De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
“Le Soulier de Satin” – Avignon – Foto Georges Méran
Als theaterliefhebber ga je – net als in het gewone leven – vaak op zoek naar het herbeleven van je meest intense ervaringen. Avignon zal, wat mij betreft, altijd wel verbonden blijven met die unieke, onvergetelijke premièrenacht van de Mahabharata van Peter Brook ergens in een steengroeve langs de boorden van de Rhéne, nu twee jaar geleden.
Dit jaar stond er in Avignon opnieuw een “nuit” op het programma, meer bepaald de voor het eerst integraal opgevoerde versie van Paul Claudels Le Soulier de Satin, goed voor een hele nacht theater – van 9 uur ’s avonds tot bijna 9 uur de volgende morgen.
Le Soulier de Satin is in de eerste plaats een nacht van de poëzie geworden, want de kracht van deze tekst – en de enscenering van Antoine Vitez beklemtoont dit nog – ligt vooral in de poëtische rijkdom van de taal van Claudel. Het is de fantasie van een wereldreiziger die tot expressie komt via het woord. Le Soulier de Satin herneemt zowat alle belangrijke thema’s uit het oeuvre van Claudel en integreert bovendien heel wat autobiografische elementen. In die zin kan men gerust spreken van een testamentair stuk waarin de wereld van de auteur geëvoceerd wordt. Als Frans diplomaat was Claudel letterlijk een wereldreiziger: hij vervulde opdrachten in Europa, Noord- en Zuid-Amerika, Azië en Afrika, wat in Le Soulier de Satin gereflecteerd wordt in een caleidoscopisch wereldbeeld, een soort universeel kader waarbinnen het verhaal zich afspeelt.
Qua structuur sluit het stuk aan bij het Spaanse theater uit de Gouden Eeuw, bij auteurs als Lope de Vega of Calderon. Het is opgesplitst in vier dagen, maar wordt door het Théâtre National de Chaillot ofwel in twee delen, ofwel in een integrale versie opgevoerd. De hele tijd zit je als toeschouwer vooral te luisteren naar de poëzie van Claudel, want in decor en kostuums is er geopteerd voor een vrij sobere aankleding, zodat er ruimte wordt gelaten voor persoonlijke invulling van de gesuggereerde fantasiewereld.
Bovendien werkt de “an sich” kale Cour d’Honneur du Palais des Papes – in Avignon locatie voor deze voorstelling – die soberheid nog in de hand. Thematisch roept het pausenpaleis vanzelfsprekend wel enkele interessante zinspelingen op bij een stuk als dit, waarin Claudel het centrale thema uit zijn oeuvre als het ware synthetiseert, nl. het christendom met zijn schuldbesef, boetedoening, loutering. Spelen in de Cour d’Honneur heeft anders wel zijn beperkingen, door de zwakke akoestiek van die immense binnenplaats – zeker als de beruchte mistral waait. In Avignon alludeert men trouwens voortdurend op de hele opvoeringstraditie sinds Jean Vilar, de legendarische eerste directeur van het festival. “Jouer à Cour” heet dat dan, een uitdaging die elke belangrijke Franse regisseur ooit eens moet aangaan (volgend jaar is het bijvoorbeeld de beurt aan Patrice Chéreau). De beperkingen van de akoestiek impliceren immers dat de acteurs, om minimaal verstaanbaar te blijven, quasi “en face” moeten spelen, met hun articulerende lippen zichtbaar voor het publiek. Bij een opvoering als die van Le Soulier de Satin, waar de zegging zo elementair is, levert dat af en toe wel problemen op, in die zin dat bepaalde scènes daardoor wat statisch overkomen. Een euvel dat in de schouwburgversie (die van 10 tot 31 januari 1988 naar het Théâtre National in Brussel komt) wellicht zal verdwijnen. Spelen in open lucht bracht ook nog andere negatieve consequenties mee: als de zon ’s ochtends vroeg opkomt, en de lichtintensiteit van de Provencehemel al gauw die van de theaterspots wegdrukt, verliest het gebeuren op de scène aan intimiteit. Zonder theaterbelichting wordt alles tamelijk uitgevlakt.
Ondanks deze kritische kanttekeningen die eerder met de opvoeringsomstandigheden in Avignon dan wel met de produktie van Antoine Vitez te maken hebben, blijft Le Soulier de Satin een schitterende theatergebeurtenis. Het is in ieder geval de verdienste van festivaldirecteur Alain Crombecque dit “projet fou” gerealiseerd te hebben. Typisch Crombecque trouwens en typisch voor het Festival d’Avignon zoals het de afgelopen drie jaar onder zijn directie geëvolueerd is. Dat wil zeggen dat bij prioriteit het Franse theater in al zijn aspecten (auteurs, regisseurs, gezelschappen, acteurs, theaterscholen zelfs) aan bod komt, geselecteerd op basis van de intuïtie, van de vele persoonlijke contacten en relaties van Crombecque in het milieu (als oud-directeur van het Festival d’Automne in Parijs, als college-studiegenoot van o.a. Jean-Pierre Vincent, Ariane Mnouchkine, Patrice Chéreau) en met vooral de creatie als centraal motief. Waar voorheen, onder de directie van Bernard Faivre d’Arcier, het festival zeer breed programmeerde, is zijn profiel nu scherper afgetekend rond specifiek het Franse theater. Daar is heel wat kritiek op, ook in Frankrijk, bij theaterliefhebbers die met name het internationale referentiekader missen voor dat Frans theater. Wel biedt het festival nu een ideale gelegenheid om binnen een beperkte periode een soort “stand van zaken” op te maken van het theater zoals dat vandaag in Frankrijk evolueert.
Spectaculaire coprodukties zoals Le Soulier de Satin horen daar in ieder geval bij, maar ook meer kleinschalige initiatieven zoals dit jaar het auteursproject rond Robert Pinget, van wie maar liefst vier theaterprodukties en een radiofeuilleton werden gepresenteerd. Initiatiefnemer van dit project was Joël Joeanneau, een nog jong regisseur die gefascineerd geraakte door het werk van Pinget en die zijn enthousiasme voor deze zowat vergeten toneelauteur overdroeg op Alain Crombecque. Pinget wordt als romancier algemeen beschouwd als een vooraanstaand Frans auteur. Dat zijn stukken – ooit gecreëerd door theatergrootheden als Jean Vilar, Jean-Louis Barrault of Pierre Dux – zo weinig bekend zijn en gespeeld worden, is toch wel merkwaardig gezien de opvallende kwaliteiten ervan. Vooral de door Pinget gehanteerde taal – voor het niveau refereer ik naar Beckett – met zijn heel persoonlijke stijl en kleur werkt zeer sterk. L’Hypothese, een monoloog geregisseerd door Joeanneau, is bijvoorbeeld een pareltje qua schriftuur: een subtiel woordenspel met dat aparte, typische taalgebruik van Pinget, gehanteerd door zijn Mortin-personage. Mortin is een soort conférencier, zowat de Monsieur Hulot van het theater, een individu opgesloten in een mentaal labyrint, gevormd door de taal, door het schrijven en de moeilijkheden bij dat schrijven. Niet toevallig fungeren een manuscript en de auteur ervan als belangrijkste attribuut en (fictief) personage in L’Hypothese. Hopelijk kan de nadrukkelijke aanwezigheid van Pinget op het Festival van Avignon – met de bijhorende media-ruchtbaarheid – een herontdekken en herwaarderen van deze toneelauteur teweegbrengen. Op die manier kan zo’n prestigieus festival toch een soort gangmakersfunctie vervullen (wat vorig jaar via vergelijkbare auteur sprojecten rond Valère Novarina en Nathalie Sarraute ook al gebeurde).
Het geven van creatie-opdrachten en de meerwaarde die zo’n festivalproduktie dan meekrijgt, kan echter ook nefast werken. Zo creëerde Tilly, een hedendaags auteur die ook al bij ons gespeeld werd (Charcuterie Fine bij het NTG bijvoorbeeld), een nieuw stuk rond racisme. Tilly, die een soort hyperrealisme als schrijfstijl ontwikkeld heeft, hanteert datzelfde hyperrealisme ook als regisseur. Hij laat acteurs spelen alsof ze niet spelen. Bovenop die verdubbeling van het tekstuele op het acteerniveau speelt à bon Bamboula zich ook nog eens af in een extreem hyperrealistisch decor. Het resultaat is een over-expliciete produktie waarin alle mogelijke clichés rond vooroordelen tegenover negers de revue passeren, op het banale af. Dat het thema racisme aan de orde stond, was voor iedereen wel duidelijk zonder dat Marie-Jo bijvoorbeeld hoefde te schreeuwen: “Je suis raciste moi, je n’aime pas les nègres!”. Het publiek wordt hier danig onderschat.
De absolute revelatie van het festival was voor mij dit jaar Les Petits Pas van Jérôme Deschamps, een soort “brique-braque” van muzikale fragmenten met slapstickscènes. De originaliteit van deze voorstelling ligt vooral bij de cast: een heel excentrieke verzameling hoogbejaarde zangers en zangeressen (de oudste is maar liefst 88) met de meest ongelooflijke carrières achter de rug (van doublure voor Luis Mariano tot hoofdboekhouder bij de Follies Bergères). Parallel met de schlagers die zij brengen (evergreens als Je suis seule ce soir), live begeleid door een piano en een strijkersensemble, loopt er een tweede plot met een tonronde schouwburgconcierge (?), haar graatmagere partner en hun (onzichtbare) hond als protagonisten. Los van het zingen van de oudjes zie je het dagelijkse, extreem slonzige leventje van dit tweetal: zij morsen met eten, gooien met lege wijnflessen, vallen over etensresten en andere rommel; kortom, alle ingrediënten voor een flinke portie slapstick in de beste traditie zijn aanwezig. Het geheel levert een buitengewoon originele, amusante voorstelling op, vol verrassingen, onverwachte wendingen (ooit een 85-jarige zomaar een dubbele salto zien maken?) en vooral met de hoogbejaarde zangers in de hoofdrol. Ze brengen hun acts met zo’n overtuiging, vitaliteit en authenticiteit – ten slotte gaat het om liedjes uit “hun” tijd – dat je ontroerd zit te genieten bij zoveel enthousiasme. Vooral ook omdat Les Petits Pas geen moment neigt naar goedkope sentimentaliteit.
Jérôme Deschamps heeft hier een bijzonder werkzame structuur gevonden, waarbinnen de verschillende niveaus elkaar perfect in evenwicht houden (het strijkorkest, de zangers, de slapstick van de acteurs van zijn gezelschap). Nochtans blijft zo’n voorstelling een gewaagde onderneming door de fragiliteit van het spektakel dat door vorm en inhoud voortdurend balanceert op de smalle grens tussen sentimentaliteit en (gezonde) nostalgie. In Les Petits Pas komt Deschamps met die “afgeschreven” zangers, geplaatst in een daarvoor ideaal “afgeschreven”, vervallen aandoend decor (de produktie werd trouwens gecreëerd in de Bouffes du Nord, ook al een “afgeschreven” schouwburg in Parijs), tot een verbluffend resultaat, wars van elke vorm van commerciàle sensatiezucht. Les Petits Pas is duidelijk levenselixir voor deze bejaarden; waar theater nog goed kan voor zijn, denk je dan. In zoverre zelfs dat je sympathie voelt voor de ongecompliceerde manier waarop die mensen elk moment van het nog mogen meemaken van zo’n triomf beleven. Zoals voor die ene sopraan van 88 die op de persconferentie de volgende wens uitdrukte: “Het is de eerste keer dat ik in Avignon ben. Ik ben zeer gelukkig om dit te mogen beleven en hoop volgend jaar opnieuw uitgenodigd te worden.” Rendez-vous in Avignon ’88.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.