Sébastien Hendrickx

Leestijd 5 — 8 minuten

Theater in Antwerpen: een speculatief Toneelhuis in tien punten

Een niet becijferde voorzet, bedacht vanuit een onvermijdelijk gelimiteerd perspectief en bedoeld om aangevuld, omgebogen of tegengesproken te worden. De erin vernoemden werden niet geconsulteerd; het is dus goed mogelijk dat dit Toneelhuis niet strookt met hun reële wensen en ambities.

1. 2030

The world’s leading climate scientists have warned there is only a dozen years for global warming to be kept to a maximum of 1.5C, beyond which even half a degree will significantly worsen the risks of drought, floods, extreme heat and poverty for hundreds of millions of people. (The Guardian, 8 okt 2018)

2. Rojava

In het Koerdische Rojava-gebied staan op elk bestuurlijk niveau telkens een man en een vrouw aan het hoofd. Het verschil en het samenspel tussen twee perspectieven is net wat onze perceptie diepte geeft. Met Guy Gypens en Gloria Wekker beschikt dit Toneelhuis over een leidersduo dat kan wegen op het maatschappelijke debat. Als zakelijk leidster: Klaartje Heiremans.

3. Drie ruimtes van de kunsten

Kunst dwong voor zichzelf een interessant eiland af, maar in mijn ogen is dat maar een van haar drie ruimtes. Naast de laboratoriumfunctie is er ook een politiek-publieke en een ‘leer-ruimte’. Elke ruimte beantwoordt aan een functie: kunst is onderzoekend, antagonistisch (ze genereert publiek debat) en emancipatorisch. Ons cultuurbeleid pleegt altijd een of twee van die functies te benadrukken, maar nooit alle drie tegelijk. En als je over de waarde van cultuur in de samenleving spreekt, is het essentieel om een poot te hebben in elk van die drie ruimtes. Zeker in een grootstedelijke context, waar de crisis van de ontzuilde civiele maatschappij zich het sterkst laat voelen. (Guy Gypens, rekto:verso, jan-feb 2011)

4. Repertoire zonder repertoiresysteem

Vlaanderen is Duitsland niet. Hier leeft geen klassieke repertoirecultuur. Een Vlaams stadstheater heeft dan ook geen nood aan vaste huisdramaturgen, noch aan een vast acteursensemble (dat eigenlijk dag in dag uit repertoirestukken zou moeten spelen voor een trouw en geïnformeerd publiek). Podiumkunstenaars brengen steeds hun eigen spelers en productiedramaturgen mee – de meest duurzame artistieke verbanden in ons veld situeren zich op dat niveau. De nodige aandacht voor een spannende historische dramaturgie en een cultureel verscheiden aanbod(*) komt voort uit de samenstelling van de artistieke huisploeg. Zie verderop.

“Vlaanderen is Duitsland niet. Hier leeft geen klassieke repertoirecultuur.”

5. ’t Stad is van Iedereen

Stadstheaters hebben iets weg van de nationale tentoonstellingspaviljoenen op de Biënnale van Venetië: het zijn onmogelijke anachronismen die – als men ze neemt voor wat ze zijn – razend interessante vraagstukken kunnen opwerpen, die onze blik op verleden en toekomst kunnen herijken. Het belangrijkste vraagstuk waar het in oorsprong witte, burgerlijke stadstheater zich vandaag voortdurend aan stoot, is dat van de representativiteit. Op 25 februari 2019 kopten alle Vlaamse kranten: in Antwerpen wonen nu meer mensen met een migratieachtergrond dan zonder.

6. Open ensemble

Myriam Van Imschoot formuleerde ooit de idee van de collectieve dramaturgie: dramaturgie kan, maar hoeft geen taak te zijn van één persoon (de dramaturg). Vaker is het een zorgvuldig vormgegeven collectief gesprek tussen iedereen die meewerkt aan een voorstelling. Idem dito voor Toneelhuisdramaturgie. Een open ensemble is een door de jaren heen geleidelijk aan vervellende artistieke kernploeg: duurzamer dan een projectmatige verzameling gastregisseurs, vluchtiger dan een reeks meerjarige full-time contracten.

“Toneelhuis kan, ondanks de schaal, een ‘teder instituut’ zijn.”

De relatie tussen huis en makers is wederkerig: met productionele mogelijkheden gaat de verantwoordelijkheid gepaard om de institutionele context mee vorm te geven. Beiden leggen gedurende een bepaalde tijd samen een weg af. Toneelhuis kan op die manier, ondanks de schaal, een teder instituut zijn – om een term van Elke Van Campenhout in herinnering te roepen. De startleden, naast Guy Gypens en Gloria Wekker, en in willekeurige volgorde: Tibaldus, Sarah Moeremans+Joachim Robbrecht, Hannah De Meyer, Radouan Mriziga, Adinda Vanderzande, BOG., Bosse Provoost, Roland Gunst, Discordia.

7. I Love Fridays

Nieuwe cross-overs tussen muziek, poëzie, spoken word en dans (al dan niet met wortels in de Black Atlantic of de Black Mediterranean) zijn een artistieke goudader. Ze laten zich niet zomaar inschrijven in de cultureel dominante geschiedenissen en formats van het theater (de voorstelling met een herhaalbare spanningsboog van om en bij het uur, om het belangrijkste format aan te halen) en dat hoeft ook helemaal niet.

Een substantieel deel van het budget en de programmatijd wordt gereserveerd voor avonden gecureerd door Adinda Vanderzande, die plaatsvinden in scenografische proposities van Decoratelier/Jozef Wouters. Met een bijzondere aandacht voor Grote Namen, historische voorlopers van de cross-over podiumkunstenaars van vandaag. Cfr. de memorabale avond op 3 dec 2011, waarop Amiri Baraka (R.I.P.) en Saul Williams samen het podium deelden in het Kaaitheater.

8. Hoog bezoek

Jaarlijks een gastregie van een podiumkunstenaar met internationale weerklank, zoals Michael Disanka, Suzanne Kennedy of Saul Williams, gebaseerd op een lokaal-stedelijk vooronderzoek.

9. Debathuis

Als het kloppende cultuurpolitieke hart van de stad neemt Toneelhuis een actieve rol op in verschillende (in meer of mindere mate in Antwerpen verankerde) publieke debatten. Niet alle hete maatschappelijke hangijzers moeten binnen voorstellingen worden behandeld. Regelmatige debatten, of andere zorgvuldig gecomponeerde gespreksformats (al dan niet geïnspireerd door het werk van Hannah Hurtzig), kort op de bal ingepland en gecureerd door het open ensemble.

“Een grote zaal is een grote zaal.”

10. Subsidiariteitsprincipe

Toneelhuis is deel van een dicht stedelijk en regionaal netwerk van institutionele spelers. Allen hebben baat bij een goeie taakverdeling: een stadstheater is geen sociaal-artistieke organisatie, noch een internationaal kunstencentrum of een kunstenwerkplaats. En een grote zaal is een grote zaal.

 

_________________________________________________________

 

(*) Aanvankelijk stond hier het woord ‘repertoire’, maar ‘aanbod’ is een inclusiever begrip. Is repertoiretoneel in oorsprong immers geen westerse traditie? Mokhallad Rasem kreeg op de theaterschool in Bagdad Shakespeare op zijn bord, net als Ogutu Muraya in Nairobi. Jaha Koo bereidt op dit ogenblik een voorstelling voor rond de geschiedenis van het ‘westers-Koreaanse theater’, die iets meer dan een eeuw oud is. Daarvoor bestonden er in Korea wel podiumpraktijken, maar geen ervan leek op repertoiretoneel.

Uiteraard was de verspreiding van de westerse theatertraditie een door en door koloniaal fenomeen – net als de wereldwijde proliferatie van de opera trouwens. (Iets ‘Chinese opera’ noemen is op zich al een koloniaal gebaar.) Een essentieel boekje over de worsteling met de koloniale literatuur- en theatertradities vanuit het perspectief van een gekoloniseerd subject is Ngũgĩ wa Thiong’o’s Decolonizing the mind (1986).

Wat kunnen we nu met deze vaststelling aanvangen? Uiteraard impliceert zij niet dat de westerse repertoiretraditie niet kan worden geapproprieerd, door gelijk wie waar dan ook ter wereld naar zijn/haar hand gezet, bekritiseerd omwille van het racisme en seksisme dat eruit spreekt, herschreven, voortdurend verder aangevuld met nieuwe stukken, etc. (Wie wat mag appropriëren en wie wat niet, heeft veel met historisch bepaalde machtsverhoudingen te maken, en het verzet ertegen; een witte westerling beschikt volgens die logica over een stuk minder culturele uitwisselingsvrijheid.)

Deze vaststelling rond de westerse repertoiretraditie betekent ook niet dat er geen honderden andere waardevolle podiumtradities bestaan en bestonden (waarvan vele werden verdrukt of compleet weggevaagd door de koloniale overheerser). Neem bijvoorbeeld de orale literatuur, die van generatie op generatie werd doorgegeven: doordat men haar zelden neerschreef, bleef ze in voortdurende staat van verandering. Het ‘her-‘ van het ‘herop-voeren’ manifesteerde zich bij de orature op een fundamenteel andere manier.

Uit het bovenstaande vloeit ook nog voort dat de westerse repertoiretraditie natuurlijk niet universeel is, of althans niet a priori universeler dan pakweg de spirituele poëzie van de islamitische soefi-cultuur. Hoewel we de koloniale verspreiding van die traditie niet zomaar kunnen terugdraaien, lijkt het gezond om haar te ‘provincialiseren’, te situeren, haar tot haar werkelijke proporties terug te brengen. Dat maakt het repertoiretoneel niet minder waardevol, maar ook niet waardevoller dan wat er verder nog bestaat.

De verbreding van de canon (wat cultureel gezien als maatgevend wordt beschouwd door een gemeenschap, of correcter: door een culturele elite) draait bijgevolg om iets breder dan alleen maar de verbreding van het tekstrepertoire. Het gaat om de verbreding van het ‘wij’ van die gemeenschap (of culturele elite), en daarmee ook om een groeiende aandacht voor niet-westerse podiumtradities. (Wie weet wordt het na verloop van tijd zelfs wel moeilijk om het Toneelhuis nog een toneel-huis te noemen.)

Dat Vlaanderen geen repertoiresysteem heeft, lijkt het vanuit dit perspectief ook extra troeven te geven in vergelijking met de omringende buitenlanden. Het zou (in principe) net iets gemakkelijker moeten openstaan voor die andere tradities.

 

Deze vijfdelige reeks is een samenwerking met rekto:verso.

Lees ook de bijdragen van Barbara Van Lindt, Louis Janssens, Abbie Boutkabout en Michiel Vandevelde.

opinie
Leestijd 5 — 8 minuten

#156

15.03.2019

14.05.2019

Sébastien Hendrickx

Sébastien Hendrickx is lid van de kleine redactie van Etcetera, doceert in het KASK en werkt daarnaast als schrijver en dramaturg.
 

opinie