© Wikimedia commons

Een konijn met een addertje?

Tien lessen na de subsidieuitslag

Op 6 juli organiseerden State of the Arts, Etcetera en rekto:verso ‘Het konijn van 25 miljoen’, een open Zoom-gesprek rond de recente bekendmaking van de structurele middelen binnen het Kunstendecreet. Daaruit blijkt dat lang niet iedereen er zo gelukkig van geworden is als het van buitenaf lijkt. Uit de input van 45 deelnemende kunstprofessionals destilleren we tien belangrijke lessen rond subsidies verdelen voor de volgende keer.

Wat betekenen die naakte toegekende bedragen nu in de praktijk? Wat leren ze over de gehanteerde procedure? En hoe moet het kunstenveld verder vanaf 2023? Over dit soort vragen wilden we in onze open ‘nazoem’ de ervaringen samenleggen van al wie twee weken geleden zijn werkingssubsidie in de bus kreeg voor de komende vijf of zelfs tien jaar.

Die bekendmaking daarvan ging gepaard met een verrassing van formaat: minister van Cultuur Jan Jambon vond onverwacht 25 miljoen extra middelen. Daarmee zijn alle positief beoordeelde organisaties toch over de subsidiestreep getrokken en konden ook nog negen negatief beoordeelde organisaties worden opgevist. Ook de gemiddelde subsidie per organisatie stijgt vanaf 2023. Kortom, één grote goednieuwsshow?

Achter de algemene positiviteit rond deze beslissing in de media schuilt in de praktijk toch veel tandengeknars.

Ondertussen komen bij oKo preciezere cijfers binnen, die directeur Leen Leconte met enige reserve deelt. Zo krijgen organisaties met een advies ‘positief binnen budget’ gemiddeld 84% van het bedrag dat ze vroegen. Bij de groep ‘buiten budget’ is dat 71%, bij wie een negatieve beoordeling kreeg 64%. In vergelijking met de vorige ronde (2017-2022) kent de eerste groep gemiddeld 147% groei, de tweede 126%.

Nog een vaststelling is dat de kleinere organisaties sneller groeien dan de grote. Wie minder dan 300.000 euro krijgt, groeit gemiddeld met 160%. Wie meer dan een miljoen krijgt, groeit aan met 120%, de tussengroep met 136%. Maar, stelt Laconte, die statistieken verhullen dat veel organisaties ook status quo scoren of – zelfs met een relatief enthousiast advies – minder zullen krijgen dan voorheen. Zowat overal verdampt de stijging al snel door de inflatiekost.

Er is zeker blijdschap om de extra injectie van Jambon, maar tegelijk veel frustratie over de late timing ervan.

Misschien is dat wel de eerste les: achter de algemene positiviteit rond deze beslissing in de media schuilt in de praktijk toch veel tandengeknars. Je mag deze subsidieslag dan al overleefd hebben, wat ben je daarmee als je geen adem krijgt voor je plan? Het kunstenveld blijft dus met dubbele gevoelens achter. Er is zeker blijdschap om de extra injectie van Jambon, maar tegelijk veel frustratie over de late timing ervan.

De krappe basis waarop het hele beoordelingsproces werd gestoeld, leidde tot adviesbedragen die in zeer veel gevallen veel lager lagen dan wat er werd aangevraagd. Voorbij de algemene groeistatistieken en achter de opluchting openbaren zich minstens zoveel ervaringen van verlies of zelfs onrecht.

Enkele voorbeelden om concreet te maken wat ‘positief binnen budget’ in de praktijk zoal kan betekenen. Theater Aan Zee dreigt zijn ‘jong werk’ te moeten schrappen, nadat zijn sowieso al krappe budget van € 338.000 nu krimpt tot € 295.000, terwijl het € 575.000 had gevraagd. Ook De Nwe Tijd zakt van € 395.000 naar € 305.000, wat eveneens ontslagen impliceert. Het Bos kreeg een lovend preadvies voor zijn plannen, maar ontvangt nu slechts € 395.000 van de benodigde € 645.000: dezelfde gemiddelde verhouding van 60% als bij negatief beoordeelde dossiers die werden opgevist.

In ons Zoom-gesprek wilden we ruimte creëren voor concrete getuigenissen, maar ook voor een gedeelde vooruitblik

Ook STUK kreeg bij zijn hoopgevende advies (dat over de hele lijn positief las) uiteindelijk maar 2,3 miljoen van de gevraagde 3,2 miljoen toegekend: te weinig om de huidige werking door te zetten met dezelfde personeelsbezetting, laat staan om de nieuwe plannen uit te voeren. Jester, de Genkse fusie tussen CIAP en FLACC, eindigt zelfs maar op 56% van zijn gevraagde bedrag van € 780.000: zelfs met een uitgekleed team & werking zal er een tekort blijven, waardoor de hele toekomstoefening eigenlijk overgedaan moet worden. En zo zijn er wel meer ‘gelukkigen’ die nu veeleer ongelukkig eindigen. Meer geld voor de kunsten betekent dus niet automatisch beter uitgeruste kunstorganisaties. Ook dat is een belangrijke les.

In ons Zoom-gesprek wilden we niet alleen ruimte creëren voor zulke concrete getuigenissen, maar ook voor een gedeelde vooruitblik naar de komende jaren én naar de volgende ronde. Kan het commissiewerk in de toekomst eerlijker en transparanter? Kan het veld zelf meer betrokken worden bij de beoordelingsprocedure? Dit artikel vat de reflectie van 45 deelnemers in twee break-outrooms in tien lessen.

1. Het krappe startbudget trok de eindafrekening scheef

Niemand zal beweren dat het zogenaamde ‘konijn van 25 miljoen’ beter in de hoed was gebleven. Het bedrag was meer dan nodig, maar ook geen nieuw gegeven. De sector zit al jaren op z’n tandvlees en corona heeft een aantal structurele problemen van die onderfinanciering blootgelegd. De minister werd daar al heel vaak op gewezen en gaf ook zelf aan daar wat aan te willen doen.

Tegelijk nodigde zijn Visienota Kunsten van 2020 de sector expliciet uit om zich van zijn beste kant te laten zien en Jambons negen centrale ambities mee te laten doorklinken in alle nieuwe plannen voor 2023-2027. Dat de beschikbare budgetten daarvoor tekort schoten, was geen verrassing, maar de commissies hadden het ermee te doen.

De beschikbare middelen bij aanvang hebben het rapport verregaand beïnvloed, soms méér dan de merites van een dossier.

Wat volgde, was een wurgende procedure waarin de commissies de tering naar de nering zetten: hun preadviezen zegde een kwart van de huidige kunstorganisaties de wacht aan. Even werd gehoopt op extra middelen voor de Landschapscommissie om een en ander recht te trekken, maar ook deze commissie had zich te schikken naar het veel te enge keurslijf. Op nog geen drie dagen moest zij de hele oefening van de commissies verwerken en waar mogelijk bijsturen, maar zonder veel extra budget en zonder één adviesbedrag te kunnen aanpassen. 

Intussen gingen steeds meer alarmbellen af en werd in paniek de deur van het kabinet platgelopen. De verrassing was dan ook zeer groot, toen het beschikbare budget op 24 juni een onverwachte injectie kreeg en heel wat organisaties toch gered werden.

Als dat bedrag bij aanvang was vastgelegd, had het werk van de commissies (en ook hun besluiten) er helemaal anders uitgezien. Zo adviseerden sommige commissies (zoals Dans en Architectuur/Vormgeving) bewust een te laag bedrag om zoveel mogelijk spelers mee te nemen zonder het beschikbare totaalbudget te overschrijden. Maar als een organisatie zo ‘binnen budget’ scoorde, werd dat bedrag nadien niet meer gecorrigeerd door de minister.

Nochtans waarschuwde de Landschapscommissie in meerdere gevallen voor het gevaar van onderfinanciering bij deze (best geadviseerde) groep. Andere commissies hebben sommige dossiers dan weer strategisch ‘buiten budget’ gezet, waarvan een aantal uiteindelijk met een veel werkbaarder bedrag zijn geëindigd dan de organisaties ‘binnen budget’. Conclusie: de beschikbare middelen bij aanvang hebben het finale rapport verregaand beïnvloed, soms méér dan de merites van een dossier. Dat was anders geweest als het uiteindelijk budget al eerder had vastgestaan.

Deze hele gang van zaken dreigt de workload voor bijna al de werknemers in de sector eerder te vergroten dan te verkleinen. Eerder dan meer financiële ademruimte per organisatie riskeert deze uitslag bij veel spelers vooral meer burn-outs op te leveren.    

2. Met commissies achter schot en grendel blijft gelijkberechtiging een utopie

Het Kunstendecreet staat bekend als een decreet zonder schotten: het veld wordt er als één ecosysteem behandeld. Maar die logica is ook in deze ronde niet altijd doorgetrokken in de methodiek waarmee de subsidies worden verdeeld. Op zich is het logisch dat bijna 300 aanvraagdossiers over verschillende commissies verdeeld worden, maar minder logisch is dat die commissies vervolgens heel verschillende strategieën en aanpakken hanteren, en dat zonder veel overleg.

Om gelijkberechtiging te garanderen, zouden strakkere basisrichtlijnen geen overbodige luxe zijn.

De ene commissie adviseerde zoveel mogelijk spelers binnen haar budget, de andere rekende erop dat sommige zware dossiers met de stempel ‘positief buitenbudget’ nog wel opgepikt zouden worden door de minister. Weer andere commissies vroegen het kabinet om de geadviseerde bedragen toch heel graag te verhogen, omdat ze niet levensvatbaar zouden zijn. Vervolgens is daar wel niets mee gedaan, en zo komen die organisaties nu bijzonder bedrogen uit. 

Een van de commissies Multidisciplinair sprak bijvoorbeeld af dat huizen met meer dan één miljoen euro maar maximaal 25% méér subsidie konden krijgen, terwijl andere commissies dat principe niet toepasten. Ook niet elke commissie hield rekening met de indexering of interpreteerde bepaalde begrippen en criteria op dezelfde manier. Het gevolg zijn soms markante verschillen tussen het gevraagde en geadviseerde bedrag, vaak puur door de toevallige strategie in jouw commissie. Om gelijkberechtiging te garanderen, zouden strakkere basisrichtlijnen op zakelijk en inhoudelijk vlak, en een betere afstemming tussen de voorzitters van de commissies, dus zeker geen overbodige luxe zijn.

3. Het verband tussen evaluatie en eindbedrag verdient een stevige evaluatie

Sommige organisaties zien uiteindelijk geen verband meer tussen het bijna 100% enthousiaste rapport dat hun plan eerst kreeg, en het concrete eindbedrag dat er nu uiteindelijk is opgekleefd. Hoe die uitgereikte centen beter laten overeenstemmen met de feitelijke evaluaties? Dat de één een kleiner bedrag geadviseerd kreeg op basis van het beschikbare budget, en de ander zonder die financiële beperking, is niet voor herhaling vatbaar.

Een spreker in ons Zoom-gesprek stelde voor dat de commissies voortaan twee bedragen zouden adviseren voor elk plan: één binnen budget en één buiten budget. Dat zou hen toelaten om onbeschroomd te formuleren wat ze een dossier zelf waard vinden. De minister en de Landschapscommissie kunnen op hun beurt dan een correcte inschatting maken over een eventuele budgetverhoging.

4. Maak van het nieuwe mondeling examen weer een echt gesprek

Na het indienen van het dossier moeten organisaties zeven maanden wachten op witte (of zwarte) rook. Al die tijd blijven toekomstplannen en verbintenissen on hold staan, en wordt slechts één contactmoment voorzien met de beoordelingscommissie: een online hearing van een kwartier waarin je drie vragen over je werking moet beantwoorden. De commissie verschaft daarbij geen inzicht in haar feedback of in de oefening die ze moet maken.

Tegenover het schriftelijke dossier bleek het enige contactmoment maar een beperkte meerwaarde te hebben.

In ons Zoom-gesprek betreuren meerdere sprekers dat eenzijdige ‘examen’, met vaak erg willekeurige vragen. Tegenover hun lijvige schriftelijke dossier bleek dat contactmoment uiteindelijk maar een beperkte meerwaarde te hebben – een ervaring die commissieleden zelf ook delen. Zou het opnieuw invoeren van de visitaties van weleer – bezoeken aan de organisatie – niet een veel betere inkijk bieden in wat de commissies eigenlijk willen te weten komen over deze of gene werking?

5. Gebrek aan transparantie laat meer ruimte voor inconsequentie

Waarom worden voorlopige en definitieve adviezen niet online geplaatst? Waarom bevatten de preadviezen, die de indieners eind maart kregen, niet het geadviseerde bedrag? Die transparantie zou twee voordelen hebben. Indieners krijgen al een indicatie of ze zullen moeten schrappen in hun toekomstplannen. Maar ze krijgen ook een totaalbeeld van de werkwijze van elke commissie en de accenten die ze legt. Meer openheid zou ook helpen om onjuistheden of inconsequenties eerder bloot te leggen. Het zou van de verdeling van publiek geld meer een gedeelde oefening kunnen maken, waar ook meer publieke discussie over mogelijk is.

Veel informatie bleef nu verborgen in een sfeer van geheimdoenerij. De overheid communiceert uiteindelijk zelfs niet openbaar in welke organisaties ze niet (meer) investeert, of wat de verhouding is geweest tussen aangevraagde en toegekende bedragen. Zo onttrekt ze zich voor een deel aan publieke controle en draaide de verdeling van kunstsubsidies in Vlaanderen meer dan ooit op een geruchtenmolen. Levert die vertrouwelijkheid echt meer kwaliteit op? Eerder het omgekeerde lijkt waar.

6. Er ontbreekt een meer directe beroepsmogelijkheid

Zelfs als incongruenties of onjuiste lezingen sneller opgemerkt zouden kunnen worden, dan is er nog altijd geen procedure die het toestaat om ze aan te kaarten. De voorbije ronde heerste er bijvoorbeeld opnieuw veel onbegrip over de kwaliteitsverschillen in de commissiebeoordelingen. Maar wie een repliek wilde schrijven (op een erg beperkt aantal tekens en met ook strenge inhoudelijke regels), kwam bij dezelfde commissie terecht die het advies had geschreven. In het vorige decreet bestond tenminste nog de mogelijkheid van een tweede lezing door een andere commissie. Daar was nu binnen de strakke timing geen ruimte voor.

Verschillende organisaties voelen de nood aan meer verantwoording van en aansprakelijkheid voor het commissiewerk.

Eén (negatief beoordeelde) organisatie merkte op dat ze nu bij de lopende ronde voor de projectsubsidies door grotendeels dezelfde experts gequoteerd wordt als zopas bij de structurele subsidies. Vooralsnog ontbreekt een instantie die zulke grieven behandelt. Waarom zijn zulke beroepsprocedures wel mogelijk in bijvoorbeeld het onderwijs, en niet in de kunsten? Verschillende organisaties voelen de nood aan meer verantwoording van en aansprakelijkheid voor het commissiewerk. Beoordeeld worden blijft nu een erg anoniem proces, waarvan de verslagen slechts een beperkt inzicht bieden in de achterliggende argumentatie en het beslissingsproces zelf.

7. Nieuwe commissieleden verdienen het om langer warm te draaien

Commissieleden stonden de afgelopen maanden voor een zware en ondankbare opdracht, omdat hen te weinig tijd gegund was en er te weinig geld te verdelen viel. In zo’n situatie was het des te belangrijker geweest om de kwaliteit van de expertise binnen de commissies te bewaken. Maar daar ontbrak het hier en daar juist aan. Door de sterk doorgedreven selectie op basis van een vermoeden van belangenvermenging, kwamen veel specialisten niet in aanmerking. Daarom doken in de commissies ook leden op met een minder volledige expertise of inzicht in de discipline. De vraag is of dat voor een structurele ronde moet kunnen. Beter zou zijn hen eerst ervaring te laten opdoen bij het uitreiken van de projectsubsidies.

Commissieleden moeten ook de mogelijkheid krijgen om de artistieke praktijk naast de papieren plannen te leren kennen, door frequent bezoek aan de artistieke activiteiten die uiteindelijk beoordeeld moeten worden. Een nieuw structureel dossier beoordelen is immers ook altijd een evaluatie maken van de voorbije periode. Nochtans stelt één (negatief beoordeelde) organisatie dat geen van de betrokken commissieleden de afgelopen vijf jaar iets van het gerealiseerde werk gezien heeft. Misschien zou dat in een preadvies geëxpliciteerd kunnen worden, wat de betrokken commissieleden reëel hebben gezien?

Deze les sluit overigens niet uit dat commissieleden echt een pluim verdienen voor al hun energie en betrokkenheid in deze vrijwel onmogelijke opdracht, tijdens een cultureel jaar dat voor iedereen eigenlijk al veel te druk was zónder alle subsidieperikelen. 

8. Sommige toegekende bedragen hollen het begrip ‘werkingsmiddelen’ uit

Wat als je wel een structurele subsidie krijgt, maar die slechts 20 procent van het gevraagde bedrag bedraagt? Minstens één kleine organisatie, Doek vzw, moet het de komende jaren met 60.000 euro werkingsmiddelen stellen. Een bedrag dat louter volstaat om één medewerker te betalen, niet om een volwaardige werking op te bouwen of veel andere inkomsten te genereren.

Moet er in de toekomst geen minimumbedrag vastgelegd worden voor structurele subsidies?

Toch kan Doek als structureel erkende speler voortaan geen projectsubsidie meer aanvragen. Daarom overweegt de organisatie zelfs om haar verkregen bedrag terug te geven: een projectsubsidie kan immers makkelijk hoger uitvallen dan 60.000 euro. Door de extra injectie van Jan Jambon is de projectenpot (dankzij een vast percentage) ook aangegroeid tot 15 miljoen.

Die ontwikkeling noopt tot reflectie. Moet er in de toekomst geen minimumbedrag vastgelegd worden voor structurele subsidies? Moeten we kleine wel naast grote organisaties leggen? Je zou dossiers ook in categorieën kunnen indelen op basis van de gewenste grootte, zodat commissies geen appels met peren vergelijken – maar die optie is misschien vooral zinvol voor ‘dichtbevolkte’ disciplines als theater en klassieke muziek.

9. Praten met ‘de politiek’ moet meer continu en meer collectief

De toegenomen middelen voor het kunstenveld doen vermoeden dat de kunstensector meer dan vroeger voet aan wal heeft gekregen in politieke middens. Maar de manier waarop het konijn uit de hoed kwam, legt ook een gebrekkig bewustzijn bloot over het functioneren van de dialoog tussen het veld en de politiek. En over het functioneren van de dialoog tussen de betrokken organisaties die samen het veelbesproken ecosysteem uitmaken. Want niet alle organisaties hebben een even directe lijn met het kabinet,  terwijl dat gesprek nu bijna een onderdeel lijkt van de procedure, door het opzet van het decreet en de toepassing ervan.

Meerdere stemmen pleiten voor een meer collectieve dialoog, anders dan de individuele ‘winkeliers-mentaliteit’.

Hoe garanderen we hun plaats aan tafel als het erop aankomt? Moet de sector het gesprek met zichzelf en met de politiek anders vormgeven? In ons Zoom-gesprek pleitten meerdere stemmen voor een meer transparante én een meer collectieve dialoog, anders dan de individuele ‘winkeliersmentaliteit’ die nu nog te vaak overheerst. Zo’n gesprek vindt idealiter doorlopend plaats, en dus niet enkel aan de meet, als de resultaten zwart op wit staan. Een werkpunt voor de sector zelf, maar ook voor het beleid.

10. Zorg voor nazorg blijkt een hoge zorg

Dat de prijzen aan de meet ongelijk verdeeld zijn, lijdt geen twijfel. De ene kan nu hoopvol vooruitblikken, terwijl de ander zijn wonden likt, zijn plannen dringend moet herzien en zelfs een (deel van het) personeel moet ontslaan. Sommige sprekers gaven aan zich na de finale beslissing aan hun lot overgelaten te voelen.

Hoe houden zij, zonder of met minimale subsidies, hun organisatie in leven? Kan de sector nazorg of begeleiding voorzien? De hete aardappel van het uitstroombeleid is opnieuw niet aangeraakt. Nochtans had een deel van de 25 miljoen ook daarvoor kunnen worden ingezet. Een solidaire sector is het aan zichzelf verplicht die zorg nu eindelijk serieus op de agenda te zetten. Daarvoor is het nog niet te laat.

Alle finale beslissingen en extra documenten rond deze subsidieronde vind je hier, zoals de beschikbare bedragen en de landschapstekeningen van elke commissie.

State of the Arts, Etcetera en rekto:verso danken iedereen die, via het zoom-gesprek of een andere weg, een bijdrage leverde aan dit artikel.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

beleid
Leestijd 10 — 13 minuten

#168

15.05.2022

14.09.2022

de redacties van rekto:verso en Etcetera, State of the Arts

State of the Arts is een open kunstenaarsplatform dat de structuren van de kunstwereld vandaag opnieuw wil verbeelden, met focus op ‘fair practice’.

www.state-of-the-arts.net

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!