De vader – Floris Devooght / één zee
Een steriel ziektebeeld
Jens Dewulf
Het BKT speelde dit seizoen twee versies van Botho Strauss’ Kalldewey, farce. Toeschouwers te Gent, Brugge, Knokke, Leopoldsburg en Leuven hadden pech: ze kregen volgens regisseur Dirk Buyse slechts “het onbevredigend resultaat van een moeizame en tekstgetrouwe zoektocht naar de greep op het stuk” te zien.
In diezelfde mededeling, verspreid bij de Brusselse voorstellingen, voegt Buyse daar lakoniek aan toe dat “zoiets kan gebeuren”. Meer pertinent is hier de vraag of zoiets niet kon vermeden worden. Is het m.a.w. wel te verantwoorden tegenover een publiek dat een produktie waar men (nog) niet achter staat desondanks in première gaat. Een repetitieproces wijst toch uit of er al dan niet van volwaardige voorstellingen sprake kan zijn. Maar goed, wellicht lagen die speeldata al maanden vast, had men die voorstellingen eventueel nodig om aan de Dekreetnorm te voldoen, of kwam — Eureka — het moment van kritisch inzicht in de vorm van een totaal nieuw concept pas na die ‘Ronde van Vlaanderen’. Anderzijds getuigt het wel van artistieke integriteit dat na zelfkritiek een voorstelling die niet goed zit drastisch wordt omgebouwd. Keerzijde daarvan is dan weer dat dit holderdebolder omgooien negatieve consequenties heeft: de Brusselse (aangepaste) versie steunt op een vondst die slechts in het eerste bedrijf echt werkt en die in de rest van het stuk kunstmatig in leven wordt gehouden.
Wat houdt die vondst nu in? In een poging om meer stijleenheid te verkrijgen introduceert Dirk Buyse een nieuw interpretatiekader: het publiek wordt uitgenodigd om een opendeurdag mee te maken in een psychotherapeutisch centrum. De acteurs worden door de directeur uitgebreid voorgesteld als patiënten die binnen hun therapie rollenspelletjes zullen opvoeren. Er wordt aangekondigd dat De Slaap der Liefde baart Monsters gespeeld wordt (het eerste bedrijf uit Kalldewey, farce). Aansluitend in dezelfde sfeer loopt het stuk door als ‘rollplay-in-the-play’. Tijdens de pauze is er dan een omslachtige speech nodig van de acteurdirecteur om het publiek toch maar het opzet niet te laten missen: het derde bedrijf wordt een levensechte observatie van de dagdagelijkse activiteiten van de therapie-patiënten. De toeschouwer wordt prompt verzocht om als gluurder ongezien binnen de instelling te kijken. Van een kunstgreep gesproken: dit artificieel intermezzo vervangt een entre-act van Botho Strauss waarin de sleutelfiguren uit het stuk MAN en VROUW als oudjes op een subtiele manier een flash back inbouwen op hun leven, een mythisch geladen zelfobservatie van hun Corridor (het derde bedrijf), van hun relatie die blijvend therapie behoeft.
Gevolg van deze structuur: Kalldewey, farce wordt compleet uitgekleed en onschadelijk gemaakt. Het stuk wordt gekneld in het keurslijf van veilige rollenspelletjes zonder enig maatschappelijk referentiepunt. Het theater van Botho Strauss dat zijn kracht voor een goed deel haalt uit het meerduidig-chaotisch wereldbeeld dat erin opgebouwd wordt, volwaardig pendant voor onze complexe samenleving, is tot een banale anekdote gereduceerd. Het mysterieuze, de mythische ondertoon van Kalldewey, farce vervalt door het opgelegd concreet kader van het therapeutisch centrum. Binnen het eenduidig regieconcept van Dirk Buyse wordt ook titelheld Kalldewey gedemystifieerd en ondubbelzinnig als baghwan-goeroe neergezet. Een verarmende ingreep die plausibele connotaties bij de figuur Kalldewey uitsluit (incarnatie van het lustprincipe, moderne rattenvanger van Hameln,…). Bovendien werkt die baghwan-referentie contradictoir binnen het enge regiekader: slechts heel expliciet als therapeut-wegbereider had Kalldewey eventueel geloofwaardig kunnen overkomen.
BKT gebruikte voor deze Kalldewey, farce de vertaling van Hans W. Bakx die ook Baal bij de Nederlandse creatie liet horen. (1) Fundamenteel probleem hierbij is dat van zodra er een specifiek taaljargon (vb. aangebrande feministentaai) gesproken moet worden, dit voor Vlaamse acteurs niet haalbaar is. Men grijpt dan gemakkelijkheidshalve terug naar het vertrouwde paardemiddel: het dialect. Katrien Devos hoor je dan met een geaccentueerde Westvlaamse bijklank praten, de Antwerpse afkomst van Bhora De Winter komt aan de oppervlakte, Luc De Smet imiteert een typisch Brabants streektaaltje. Dit alles georchestreerd door directeur-therapeut Ben Hemerijckx die een duidelijk Nederlands klankbord laat horen. Deze onnatuurlijke cacafonie, die bovendien wringt met de verhollandste vertaling, schaadt zeker de homogeniteit van de voorstelling. Er blijven slechts opportunistische, goedkoop-komische dialecteffecten.
Drastische dramaturgische ingrepen in recente teksten als Kalldewey, farce zijn eerder ongewoon. Met actualiserende lezingen van anders irrelevante oude stukken zijn wij meer vertrouwd. Wat Dirk Buyse probeert, kan wel interessant zijn als basisconcept, maar vervalt in een te belerende, over-expliciete enscenering. De creatieve fantasie, de sociologische en cultuur-historische verwijzingen worden uit de tekst van Botho Strauss weggedrukt. Ook bij de toeschouwer werkt dit ten koste van de interpretatievrijheid: er blijft nauwelijks invulruimte. Aan zoveel pap in de mond houd ik een indigestie over.
(1) Cf.Etcetera 1/83, p. 61-62
Kalldewey, farce
auteur: Botho Strauss;
vertaling: Hans W. Bakx;
groep: BKT; regie: Dirk Buyse;
spelers: Luc De Smet, Mia Grijp, Katrien Devos, Bhora De Winter, Ben Hemerijckx.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.