© Michiel Devijver

Leestijd 10 — 13 minuten

Tijd voor zorgzaamheid

Een verslag van de reflectiedag op 12 juni 2022 door Etcetera x NTGent

Een aantal weken geleden ging een zucht van opluchting door een deel van de kunstsector toen minister van Cultuur Jan Jambon onverwacht 25 miljoen extra middelen vrijmaakte voor de werkingssubsidies. Helaas plukt niet iedereen hier de vruchten van. Toch komt het nieuws geen dag te vroeg. De sector verkeert in ademnood. Burn-outs nemen toe, personeelsleden en kunstenaars vallen uit of scholen zich om en verlaten de sector voorgoed. Velen bevinden zich in een permanente ploetermodus, uiteraard niet enkel in de kunstsector. De gevolgen van de pandemie, stijgende prijzen en een niet te negeren klimaatcrisis, bovenop bestaande structuren van ongelijkheid, eisen hun tol. Niet in het minst op onze mentale weerbaarheid.

Het vraagt moed de blik naar binnen te richten. Dat is wat Etcetera doet in hun zomernummer Binnenwerelds over psychische kwetsbaarheid in de podiumkunstensector en de maatschappij, en tijdens de reflectiedag ‘Hoe dragen we zorg voor elkaar?’ in samenwerking met NTGent. In het editoriaal benadrukt de redactie ‘het maatschappelijk engagement dat schuilt in een oprechte aandacht voor onze kwetsbare binnenwereld’ vanuit het geloof in psychische gezondheid als collectieve verantwoordelijkheid en niet te negeren indicator van structurele problemen. 

Het is hoopgevend dat het thema hoger op de agenda komt te staan. Daarnaast vertaalt de maatschappelijke instabiliteit zich ook in het soort werk dat gemaakt wordt, dat vaker gaat over trauma, onzekerheid of verlies en vertrekt vanuit heel persoonlijke verhalen. Zowel die thematische verschuiving, als een veranderend register rond en omgang met zorg, (bijvoorbeeld in verloning of omgang met makers), zet een aantal van de (tijdloze) vragen over de plaats en de vorm van kunstkritiek op scherp. Moeten critici met die veranderingen rekening houden? Wat betekent dat juist voor de kritiek? En wat is er nodig om zorgzame kritiek mogelijk te maken?

De zoektocht naar die voorwaarden is het centrale thema van het debat waarmee de reflectiedag opent en dat gevoerd wordt met theatermakers Sachli Gholamalizad en Jozefien Mombaerts, auteur/maker Dominique Willaert en criticus Marijn Lems, gemodereerd door cultuurjournalist Wouter Hillaert.

Onderhandelingsruimte

En laat nu net het vrijmaken van een moment en een plek om hierover van ideeën te wisselen, een belangrijke eerste voorwaarde zijn voor zorgzame kunstkritiek. ‘Zorg veronderstelt voldoende tijd en ruimte om in te gaan op complexiteit, om te struikelen en te stotteren’, geeft Willaert aan. Tijd die volgens hem op dit moment ontbreekt wegens een verschraling van de publieke sfeer waar kunstkritiek zich afspeelt. Dat zorgt voor zeer gespannen relaties. ‘Wij zijn heel hard getraind om te oordelen. Als je het woord kwetsbaarheid en zorg wil definiëren dan heb je eigenlijk veel meer onderhandelingsruimte nodig.’

Het is net die vraag naar ruimte voor dialoog, naar een werkelijk gesprek waarin de criticus niet degene is die het laatste oordeel velt, die als een rode draad door het debat zal lopen. Op dit moment ontbreekt het aan vormen voor zo’n gesprek. De criticus gaat naar een voorstelling, schrijft iets dat in grote oplage gedrukt wordt en daar houdt het op. Er is dan ook een zekere drempel voor makers om recensenten te contacteren en andersom. De werelden blijven gescheiden, al zijn er ook enkele initiatieven die die kloof proberen te overbruggen. Daarnaast is het natuurlijk ook zo dat de dialoog die kunstkritiek inherent is en verder teweeg kan brengen verder gaat dan enkel de directe uitwisseling tussen maker en criticus, al staat die in de gezamenlijke zoektocht naar voorwaarden voor zorgzame kunstkritiek wel centraal.

De mens achter kunst en kritiek

Zorgzaamheid voor de mens achter de kunst lijkt des te belangrijker bij voorstellingen die vertrekken vanuit een heel persoonlijk verhaal. Esther Tuypens schreef voor Binnenwerelds over deze tendens en de implicaties voor de kritiek in haar tekst ‘Voorbij het egodocument’. Bovendien vormde de observatie ook een van de uitgangspunten voor het gesprek tussen Khadija El Kharraz Alami, Jozefien Mombaerts, Barbara Raes en Wouter Hillaert in datzelfde nummer. Omdat de onderwerpen van deze voorstellingen gevoelig liggen, krijgen makers gemakkelijker de kritiek dat hun werk navelstaarderig is of te therapeutisch voelt. Critici zullen ook sneller de legitimiteit bevragen. Welke verhalen zijn werkelijk van jou? En heb je het recht om ze te vertellen? Vragen waar Mombaerts in de recensies van haar voorstelling Pleidooi voor zelfmoord sterk mee geconfronteerd werd. ‘Wat is waar en wat niet? Is zij wel in de positie om te spreken in naam van al die mensen die eigenlijk al overleden zijn? Ik vroeg me af of dat de meest interessante discussie was om te voeren. Mag ik enkel hetgeen vertellen dat van mijzelf is, dus autobiografisch? En is het dan nog theater?’

De vragen hangen samen met een soort hyperfocus op het persoonlijke leven van makers, de behoefte hier alles aan vast te pinnen. Het is een drang waar makers zich van bewust zijn en die een spanning creëert die vaak ook in het werk voelbaar is. In het geval van Mombaerts is dat het voorop plaatsen van de vraag of ze zelf suïcidaal is. Ook Gholamalizad herkent die neiging van critici heel erg. ‘Er wordt niet gekeken naar de artisticiteit van je werk, maar naar je profiel, in mijn geval iemand met een diverse achtergrond, met een andere cultuur. De focus komt automatisch daarop te liggen, terwijl dat voor mij totaal niet de focus van de voorstelling was.’

Wat doorklinkt is een behoefte aan recensies waarin de persoon van de maker meer afwezig is en de artistieke intentie centraal staat, voor zover die strikt te scheiden zijn. Nieuwsgierigheid naar de mens achter de theatermaker is heel menselijk, toch is het bewaken van die grenzen een belangrijke voorwaarde voor kunstkritiek. Tegelijkertijd is er ook vraag naar een sterkere aanwezigheid van de persoonlijke overwegingen van de criticus in de kritiek, diens opvattingen, gevoeligheden, referentiekader, verwachtingen. Om met andere woorden zowel naar de mens achter het kunstwerk als naar de mens achter de kritiek te kijken. Een zorgzame kritiek zou een kritiek kunnen zijn die de persoonlijkheid van de criticus niet wist, waarin critici transparanter zijn over hun eigen kijken.

© Michiel Devijver

Maatschappelijk bewustzijn

Wat het volgens Mombaerts voor recensenten complex en vermoeiend maakt, is dat zij zich tegelijkertijd tot de voorstelling moeten verhouden én tot een bepaald kader, waarin het bijvoorbeeld niet past om ook je eigen emoties te benoemen. Een belangrijke opmerking, omdat het samenhangt met de verschuivende kijk naar zorg, maar wat is dat kader precies? Wat is het maatschappelijk discours dat zowel makers als critici beïnvloedt?

Mombaerts linkt het aan de ‘woke-generatie’ en diens strijd voor de eigen identiteit en het afbakenen van grenzen op basis van privileges gelinkt aan die identiteiten. ‘Ik ben daar absoluut niet tegen, maar het zorgt er wel voor dat je heel hard teruggeworpen wordt op de vraag tot welk collectief je behoort en wat jouw eigen identiteit is, waardoor het hele medium van theater en fictie, humor en ironie, een beetje in vraag gesteld worden.’ Willaert beaamt die hyperfocus op het individuele: ‘In de tijd van vandaag zijn we allemaal een beetje narcistisch en dat is jammer. Het persoonlijke is heel politiek geworden. Wij hebben geen collectieve identiteiten meer, waardoor de persoon voortdurend geappelleerd wordt om zich te manifesteren en te profileren.’

Maar bestaat er wel zoiets als een ‘woke-generatie’? Ik moet denken aan wat Abbie Boutkabout eind vorig jaar schreef in een reflectie over de alomtegenwoordige term: ‘Quasi niemand die ervan beschuldigd wordt woke te zijn – noch door rechts, noch door links – beschouwt zichzelf als woke. En geen van de vingerwijzers kan een eenduidige definitie van het woord geven.’ Zit er daarnaast ook geen spanning tussen enerzijds het idee dat de samenleving in individuen uiteenvalt die zich groeperen aan de hand van een gedeelde identiteit en anderzijds het idee dat er geen collectieve identiteiten meer bestaan? Vanaf welke omvang van leden of met welke verbindende factor spreken we van een collectieve identiteit?

Gholamalizad nuanceert: ‘Je hebt het over ‘woke’ als overkoepelend begrip, maar ik denk dat het daarbij over mensen met heel uiteenlopende profielen gaat. Het is ook niet zo dat ze een gemeenschap vormen. Tegelijk vind ik dat er ruimte moet zijn voor iedereen, voor al die stemmen en levensvisies. Daarom vind ik het belangrijk dat er voorstellingen komen die niet meer gaan over vormelijkheid of over een bepaalde vorm van spelen. Ik denk dat we in golfbewegingen leven, dat er fases zijn waarin je wél nood hebt aan mensen die heel persoonlijke dingen vertellen en dat je daar dan ook weer aan voorbij kan gaan. Nu heb ik soms het gevoel dat het het ene of het andere is. We worden in kampen verdeeld.’

Nieuwe universaliteit

Ook de verwijzing naar narcisme, die Gholamalizad herkent uit een bespreking van haar laatste voorstelling, is beladen. ‘Ik vind dat heel gevaarlijk, omdat het voorbijgaat aan de vraag waarom ik daar sta als individu. Waarom ben ik daar alleen om het verhaal te vertellen en is er niemand anders?’ Ze verklaart haar keuze voor persoonlijk werk vanuit de vaststelling zich niet te herkennen in wat doorgaans op scène gebracht wordt. ‘Ik moest vanuit het individuele vertrekken om een soort universeler verhaal te kunnen vertellen, een nieuwe universaliteit te omvatten.’

Zowel de vraag of een kunstwerk niet te persoonlijk is en de legitimiteit van het spreken, als de vraag naar hoe collectieve identiteiten vorm krijgen, is verbonden aan onze invulling van universaliteit. ‘Tekenend in dat opzicht is dat Jozefien blijkbaar de vraag kreeg “is dit wel persoonlijk genoeg?” en Sachli “is dit niet te persoonlijk?”, merkt Lems op. ‘Daar zie je een soort tegenspraak in hoe we kijken naar die vraag van legitimiteit en dat vind ik een gevaar. Bij veel makers die vanuit een identitaire kwestie vertrekken, merk je dat een deel van de kunstkritiek nog let op of het ‘nog wel universeel is’ en dat vertrekt volgens mij vanuit een ouderwets idee van universaliteit. Alsof er ‘een’ universaliteit zou bestaan.’

Hij beschouwt het net als een van de belangrijkste vernieuwingen van de afgelopen tien jaar in zowel het theater als de maatschappij dat er meer ruimte is voor en meer emancipatiebewegingen die op zoek gaan naar multiperspectiviteit. ‘Ik heb als recensent heel veel geleerd van de verschillende perspectieven die er de afgelopen jaren zijn geweest om op andere manieren naar de wereld te kijken. Hoe is het opgebouwd qua machtssystemen en hiërarchieën, wie bepaalt wat de verhoudingen zijn en welke representatiekwesties spelen.’ Een belangrijke manier om ervoor te zorgen dat er meer oog is voor die verschillende perspectieven en dus ook een meer zorgzame kritiek, is volgens Lems dan ook inzetten op meer diversiteit bij de kunstcritici.

En niet enkel de recensent, maar ook het publiek moet meer geoefend worden in het kijken. Theatermaker Mira Bryssinck merkt vanuit het publiek terecht op dat we niet leren om naar andere lichamen te kijken; of het nu gaat over queer personen, POC, mensen met een beperking of anderen. Deze perspectieven krijgen binnen de kunsten nog veel te weinig aandacht. Bovendien moeten we kritisch onder de loep houden wat we als ‘kwetsbaar’ beschouwen en de maker daarin autonomie geven. Waarom is alles wat een persoon met een beperking doet op scène automatisch kwetsbaar? Wat verraadt die blik? Leni Van Goidsenhoven, die later op de dag een sessie Samen Lezen begeleidt, beaamt dit. Haar onderzoek aan Universiteit Antwerpen en KU Leuven richt zich op het belang van verbeelding en ervaringsverhalen van mensen met een beperking in onderzoek. ‘Ik denk dat het publiek geoefend moet worden, want zoveel niet-normatieve lichamen zie je niet op scène. Er gaan nog heel veel fouten gemaakt worden en dat mag. Maar er mogen ook meer andere lichamen op scène. En een andere manier van praten. We hebben zo’n breed vocabularium, ook mooie woorden. Dan komt het wel.’

Twee jongens

 De onderwerpen van het debat zinderen na in de tekst die Louis Janssens en Willem de Wolf vervolgens op scène brengen tijdens het toonmoment van hun work in progress Analoog – een voorstelling met tekst en muziek over hun band met elkaar, hun eigen biografie, waar de ene persoon eindigt en de andere begint, en hoe je plek in de wereld en de tijd te vinden.

Er is niets zo kwetsbaar als het eerste moment waarop je je werk voor publiek brengt: ‘Hoe ontkom ik aan de gêne?’ Wanneer de Wolf een zanglijn inzet, moet ik denken aan wat Bryssinck zei over de autonomie van de maker in het definiëren van kwetsbaarheid. Je ziet de schaamte en onzekerheid die onlosmakelijk is verbonden aan elk begin, of het nu een theatervoorstelling is of een levensfase, en waarvoor er geen ander antwoord is dan er gewoon recht doorheen te gaan. En tegelijk ook de schoonheid van de geste eenvoudigweg te benoemen. Want dat is wat er gebeurt: we kijken naar onzekerheid. Er is geen ontkomen aan de angst en de hoop op bevestiging, het is een gevoel dat iedereen herkent, ook zij die niet met enige regelmaat op de planken staan. Er schuilt een grote kracht in het expliciteren van die kwetsbaarheid. En het doet je nadenken over de (on)zin van het begrip kwetsbaarheid, dat suggereert dat het gevoel van onveiligheid te vermijden valt.

Twee mensen staan op een podium, de jongen met de bles en de jongen op het schip. De ene spreekt, de andere wisselt zingen en spreken af. Het is niet altijd (meteen) duidelijk welke verhalen van wie zijn. Soms lijkt Louis vanuit het perspectief van Willem te spreken, en omgekeerd. Maar is dat eigenlijk wel relevant? Ik betrap me op de behoefte die in het debat aan bod kwam, om dat wat je hoort een op een te verbinden aan een afgebakende persoonlijkheid. Hoewel ik eigenlijk niet geloof dat die grenzen zo scherp te trekken zijn. Onze levens zijn te rommelig en te intrinsiek verbonden om aan dat idee vast te houden. En dat vertroebelt ook de vraag naar de legitimiteit waarover eerder gesproken werd en die ook hier terugkeert. Wie mag wat zeggen? Om die vraag te beantwoorden moet je eerst weten wat enkel van jou is, wat complex wordt als je zoveel van jezelf in de ander herkent. Zijn het de concrete biografische details? En zijn ook die niet gedeeld? Door te vertellen over je achtergrond, je familie, offer je als maker je omgeving op, oppert Louis-als-Willem. Of was het andersom? Ook hier spreekt zorgzaamheid uit een bewuste omgang met de maker als mens en de mensen rondom de maker. En een oproep de tijd te durven nemen, te geloven in het oefenen, ook als nog niet duidelijk is hoe alles in elkaar past.

Samen leven 

Na het toonmoment brengen verschillende sessies het idee van multiperspectiviteit in praktijk. Je kan deelnemen aan samenleessessies rond kwetsbaarheid, begeleid door Stine Sampers of Leni Van Goidsenhoven, luisteren naar de theatrale podcast over empathie van theatercollectief Par Hasard, of in gesprek gaan met de levensexperts van bodies of knowledge (BOK). De samenleessessie begeleid door Leni Van Goidsenhoven vindt plaats in de tuin. In tegenstelling tot de meeste andere leesgroepen, vertelt Van Goidsenhoven, is het bij Samen Lezen niet nodig je voor te bereiden. De teksten worden ter plekke voorgelezen door Van Goidsenhoven. Zij die luisteren delen wat in hen opkomt, eerder vanuit de emotie dan het intellect. Niemand stelt zich voor, het persoonlijke komt enkel aan bod voor zover het relevant is en de deelnemer in kwestie iets wil delen. Ook hier betekent zorgzaamheid zowel afstand als aandacht.

Van Goidsenhoven koos voor teksten van auteurs die heel persoonlijke verhalen delen die, en dat blijkt ook al snel uit het gesprek, het strikt individuele overstijgen. Ze verhouden zich ook telkens tot een breder maatschappelijk discours, net als de theatervoorstellingen waar het eerder over ging. Het gedicht ‘Beschadigingen’ van Charlotte Van den Broeck, uit haar laatste bundel Aarduitwrijvingen, roept bij de groep vragen op rond kwetsbaarheid. Het gedicht spreekt van ‘een vrouw zonder beschadigingen’, maar bestaan die wel? Geraakt een mens ongeschonden door het leven? Is wat we lezen dan misschien eerder een wens, of een droom? We laten het open en nemen de associaties mee tijdens het luisteren naar fragmenten uit De volgende scan duurt vijf minuten van Lieke Marsman, een dun boek met gedichten en een essay dat ze schreef nadat ze de diagnose kanker kreeg. Ze onderzoekt hoe ze zich tot haar ziekte kan verhouden, maar ook in hoeverre de maatschappij dat al voor haar bepaald heeft. Welke woorden zijn er beschikbaar en welke denkbeelden hangen daaraan vast? Welk onderscheid maken we tussen onze mentale en fysieke mogelijkheden en koppelen we daar waarden aan? In de tuin van NTGent delen we persoonlijke ervaringen, maar ook onze bezorgdheden over de maatschappelijke structuren die die ervaringen mee bepalen. Want wat gebeurt er politiek? In haar essay en gedichten verbindt Marsman het micro- en het macroniveau en fileert ze het beleid van de regering Rutte, waarvan ze de impact aan den lijve ondervonden heeft.

Om de vraag ‘Hoe dragen we zorg voor elkaar?’ te kunnen beantwoorden moeten we het persoonlijke dan ook altijd in breder perspectief plaatsen, systemen waarnemen. Wat zou helpen is een verschuiving in manier van spreken en denken. We kunnen kwetsbaarheid dan niet langer zien als een afwijking van de norm, maar als uitgangspunt nemen. Als canvas voor een gesprek waarbij een zo breed mogelijk spectrum van stemmen aan bod komt. Want al er iets is dat alle onderdelen van deze reflectiedag verbindt, dan is het de collectieve nood aan tijd en ruimte om met elkaar in dialoog te gaan. Er is enkel samen.

© Michiel Devijver

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

#168

15.05.2022

14.09.2022

Mara Matthyssens

Mara Matthyssens is kernredacteur bij rekto:verso en promotiemedewerker bij EPO uitgeverij.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!