#BOS7, compagnie DeSnor © Wannes Cré

Louis Janssens

Leestijd 7 — 10 minuten

Theater in Antwerpen: tijd voor een nieuwe verbeelding

In het Antwerpse podiumveld doet zich een momentum voor: meerdere huizen wisselen van directie. Daarom vroegen Etcetera en rekto:verso vijf uiteenlopende stemmen naar wat zij het Antwerpen van morgen wensen. Louis Janssens schetst – naar Calvino – zijn gedroomde stad, waar weer zichtbaar wordt wat te lang onzichtbaar bleef. Voorbij de nostalgie van het centrum.

Antwerpen is de stad waar mijn fascinatie voor het theater geboren is, waar ik naar theater heb leren kijken. Daarom vind ik het belangrijk om deze tekst te schrijven, al voel ik ook veel twijfels en angsten: ik heb geen zin in de verwijten en de mogelijke bagger na het schrijven van deze tekst. We zijn in deze sector zo graag kritisch voor elkaar.

Maar tegelijk voel ik ook de drang om me uit te spreken; omdat ik het gevoel heb dat er iets op het spel staat. Daarom ga ik een oprechte poging doen om een paar voorstellen te formuleren. Ik voel me verantwoordelijk voor mijn vrienden en tijdgenoten, met wie ik hierover veel gesprekken voer en die zich ook soms verloren voelen.

Mijn eerste oproep richt zich dan ook aan alle jonge Antwerpse theatermakers, spelers, dramaturgen, technici, dansers en schrijvers (of iedereen die zich hier wil vestigen): laten we ons weer bemoeien met het theater in Antwerpen! We moeten weer mee vormgeven wat er in deze stad gebeurt.

“We hebben te lang gedacht dat er iets bestond als ‘de sector’, en daarnaast wij.”

We hebben te lang gedacht dat er iets bestond als ‘de sector’, en daarnaast wij. Maar we maken er deel van uit, dus kunnen we het ook veranderen. Wij moeten in raden van bestuur gaan zetelen, moeten op vergaderingen aanwezig zijn, moeten onze festivals zelf organiseren. We moeten deze stad weer claimen.

Meer stemmen, meer kleuren

In zijn boek De onzichtbare steden verbeeldt de Italiaanse schrijver Italo Calvino verschillende steden, als een reisverhaal langs architectuur, beschaving en mogelijkheden. Hij doet wat kunst behelst: verbeelden wat er kan, niet wat er al is.

In mijn onzichtbare stad aan de Schelde floreert het theater. De mensen bezoeken in groten getale de theaters omdat er elke avond iets te beleven valt: alle huizen laten hun producties lange reeksen van tien voorstellingen spelen.

In het begin levert dat verlies op, omdat er niet genoeg publiek is. Maar na een tijd is het publiek dolenthousiast en gaat het op maandag, woensdag, zaterdag én zondag naar het theater. Reizigers van over de hele wereld zouden – net zoals voor de mode of de schilderkunst – speciaal naar Antwerpen afreizen om voorstellingen te zien.

In mijn onzichtbare stad staan er meer vrouwen aan de top. Momenteel werken er in de grote huizen en kleinere organisaties geweldige vrouwen, maar lijkt het maar niet te lukken hen tot artistiek leider of directeur te benoemen, alle koningsdrama’s ten spijt. (Behalve in het jeugdtheater dan: oh cliché!)

Zowel op scène als in de personeelsbestanden is er nood aan nieuwe stemmen. Er is nood aan kleuren, aan een einde van de heteronormativiteit. Antwerpen zou daarin zo progressief kunnen zijn, en zelfs een voortrekkersrol kunnen spelen. Aan alle artistiek leiders, aan alle voorzitters, aan iedereen in de raden van bestuur en aan alle mannen: Doe iets! Make it happen!

Alles wat slamt, queert, swingt, roept, toont en bevraagt maakt in de theaters van mijn onzichtbare stad een volwaardig deel uit van de programmatie: geen aparte pagina in de seizoensbrochure, geen eigen label. Wat vandaag als ‘anders’ of ‘divers’ wordt geframed, krijgt een volwaardige plaats in het midden van het programma.

De nostalgie van het centrum zal plaats moeten maken voor een hedendaagse realiteit. Er komt ook een drag-collectief dat door alle theaters uit de stad ondersteund wordt en dat overal kan repeteren en presenteren.

“Antwerpen zou zo progressief kunnen zijn, en zelfs een voortrekkersrol kunnen spelen.”

In de onzichtbare stad speelt er geen voorstelling meer waarin het hele artistiek team uit witte mensen bestaat. De theaters spreken af dat de hele ploeg rond een voorstelling uit minstens 50% vrouwen, holebi’s, trans-personen en gekleurde mensen moet bestaan. Je kan er niet langer met twaalf witte toneelspelers op een scène gaan staan, zonder je daarvoor terdege te verantwoorden.

Deze afspraak zou je kunnen zien als een versmalling van je artistieke vrijheid, of net als een uitnodiging om je artistieke praktijk actief te gaan bevragen en te verdiepen. Ik zou willen uitleggen dat dit geen aanval of bedreiging hoeft te zijn. Het is net een aanvulling: een verdieping van wat theater allemaal kan zijn. Omdat het nieuwe mogelijkheden schept, nieuwe kennis. Omdat het ons, mezelf incluis, verplicht om elke stap heel consequent te zetten en blijvend te evalueren.

Voorbij de nostalgie

In mijn onzichtbare stad wordt de term ‘Antwerpse Kleppers’ afgeschaft en vervangen door een term die meer mogelijk maakt dan vastzet. Ooit, in een ver verleden, was Antwerpen dé theaterstad. Die gouden en revolutionaire tijd hadden we te danken aan de twee theaterscholen die Antwerpen rijk was: het Herman Teirlinck Instituut en Toneel Dora van der Groen. Daar kwamen alle groten van het theater lesgeven en bijna iedereen die we vandaag op theater zien heeft er school gelopen.

“In Antwerpen overheerst een constante nostalgie naar de jaren 1980 en 1990.”

In mijn onzichtbare stad is er een toneelschool die verscheiden theatermakers opleidt. De school houdt niet langer vast aan een nostalgisch idee over kunstenaarschap en zorgt dat er kritische, zelfstandige en geëmancipeerde kunstenaars afstuderen.

Hoewel er vandaag zoveel meer verschillende organisaties en makers zijn, toch overheerst in Antwerpen een constante nostalgie naar de jaren 1980 en 1990 . Het is een nostalgie naar houten vloeren en tweedehands meubels, tekst in de hand. Een nostalgie naar een tijd ‘waarin je zonder vragen nog alles en iedereen kon spelen’. Een nostalgie naar tapdansles op ‘Studio’. Een Blauwe Maandag nostalgie. Een nostalgie naar De Pallieter en De Duifkens zelfs.

Café De Duifkens © Wouter Van Vaerenbergh

Een nostalgie naar repertoire, naar ambacht. Een nostalgie naar het Antwerpse accent. Een nostalgie naar de schouwburg en het ensemble. Het is een nostalgie die niet werelds is, maar klein. Burgerlijk. Een nostalgie die naar zichzelf kijkt, roerend in haar eigen verleden, niet naar buiten.

We moeten ons afvragen hoe we met die geschiedenis omgaan, hoe we ons bevrijden van die nostalgie die tot stilstand leidt. We moeten ophouden met nieuwe theatermakers met deze geschiedenis te belasten  en hun tonen hoeveel verschillende methodes er zijn om tot theater te komen. We moeten ruimte voorzien waar het Antwerpse theater zich opnieuw kan ontwikkelen, waar zuurstof is.

Antwerpen heeft nood aan nieuwe vormen en structuren: aan verscheidene manieren van performen, aan andere productiemethodes, aan nieuwe samenwerkingsverbanden en een fundamenteler en eerlijker debat over het werk. Volgens mij heeft Antwerpen meer nood aan dans, performance en abstractie.

Continue uitwisseling

In mijn onzichtbare stad – en dat is in dit geval niet alleen Antwerpen – zou alle achterkamerpolitiek verdwenen zijn: geen schijnheiligheid (meer). Alle beleidsmatige beslissingen die de theaters in de stad nemen zijn collectief én publiek. De raad van bestuur kan er niet zomaar stiekem iets beslissen, er is een constante uitwisseling van meningen en overtuigingen.

De persoonlijke belangen worden er aan de kant geschoven, er is geen strijd voor de belangrijkste functie of het hoogste loon. In mijn onzichtbare stad heerst een constant, democratisch en vurig debat over het (on)belang van het theater voor de stad en haar burgers.

“Alle gezelschappen, kunstenaars en spelers kunnen in een gedeelde opslagruimte spullen komen uitlenen.”

In mijn onzichtbare stad is je theaterticket goedkoper wanneer je met de fiets, de step of te voet komt en biedt je theaterticket ook toegang tot het openbaar vervoer. Om de afvalberg en de kosten te beperken is er een gedeelde opslagruimte waarin de theaters van de stad hun oude decors, kostuums en rekwisieten onderbrengen. Alle gezelschappen, kunstenaars en spelers kunnen er spullen uitlenen of in het atelier komen werken, waar je met tweedehands decors nieuwe scenografieën kan bouwen.

In mijn onzichtbare stad zorgen zowel de kleine als grote organisaties er samen voor dat er nieuwe internationale namen in Antwerpen kunnen spelen naast de reeds gekende Kleppers. Ze zorgen ervoor dat internationale gezelschappen niet enkel voor een speelreeks in Brussel naar België vliegen, maar in verschillende Europese steden kunnen spelen.

Opera Antwerp © OperaBallet Vlaanderen

In mijn onzichtbare stad werken de jeugdtheaterhuizen en -gezelschappen intensief samen om kwalitatieve, abstracte en complexe voorstellingen te produceren en te presenteren aan kinderen en jongeren. Ze vragen alle soorten kunstenaars om voorstellingen, installaties of choreografieën te maken. Er is geen betuttelend kinderachtig educatief toneel te zien en geen kerstshow.

Solidair met de marge

In mijn onzichtbare stad neemt de Opera actief deel aan de debatten die de kunstensector bezighouden: het is geen elitair paleis, maar een open plek waar je ook in jeansbroek kan komen kijken en luisteren. Daarnaast werken er veel theatermakers en choreografen die voordien nog nooit een opera hebben gemaakt. Ballet en opera werken samen om zich zichtbaar te maken in de onzichtbare stad, om er deel van te zijn.

In mijn onzichtbare stad hebben we Rataplan in Antwerpen kunnen behouden. Omdat er middelen zijn weggevallen, is het daar nu moeilijk overleven. Rataplan zou een interessant huis kunnen zijn voor onderzoek en ontwikkeling van verschillende makers, en zou in Borgerhout ook een sociale rol kunnen opnemen.

Met Femke Vanpoucke als coördinator wil Rataplan zich weer organiseren en zijn positie verstevigen. Er is nood aan verandering daar, maar daarvoor zijn middelen nodig. Op hun website kan je donateur worden door een zelfgekozen bedrag te storten. Het lijkt mij een collectieve en solidaire daad tegen cynisme om deze plek te steunen en zo haar bestaan te bestendigen.

“Hoopvol en inspirerend zijn initiatieven die zich in de marge afspelen: kleine festivals, werkplaatsen, collectieven…”

Net zoals de Antwerpse verkiezingen vaak voorspellen wat er later op het Vlaamse niveau gebeurt, is die wisselwerking er ook in de kunsten. De heersende debatten leven niet enkel in Antwerpen, maar in de hele kunstensector en vice versa. Net daarom zouden we in Antwerpen deze voorbeeldfunctie kunnen opnemen: een inspiratie zijn voor andere steden, gemeenten en sectoren.

Rataplan © Visit Antwerpen

Hoopvol en inspirerend zijn initiatieven die zich reeds in de marge afspelen: kleine festivals, werkplaatsen, collectieven… die zoeken naar andere manieren van samenwerken en cureren, een gedeeld auteursschap nastreven of nieuwe ruimtes en instellingen scheppen. Het nostalgische centrum zou zich door deze werkingen kunnen laten inspireren, zonder hen te claimen, op te voeden of onschadelijk te maken.

Voorbij de verschillen

Aanvankelijk werd mij gevraagd om deze tekst samen met acteur en theatermaker Willem de Wolf te schrijven. Willem had het uiteindelijk te druk, maar toch wil ik graag met hem afsluiten. Omdat hij als lid van een oudere generatie (of hij dat nu wil of niet) een unieke interesse toont in het werk van anderen, en in het bijzonder van jongere  kunstenaars. Hij voelt zich nooit bedreigd, maar is eeuwig nieuwsgierig naar ‘dat wat anderen bezighoudt’: vanuit het idee dat wij iets van hem kunnen leren, maar hij ook van ons.

“We maken allemaal samen deel uit van het landschap en zullen het dus met elkaar moeten uitzoeken.”

Onlangs hoorde ik Willem tijdens een debat in deSingel zeggen: ‘Ik ben meer bij jullie, dan dat ik bij hen (de tachtigers en negentigers) ben.’ Die zin raakte me zo diep, omdat hij daarmee alle verschillen ophief. Hij toonde aan dat we allemaal samen deel uitmaken van het landschap, en het dus met elkaar zullen moeten uitzoeken. De wereld is er al één vol van geweld, verschil en polarisatie: aan de kunsten om samen te werken.

Wat Willem volgens mij bedoelde, is dat we het samen moeten doen: het cynisme en de behoudsgezindheid overwinnen. Ik voel me vaak machteloos, verloren in de mogelijkheden en de teleurstelling dat de spelregels van de economie die samenwerking niet mogelijk maken. En wat met de politiek? Hoe zorgen we ervoor dat de sector zich los kan maken uit die enge neoliberale greep?

Je kan je zoveel steden verbeelden als je wil, maar hoe laat je iets bewegen? Antwerpen zou een voorlopig nog onzichtbare maar vernieuwende, progressieve en inclusieve theatersector kunnen verbeelden.

Mijn onzichtbare stad probeert zichtbaar te maken wat te lang onzichtbaar was.

 

Met veel dank aan: Simon Baetens, Willem de Wolf, Peter Seynaeve, Leonore Spee, Elke Huybrechts, Elsemieke Scholte & Ferre Marnef.

 

Deze vijfdelige reeks is een samenwerking met rekto:verso.

Lees ook de bijdragen van Barbara Van Lindt, Abbie Boutkabout, Michiel Vandevelde en Sébastien Hendrickx.

 

opinie
Leestijd 7 — 10 minuten

#156

15.03.2019

14.05.2019

Louis Janssens

Louis Janssens studeerde Drama aan het KASK in Gent. Samen met Ferre Marnef vormt hij compagnie DeSnor. 

opinie