De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
“Artiesten kunnen stikken!” – (Cricot 2) – Foto Jacquie Bablet
Tadeusz Kantor was in onze contreien, waar hij zelf zijn artistieke roots situeert. Alex Mallems beschrijft de voorstellingen in Antwerpen. Johan Thielemans polst Kantor over hoe Pools zijn werk is.
Vorig jaar op het Festival van Avignon zag ik een eerste keer Qu’ils crèvent les artistes! in een kale gymnastiekzaal vanop een harde houten (turn)bank. Toen konden noch de overvolle zaal, noch de broeierige hitte, noch het gebrek aan zitcomfort verhinderen dat ik anderhalf uur aan één stuk door gefascineerd werd door de macabere revue die Kantor daar liet passeren. Plastisch sterke theaterbeelden als dat apocalyptisch paard-skelet of de barricade aan het slot, ondersteund door melancholisch-tragische Poolse marsmuziek in combinatie met verrassende tangoklanken creëerden samen een meeslepende visueel-sonore sfeer die weken later nog even krachtig bleef nawerken. Ik besloot in mijn festivalimpressie over Avignon ’85 mijn hoofdstukje Kantor met het gooien van de handschoen naar organisatoren bij ons: “Wie haalt de meest authentieke theatermaker nog eens naar hier?” (Etcetera 12/85, p. 58).
Vijftien maanden later zit ik in de Antwerpse Singel opnieuw naar Artiesten kunnen stikken! te kijken. Frie Leysen leest dus Etcetera en heeft de handschoen opgeraapt. Een hele uitdaging blijft het in ieder geval: Kantor mag dan ondertussen wel al 71 jaar oud geworden zijn, het blijft een eigenzinnig, onberekenbaar en vaak moeilijk karakter. In Antwerpen valt het allemaal nogal mee: Kantor situeert in onze contreien immers zijn artistieke “roots”, nl. bij de symbolisten Maeterlinck, Crommelynck, Verhaeren en andere de Ghelderodes. Ook zijn bewondering voor onze surrealistische schilders (Delvaux, Magritte) steekt Kantor niet onder stoelen of banken. Bovendien bevalt het Singel-complex met de Bauhaus-invloeden hem bijzonder goed.
Nochtans heb ik precies daar problemen mee op de premièreavond: de produktie staat me hier te afstandelijk, te clean. De acteurs lijken nog op zoek naar de juiste verhoudingen op het plateau, naar een beter contact met de zaal ook. Dat overweldigend gevoel van helemaal ondersteboven de voorstelling te ondergaan komt niet terug. Misschien is de verrassing van die plastische theaterbeelden weg omdat ik het spektakel niet voor de eerste keer zie. Of heeft het te maken met de half lege zaal op deze gure oktober-onweersavond? Ik weet het niet, maar de vonk slaat zeker niet over – ook niet echt naar de rest van het publiek krijg ik de indruk bij een wel gul, maar zeker niet ovationeel applaus op het eind.
De laatste voorstellingsdag staat er een ontmoeting met Kantor op het programma. De hardnekkigheid, het fanatisme en de expressiviteit waarmee hij zijn stellingen verdedigt, zijn nieuw Manifest waaruit hij citeert, het brengt me toch weer in de ban van Kantor. Ik besluit om nog een keertje te gaan kijken en ik ben niet alleen: de zaal zit afgeladen vol. En terecht blijkt al gauw, want vanaf de openingsscène valt het voorbehoud van de eerste avond weg. De fascinatie is er opnieuw: de spiraal van roterende beelden sleurt me weer mee. De “dode personages” gereleveerd uit Kantors jeugdherinneringen, onverbrekelijk vastgekluisterd aan hun objecten, komen tot leven binnen een bevreemdende theaterwerkelijkheid (de gehangene met zijn galg, de oplichter-pooier met zijn cafétafeltje, de voetwasser met zijn ijzeren teil, de hoer met haar zwarte lingerie, de kwezel met haar bidstoel en paternoster, de meid met haar wasbak). De “dode militairen” ontbreken ook nu weer niet: het zijn als het ware levensechte tinnen soldaatjes, nu mechanisch-marcherend, dan weer strompelend-vallend als trieste getuigen van de bloedige Poolse geschiedenis, ruimer van de tragische wereldgeschiedenis als aaneenschakeling van oorlogen.
Tadeusz Kantor zelf blijft ook nu weer zelf aanwezig op de scène, meer dan ooit eigenlijk, want de Janicki-tweeling zet bovenop een ontdubbeling van de auteur zijn bewustzijn neer, terwijl er daarnaast ook nog een kleine soldaat met karretje rondrijdt als zesjarige Kantor. Bij het optreden van Veit Stoss, niet als historisch personage van sculpteur uit de 15de eeuw, maar als “personage trouvé” – Kantor stelt dat dit personage volledig uit zichzelf gekomen is, zich aan hem en zijn spektakel op een onweerstaanbare manier opgedrongen heeft – bij deze interventie verliest Kantor greep op het gebeuren: Veit Stoss beheerst en bepaalt van dan af het verloop van de scènes (bv. de “reconstructie” van zijn retabel of het opbouwen van zijn laatste werk, de barricade). Kantor druipt dan ook veelzeggend af richting coulissen: Veit Stoss, gekleed als een kunstenaar uit het begin van deze eeuw, neemt zijn rol als artiest-dictator over. Het publiek ontsnapt evenmin aan de terreur van Veit Stoss: bij het slotbeeld op de barricade schieten de acteurs voorwaar op het publiek… De toeschouwers vuren hartstochtelijk terug met een gemeende (en terechte) ovatie.
ARTIESTEN KUNNEN STIKKEN!
auteur-regisseur-dirigent, decors en kostuums: Tadeusz Kantor; acteurs: Leslaw & Waclaw Janicki, Maria Kantor, Maria Krasicka, Mira Rychlika, Zbigniew Bednarczyck, e.v.a.
Gezien op 21 en 25 oktober in deSingel, Antwerpen.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.