voorbije herfst alvast een rijke theateroogst op.
Avignon 1989 kondigde zich aan als een moeilijke editie. Er was namelijk de onvermijdelijke confrontatie met wellicht het meest megalomane project van de eeuw : de viering van de Bicentenaire, de tweehonderdste verjaardag van de Franse Revolutie met als hoogtepunt de’quatorze juillet’-show op de Champs Elysées vlak bij het begin van het festival. Men kon Jessie Norman als het ware de Marseillaise horen zingen tot in de Cour d’Honneur. Een fundamenteel probleem voor een festival als Avignon dat budgetair voor meer dan de helft gedragen wordt door de ticketverkoop en dat dus in eerste instantie ook afhankelijk blijft van een ruime mediabelangstelling.
Multidisciplinariteit, het vervagen van de grenzen tussen de verschillende genres, de invloed vanuit de beeldende kunsten binnen het theater, het zijn thema’s die ondertussen ingeburgerd zijn als we het hebben over hedendaagse vormen van podiumkunst.
Het repertoiretheater in Vlaanderen is op zoek naar een nieuwe rol. Het Théâtre de la Salamandre uit Rijsel heeft daar alvast geen last mee. Onder leiding van Gildas Bourdet is La Salamandre uitgegroeid tot een van de meest besproken Franse repertoiregezelschappen. Bourdet regisseert, ontwerpt decors en schrijft sinds enkele jaren aan een voortreffelijk oeuvre. Op nauwelijks 15 km van Kortrijk: een gezelschap dat sinds 1979 steevast puntgaaf ensemble-werk aflevert. Alex Mallems ging, zag en gaf zich gewonnen. Gildas Bourdet legt uit waarom.
In het vorige nummer van Etcetera had Luk Van den Dries het over de noodzaak van festivals en ook de realiteit op de zomerfestivalpodia werd uitgebreid gecommentarieerd. Met het begin van het reguliere theaterseizoen valt die intense festivalactiviteit echter niet stil, al worden, net zoals in het wisselende kleurenpalet van de herfstbladeren, de accenten toch wel elders gelegd: het theater ruilt de zuiderse wijdse openlucht voor de intimiteit van de vertrouwde schouwburgen; de toeschouwer ontwaakt uit de roes van de fiësta en concentreert zich weer exclusief op de voorstellingen zelf, na een werkdag, voor een volgende. Kortom, het theater nestelt zich terug in het leven van elke dag, neemt zijn sociale en maatschappelijke functie weer op. Het Festival d’Automne in Parijs is wellicht het meest representatieve, tegelijkertijd het meest spectaculaire herfstfestival en zeker niet alleen omwille van zijn naam. Een impressie van de editie ’88.
Met premières van Patrice Chéreau voor het theater (Hamlet), Pierre Boulez voor de hedendaagse muziek (Répons) en Merce Cunningham voor de moderne dans (Five Stone Wind) had festivaldirecteur Alain Crombecque vooraf een mooie tiercé ingevuld. Zijn persoonlijke contacten binnen het artistieke milieu, uitgangspunt van zijn programmatie (cfr. Etcetera 19/ 87), komen het Festival d’Avignon duidelijk ten goede.
Twee jaar geleden was Ariane Mnouchkine met haar Théâtre du Soleil in Brussel met haar Cambodja-epos. Sindsdien schreef Hélène Cixous opnieuw een theatrale geschiedenis van een Aziatische natie: Nehru en Mahatma Gandhi als sleutelfiguren in de onafhankelijkheid van het Indiase subcontinent. Alex Mallems bespreekt de voorstelling en ontmoette Ariane Mnouchkine.
Na een steeds stijgend succes met zijn drie theaterprodukties heeft Jan Fabre zich een nieuwe uitdaging gesteld: opera. Vijf jaar zal hij werken aan de trilogie The Minds of Helena Troubleyn, waarvan het eerste deel Das Glas im Kopf wird vom Glas in de herfst van 1988 verwacht wordt. Hieruit werden in het raam van Documenta 8 (Kassel) de ‘danssecties’ getoond. Alex Mallems en Hildegard De Vuyst gingen kijken.
Als theaterliefhebber ga je – net als in het gewone leven – vaak op zoek naar het herbeleven van je meest intense ervaringen. Avignon zal, wat mij betreft, altijd wel verbonden blijven met die unieke, onvergetelijke premièrenacht van de Mahabharata van Peter Brook ergens in een steengroeve langs de boorden van de Rhéne, nu twee jaar geleden.
Viviane De Muynck is een late roeping in het theater. Eerst was zij directiesecretaresse. Vanuit het amateurtoneel ging zij de weg van de beroepscarrière op. Zij stond in Nederland al op de nominatie voor beste actrice van het jaar. Alex Mallems maakte haar van dichtbij mee toen hij dramaturg was bij de Mannen van den Dam.
Tadeusz Kantor was in onze contreien, waar hij zelf zijn artistieke roots situeert. Alex Mallems beschrijft de voorstellingen in Antwerpen. Johan Thielemans polst Kantor over hoe Pools zijn werk is.
Enkele dagen voor het Festival De Beweeging stelde Cis Bierinckx Dialogen voor: een mengvorm tussen theater en performance gepresenteerd in drie verschillende ruimtes van het Cultureel Centrum Berchem.
Binnen het genre “muziektheater” staat het label Orkater sinds jaren garant voor kwaliteitsprodukties: groepen als het oorspronkelijke Hauser Orkater met Zie de Mannen vallen en latere deelgroepen als De Horde met Wangedachte of De Mexicaanse Hond met Graniet en De Wet van Luisman vestigden die reputatie. Onnozele Kinderen, de jongste produktie van De Mexicaanse Hond, trekt die lijn door.
The Civil Wars, het magnum opus van Bob Wilson, blijft actueel. De Nederlandse Operastichting realiseerde twee jaar na de première in Rome een herneming van Act V, net als Einstein on the Beach een samenwerking tussen Wilson en Philip Glass.
Eind oktober ’85 waren Bob Wilson en Jan Fabre voor een panelgesprek over hun theaterwerk te gast in het Museum voor Hedendaagse Kunst te Gent, in het kader van het Off-Off-festival.
Het Vlaamse theater is langzamerhand aan Sam Shepard toe: er was al True West bij zowel Vertikaal als het EWT (telkens in een regie van Lukas Borkel), nu zorgen Fool for Love bij het BKT en Buried Child bij het Fakkeltheater (alweer in een regie van Lukas Borkel) voor opvolging.
William Shakespeare’s King Lear is een stuk dat nooit echt uit de actualiteit verdwijnt: het gegeven blijft de opeenvolgende generaties theatermakers inspireren tot vaak ver uiteenlopende herinterpretaties. In de laatste twee Etcetera-nummers was er dan ook niet toevallig ruime aandacht voor Peter Brooks King Lear bij de Royal Shakespeare Company (1962) en voor Walter Tillemans’ Lear-versie met Luc Philips in de titelrol (1968). In het theater van de jaren ’80 spreekt het stuk blijkbaar meer dan ooit aan. Op Kaaitheater ’83 bood Jan Decorte een verhelderende dramaturgische lezing van de King Lear-tekst (Etcetera 3/83). Dit jaar zijn er “grote namen” als Ingmar Bergman bij Dramaten, Stockholm en Klaus Michael Grüber bij de Schaubühne, Berlijn om de actualiteitswaarde van het stuk door te trekken.
Jean-Claude Carrière is sinds de opening van de Bouffes du Nord te Parijs in 1974 de vaste dramaturg van Peter Brook en het Centre International de Recherches Théâtrales. Met zijn Mahabharata schreef hij wellicht het grootste epos dat ooit voor theater bewerkt werd.
Twintig jaar hebben de Gentenaars zonder eigen repertoiregezelschap gezeten. In 1965 werd dan het NTG opgericht en inmiddels zijn we weer twintig jaar verder. Alex Mallems overloopt de geschiedenis van het NTG aan de hand van het opkomen en gaan van vijf directies. Een gezelschap wordt volwassen.
Het festival van Avignon biedt zo’n uitgebreid programma dat je onmogelijk alles kan meemaken. Als festivalganger selecteer je binnen je interessesfeer, teken je zelf de lijnen uit die je wil volgen. Dit jaar waren er twee ‘musts’ op de affiche: de indrukkende adaptatie van het Mahabharata-epos door Peter Brook en Jean-Claude Carrière, en daarnaast de ‘jongste’ Kantor, Qu’ils crèvent les artistes. La Nuit de Mahabharata meemaken in dat unieke natuurlijke decor van een steengroeve, is zondermeer een onvergetelijke theatergebeurtenis.
August Strindberg staat weer volop in de actualiteit : Theater Heute, Théâtre en Europe of Toneel/Teatraal ondersteunen de opvallende theaterbelangstelling met breedvoerige artikels over deze getormenteerde auteur en zijn oeuvre. Bij ons levert het NTG zijn bijdrage door De Vader op het programma te nemen.
Het BKT speelde dit seizoen twee versies van Botho Strauss’ Kalldewey, farce. Toeschouwers te Gent, Brugge, Knokke, Leopoldsburg en Leuven hadden pech: ze kregen volgens regisseur Dirk Buyse slechts “het onbevredigend resultaat van een moeizame en tekstgetrouwe zoektocht naar de greep op het stuk” te zien.
Heiner Müller zegt over zijn teksten dat ze slechts de top van de ijsberg laten zien (1). Het is aan de theatermakers om die verborgen ijsmassa te tonen. Dit kan op de meest uiteenlopende manieren, er is geen allesverhelderende formule. Het meemaken van een groot aantal opvoeringen van Müllerstukken – en dat is gezien het ruime aanbod op dit moment nauwelijks een probleem – bevestigt deze stelling. Ik pik er twee ensceneringen uit die opvallend tegenover elkaar staan: Controverse met Medea/Materiaal en De Voorziening en Philoktetes.
‘Wielopole-Wielopole’ is de jongste produktie van de 69-jarige Poolse theatermaker Tadeusz Kantor. Eindelijk was dit prachtige stuk ook in België te zien. Alex Mallems maakt een portret van regisseur-dirigent-acteur-schilder-scenograaf-filosoof-artiest Kantor en had een gesprek met hem.
De Bourlaschouwburg in Antwerpen staat er al een paar jaar verlaten bij. Terwijl op hoog niveau geruzied wordt over de bestemming van het gebouw, is het langzaam aan het aftakelen. N.a.v. het 150-jarige jubileum schetst Alex Mallems de geschiedenis van dit statige gebouw, en vroeg scenograaf John Bogaerts naar zijn indrukken.
John Bogaerts werkte vanaf 1961 als KNS-scenograaf in de Bourlaschouwburg. In 1980 verhuisde hij mee naar de nieuwe Stadsschouwburg. De geknipte man om de oud-klassieke tegenover de nieuw-moderne schouwburg af te wegen. Een gesprek over twee theatergebouwen en over het KNS-gezelschap erbinnen. Of de visie van een architect op theater.
Er zijn natuurlijk idioten, ik zal geen namen noemen, maar er bestaat een geleerd tijdschrift op duur papier dat een kopie van Theater Heute is en dat zich aandient als een belangrijk theatertijdschrift. Maar dat zijn geleerde heren die doen alsof men in het theater moet gaan zitten nadenken, mijn god, theater is toch de laatste plek om na te denken! (Walter Tillemans in Humo, 27 september 1984, pag. 41)
“Criticism is itself an art. And just as artistic creation implies the working of the critical faculty, and, indeed, without it cannot be said to exist at all, so Criticism is really creative in the highest sense of the world. ” (Oscar Wilde, “The Critic as Artist”)
Gij zweert en belooft, voor God en voor de mensen, met niemand in betrekking te komen tot na uw verklaring; geen gehoor te geven aan haat of kwaadwilligheid, aan vrees of genegenheid; uw beslissing te nemen volgens de bezwaren en de middelen van de verdediging, naar uw geweten en uw innige overtuiging, met de onpartijdigheid en de Vastberadenheid die een rechtschapen en vrij mens betamen. Artikel 312 van het Wetboek van Strafvordering geciteerd tijdens de dag over theaterkritiek in Gent ter omschrijving van de taak van de recensent.
“Ook al doet de toneelcriticus vaak niet meer dan het in eigen woorden navertellen wat de dramaturg hem in het programmaboekje heeft voorgekauwd, zodat het lijkt of je een natte uilebal tegen je gezicht gespuugd krijgt, …” (Gerrit Komrij, “De brandende kwestie toespraak d.d. 21.9.1982, gehouden voor de Stichting Literaire Aktiviteiten Amsterdam, gepubliceerd in Vrij Nederland dd. 2.10.1982).