Voorstelling waarin hopelijk niets gebeurt, Jetse Batelaan © Joep Lennarts

Leestijd 14 — 17 minuten

‘Ik ben allergisch voor kunst die uit de hoogte doet’

In Jetse Batelaan, misschien wel de spannendste theaterregisseur van de Lage Landen, zitten twéé regisseurs verscholen. Eentje is een priester die de beroezende lyriek van de fictie predikt, de andere ramt daar, als nar, een hoop ‘realiteitsdrammerij’ doorheen. Evelyne Coussens vraagt hem uit over het hoe en waarom van dat ongewone verbond.

Jetse Batelaan is geen vlotte prater, en dat is een compliment. Voor een intussen internationaal bekroonde regisseur (in 2019 de Zilveren Leeuw in Venetië, in 2020 de International Theatre Institute Award) beschikt hij over weinig voorgekauwde praatjes, heeft hij geen verhaal klaar over zichzelf of zijn oeuvre. Al sprekend cirkelt hij rond mogelijke antwoorden op de vragen, zonder die ooit echt in te vullen — of ze in voorliggend geval onmiddellijk weer tegen te spreken. Zijn discours spoort met de manier waarop hij voorstellingen maakt: nooit recht op het doel af, altijd in de omtrekkende beweging, juist opdat de essentie des te pijnlijker bloot zou komen te liggen. Een essentie die je zou kunnen samenvatten als: het leven is verwarrend, het is veel dingen tegelijk.

Batelaans voorstellingen — sinds 2013 in hoofdzaak bij Theater Artemis in ’s Hertogenbosch — zijn ongrijpbaar doordat ze zich onttrekken aan de codes van ‘klassiek’ theater. Er is zelden een centraal drama, laat staan een coherente actie naar een climax of een herkenbare personagevorming toe. Voorstelling waarin hopelijk niets gebeurt (2006) confronteert de extreem op actie gerichte achtplussers met verveling. De dag dat de papegaai zelf iets wilde zeggen (2014, 14+) is een plotloze performance waarin de personages niets anders doen dan elkaar napraten. Het eind van het begin van het einde (2020, 8+) laat de tijd teruglopen, de toekomst in. Een leuk avondje uit (2022, 8+) is een liefdevolle ode aan de intense emotie van de musical. En in de recentste voorstelling De (voorstelling die moet overleven met het allerlaatste dat nog over is) (2024, 8+) dringen verlopen acteurs de schouwburg binnen om er speelruimte op te eisen. Steeds opnieuw zorgt een ‘showelement’ ervoor dat Batelaan de aandacht van het publiek weet te grijpen — om het daarna zachtjes mee te tronen naar datgene waarover hij het écht wil hebben.

Hoe werkt dat ‘showelement’ precies voor jou, Jetse?

Jetse Batelaan: ‘Je moet dat niet te letterlijk nemen, het gaat niet altijd om een fysieke “show”, zoals in Een leuk avondje uit. De essentie is dat ik iets zoek wat de aandacht van het publiek legitimeert, waardoor het — bij voorbaat al — waar voor z’n geld krijgt. Dat “iets” kan een liedje zijn of een show, maar evengoed een klassieke vertelstructuur zoals in De, of een interactieve geste zoals in De dag dat de papegaai zelf iets wilde zeggen, waarbij de pubers in de zaal buzzertjes krijgen. De vraag “gaan ze hiernaar blijven kijken, en waarom?” vind ik spannend. Er zit diep in mij iets anti-elitairs. Ik vind het niet vanzelfsprekend dat wij als kunstenaars aandacht opeisen en die ook krijgen — zeker met kinderen en pubers vind ik dat een behoorlijke transactie, in een situatie die intrinsiek ongelijk is: zij in de zaal, wij op het podium. Het “showelement” is erop gericht te levelen, erkenning te geven voor het offer dat zij brengen. Tegelijkertijd is dat ‘amusement’ wankel, want meestal wordt het terzelfdertijd onderuitgehaald: de show is bijzaak, het klassieke verhaal verbrokkelt. Toch vind ik dat eerste gebaar van wederkerigheid belangrijk.’

Een leuk avondje uit, Jetse Batelaan © Kurt van der Elst

Het is een nederige insteek voor een kunstenaar.

Batelaan: ‘Ik was al heel vroeg, en ben nog steeds, allergisch voor kunst die uit de hoogte doet — alweer zo’n paradox, aangezien ik zelf inmiddels natuurlijk tot de kunstelite behoor, of dat misschien altijd al deed. Terwijl ik sta te roepen dat ik anti-elitair ben, probeer ik het publiek ertoe te verleiden om veel verder te reiken dan het zelf mogelijk achtte. De gedachte dat ik mensen zou kunnen optillen tot iets hogers, ruikt natuurlijk wel naar een verheffingsideaal.’

“Ik was al heel vroeg, en ben nog steeds, allergisch voor kunst die uit de hoogte doet — alweer zo’n paradox, aangezien ik zelf inmiddels natuurlijk tot de kunstelite behoor.”

Batelaans noodzaak tot levelen verklaart in ieder geval een van zijn belangrijkste artistieke strategieën, met name het omkeren van hoofd- en bijzaak — of toch datgene wat wij in de kunstenwereld zo noemen. In het reguliere kunstendiscours is het drama hoofdzaak, het publiek bijzaak, maar niet zo in Batelaans voorstellingen. Ook op het niveau van de vertelling doet de omkering zich voor. In Een leuk avondje uit zien we maar halvelings de show, terwijl Batelaan focust op wat er zich in de coulissen van de musical aan ‘klein drama’ afspeelt. In Dans is lekker ritmisch bewegen op muziek (2021, 12+) zien we de hele voorstelling lang ouders in de kou wachten op hun dansende pubers, terwijl het feestje zich elders afspeelt. Amusement is volgens een van de definities van Van Dale dan ook gewoon ‘tijdkorting’: datgene waarmee we ons bezig houden in afwachting van the real thing.

Het ‘drama’, de ‘show’ of het ‘feestje’ zijn in jouw voorstellingen nooit het belangrijkste. Maar wat dan wel?

Batelaan: ‘De realiteit. Dat bewustzijn over de realiteit zoek ik op door te spelen met de enige reële elementen die ik in een theaterzaal tot mijn beschikking heb: het tijdelijke, fysieke samenzijn van een publiek in de ruimte waar het zich bevindt. Daarom zijn mijn voorstellingen in hun oervorm ook “halffabricaten”: zolang het publiek er niet is zijn ze onvolledig, ze worden pas compleet in de interactie met het publiek. Om die reden hou ik ook specifiek van dat jonge publiek, omdat hun realiteit bij uitstek expressief is, onmogelijk te vergeten.’

Nar of priester? De dubbelheid tussen ‘geven’ (het beroezen) en ‘nemen’ (het wakker schudden) is iets dat je hele oeuvre doordrenkt.

Batelaan: ‘Ja, dat is een tweespalt die ik al heel lang ken. In mijn allereerste jaar aan de toneelschool had ik voor mezelf uitgemaakt dat er “mooi” en “lelijk” theater bestond, en dat ik vooral lelijk theater wilde maken. Een docent gaf me het boek over de archetypes van de priester en de nar. Ik voelde enthousiasme voor de waarheid van de nar, die alles in vraag stelt, en verzet tegen de ijdelheid van de priester. Op de regieopleiding in Amsterdam heb ik lang vastgezeten omdat ik alleen wist wat ik niet wilde: de ivoren toren van de ernstige kunst, het dramatische conflict, het discours van de priester. Terwijl ik stiekem moest toegeven dat ik dat “mooie”, die lyrische kant, die te maken heeft met de overgave aan emoties, ook nodig had. Ik heb me lang verschanst in mijn narrenrol, terwijl die priester er natuurlijk ook was.’

De musicalfilm Dancer in the Dark (Lars von Trier, 2000) toonde de weg naar verzoening.

Batelaan: ‘Dancer in the Dark was voor mij het eurekamoment, omdat ik plots zag wat de mogelijkheden waren van het contrast — van de priester en de nar in één. Die film verglijdt van realistische scènes naar extravagante muziek- en dansnummers en weer terug. In die botsing, van een extreem gekunsteld palet naar rauw realisme, vond ik mijn poëtica. Ik heb weleens gezegd dat ik sindsdien alleen nog maar musicals maak, maar ik bedoel dat ik voorstellingen maak waarin fictie en realiteit elkaar ontmoeten en versterken. En waarin de priester en de nar elkaar niet uitsluiten, maar raken. Omdat het zo mooi is als beide er zijn.’

“Dancer in the Dark van Lars von Trier was voor mij het eurekamoment. Die film verglijdt van realistische scènes naar extravagante muziek en dansnummers en weer terug. In die botsing vond ik mijn poëtica.”

De Amerikaanse mediacriticus Neil Postman (1931-2003) beweert in zijn beroemde boek Amusing Ourselves to Death: Public Discourse in the Age of Show Business (1985) dat vorm inhoud platslaat — dat een entertainende vorm dus nooit een serieuze inhoud kan herbergen.

Batelaan: ‘Daar kan ik het alleen maar oneens mee zijn. De communicatie met het publiek stopt natuurlijk niet bij de entertainende vorm. Een leuk avondje uit is daar de meest letterlijke vertaling van: onder een “commerciële” musicalvorm schuilt een ernstige beschouwing over de plaats van emoties in onze maatschappij. Uiteindelijk bestaat de missie van Theater Artemis er nog steeds in om theater te maken waarbij publiek en voorstelling elkaar vinden in een gedeelde staat van verwarring. Als het showgehalte mensen louter laat vergeten dat ze naar iets kijken, vind ik dat onvoldoende. Het entertainment is als een siroop, die ik vervolgens aanleng door met realistische parameters te spelen. En waar meer commerciële spelers zouden stoppen met aanlengen, ga ik nog even door. Zoals in Voorstelling waarin hopelijk niets gebeurt, waarin de verveling tot de pijngrens wordt gerekt. Tijd — het vertragen of versnellen ervan — is een van de meest effectieve tools om het publiek uit de fictie te schudden. Daarom ook is het theater zo’n wonderlijke plek: het is een van de laatste analoge ruimtes waarbinnen je kinderen in de tijd kunt vangen.’

Amusement en leedvermaak liggen dicht bijeen, maar de lach in jouw voorstellingen is nooit het agressieve uitlachen — zoals dat bij de postmodernistische generatie voor jou wel eens het geval was. Zelfs in Een leuk avondje uit wordt de musical als stijlvorm met een soort blijmoedige liefde onderzocht.

Batelaan: ‘Absoluut. Ik zou het echt vreselijk hebben gevonden als die voorstelling een pastiche was geworden. Ik ben helemaal geen musicalkenner en de ploeg (de cast van ‘Een leuk avondje uit’ bestond deels uit professionals uit de musicalwereld, red.) had nog nooit een voorstelling gemaakt waarin script en tekst niet kant-en-klaar voorhanden waren. Ik vond het dus buitengewoon moedig dat zij zich daarin gooiden, en ik heb ontzettend goed met hen samengewerkt. Ik voel een grote achting voor de manier waarop musical met emoties durft om te gaan — zo ongegeneerd, zonder ironie — terwijl het in het theater zo ingewikkeld is om emoties een plaats te geven. We hadden elkaar dus wel wat te vertellen.’

Ironie is de laatste decennia een verdacht stijlmiddel geworden. Auteurs als David Foster Wallace (1962-2008), maar ook Nederlandstalige aanhangers van de zogenoemde ‘new sincerity’, zoals Joost de Vries, verwerpen het als een gemakzuchtige omgang met een complexe wereld. De ernst van de priester lijkt het vandaag te hebben gewonnen van de knipoog van de nar.

Batelaan: ‘Nog niet zo lang geleden maakte ik samen met De Warme Winkel een voorstelling over ironie (Een oprechte ode aan de ironie, 2022). Zij zijn zo’n typisch gezelschap dat daarop de laatste jaren wordt aangepakt. Maar in die voorstelling verdedigen ze ironie als een middel om de waarheid rubberranden te geven, zodat die flexibel wordt, met andere waarheden kan overlappen. In een wereld zonder ironie, een wereld van priesters, heb je alleen nog fundamentalisten die in hun eigen waarheid geloven. En waar komen we elkaar dan nog tegen? (denkt na) Pas op, ik waardeer ook de bevlogenheid van priesters — met enkelen van hen heb ik op de regieopleiding in Amsterdam gezeten: de gespreksperformances van Lotte van den Berg, het verstilde luistertheater van Olivier Provily. Zij maken werk dat ik nooit zou kunnen maken, en waarvoor ik evengoed grote bewondering koester.’

Dat oppoken van het bewustzijn, wat Batelaan zelf ‘realiteitsdrammerij’ noemt, beperkt zich niet tot de voorstellingen zelf. Het doordringt de hele organisatie. Theater Artemis heeft een eigen manier van communiceren. Boven het gebouw in ’s Hertogenbosch staat een groot bord: ‘Dit is het gebouw van Theater Artemis’. Elke nieuwsbrief verwijst naar zichzelf: ‘Dit is een nieuwsbrief van Theater Artemis’. Voortdurend wordt realiteit aangewezen en benoemd, als met een grote, onontkoombare pijl, de reuzenvinger van Monty Python.

“In een wereld zonder ironie, een wereld van priesters, heb je alleen nog fundamentalisten die in hun eigen waarheid geloven. En waar komen we elkaar dan nog tegen?”

Het lijkt ons niet gegund om onszelf ook maar een kort ogenblik te verliezen.

Batelaan: ‘Ik besef dat het voortdurend aanwijzen van de realiteit irritant is, in een tijd waarin mensen vooral verlangen naar roes, naar vergetelheid. Toch vind ik het belangrijk om dat te blijven doen. Allereerst omdat die realiteit ons op de grond houdt — daar komt het anti-elitarisme weer om de hoek piepen. We mogen als kunstenaars nooit vergeten dat we maar zijn wat we zijn, en dat dat niet veel is — de hele menselijke existentie is een zuchtje. De realiteit is dat we samen in een theaterzaal zijn en dat we het daarmee moeten doen. Anderzijds is die levensgrote pijl toch ook een manier om aandacht te vragen voor wat er in de wereld gebeurt en wat me boos maakt, of waarvan ik verdrietig word.’

De, Jetse Batelaan © Kurt van der Elst

Daarin schuilt volgens mij de politieke betekenis van Theater Artemis: in het doorprikken van een zekere genoeglijkheid, zonder dat het in de voorstellingen zelf per se over zware onderwerpen hoeft te gaan. 

Batelaan: ‘Uiteindelijk geven we “lessen in vertrouwen voor een wereld in paniek”, zoals we dat graag zeggen. Dat betekent dat we jonge mensen confronteren met ongemakkelijke, enge, onvoorspelbare situaties waarvan ze in de war raken, terwijl we er toch op vertrouwen dat dat een louterend effect heeft. Zo is het in ieder geval bij mezelf gegaan. Ik ben een kind van de Nederlandse televisie van de jaren 1980; die experimentele, absurdistische jeugdtelevisie was een rijke bron. Bij mijn eerste schooltoneel speelde ik een leerkracht die de klas binnenkwam met een andijvie op het hoofd, en aankondigde: “Vandaag hebben we het over humor.” Dat soort scènes. Voor sommige onderwerpen was ik te jong, zoals deprogramma’s over seksualiteit, ik snapte daar niets van. Toch heb ik uit de confrontatie met een onbekende wereld veel vertrouwen geput. De abstractie van die humor, de grenzeloosheid ook, dat triggerde mij — de idee dat alles kan, dat alles iets kan zijn.’

Het eind van het begin van het einde, Jetse Batelaan © Kurt van der Elst

Staat die grenzeloosheid onder druk?

Batelaan: (windt zich voor het eerst op) ‘Ja. We hebben vandaag te maken met een serieuze vorm van vertrutting. Er is de neiging om kinderen steeds sterker te beschermen en af te schermen. Neem de voorstelling Diarree is mijn lievelingskleur (met regisseur Julian Hetzel, 2024, 8+).  Alleen al het gegeven poep, of lichamelijkheid, in welke verschijningsvorm dan ook, roept verzet op. Wij laten dingen zien — poep dus — die in mijn ogen doodnormaal zijn en deel uitmaken van de dagelijkse realiteit, maar die niet gedeeld mogen worden. Of eerder: er is een duidelijke opvatting over welk deel wél getoond mag worden en welk deel niet. En op welke plaats. In de schouwburg kan het niet, maar thuis krijgen kinderen ergere dingen te zien. Dat is ongelooflijk hypocriet.’

Is de wereld ook echt enger, bedreigender geworden dan in de jaren 1980?

Batelaan: ‘Ik weet het niet. In onze tijd waren er ook al het klimaat en de Koude Oorlog, maar het was minder indringend, het bleef verder van ons weg. Vandaag komt alles via sociale media ongefilterd binnen, maar of het erger is geworden, durf ik niet te zeggen. Misschien zijn wij minder weerbaar. Theater is voor mij een oefening in die weerbaarheid, in de vaardigheden die we aan het verliezen zijn: laat het maar eens irritant zijn, of te lang of te stil of te confronterend. Zoals De: dat gaat heel erg over verlies, maar we willen daar niet meer aan, aan de gedachte dat we zouden moeten inleveren. Terwijl we er wél aan moeten, en het niet eens zo erg zou zijn om een beetje te verliezen. De tolerantie voor ongemakkelijke waarheden neemt af. In Berlijn werd de voorstelling Het geheven vingertje (2008, 10+) gecanceld — hoe ironisch, terwijl de voorstelling één groot verzet is tegen geheven vingertjes. Die verabsolutering van de moraal, die vind ik heel eng.’

Zie je jezelf ooit iets maken dat ‘ernstig’ is, dat zichzelf niet in vraag stelt? Een echte musical bijvoorbeeld, of een repertoirestuk?

Batelaan: ‘Hmmm. Wat me in de weg staat bij een musical of een repertoirestuk is niet zozeer de “ernst”, want die kun je afpellen, maar wel het feit dat er al zoveel gegeven is, dat zoveel puzzelstukken al klaarliggen. Bij Ro Theater in Rotterdam heb ik één keer een repertoirestuk van Bertolt Brecht gemaakt, Trommelen in de nacht (2012). Iedereen dacht dat ik daar iets heel wilds mee ging doen, maar de regie was rechttoe rechtaan, zonder show. Als ik dan toch niet zelf kan “werken”, iets uit het niets kan laten ontstaan, dan lever ik me nog het liefst aan de schrijver over. (denkt na) Los daarvan: er bestaat wel zoiets als een “oerscène” waar ik al mijn hele leven langs schamp, waar ik in elke voorstelling wel omheen cirkel, zonder ze ooit te kunnen zetten. Het is een scène waarin mensen bij elkaar zijn en alles kunnen zeggen, openlijk, openhartig. Zonder gêne, zonder ironie.’

In het Vlaams zouden ze zeggen: een parler vrai, een waarachtig spreken.

Batelaan: ‘Ja. Het was in zekere zin waar de voorstelling De dag dat de papegaai zelf iets wilde zeggen over ging. Het napraten vormt natuurlijk een veilig schild waarachter we ons verstoppen, en we sparen elkaar daar ook mee, want stel je voor dat we de hele tijd alles open en eerlijk tegen elkaar zouden moeten zeggen — hoe ondraaglijk zou dat zijn! Maar er zijn momenten, en die maak ik ook in mijn persoonlijke leven mee, dat je voelt dat er iets waarachtigs moet worden uitgewisseld. Als vader met je kinderen, als geliefden onder elkaar. Dat de zotskap moet worden afgelegd. Ik merk dat de scènes die me vandaag het meest ontroeren die momenten zijn die erin gaan, tot diep in de emotie, en waarbij de hele reflectieve schil wegvalt. Dat zijn de momenten waarop de maskers vallen, waarop de papegaai eindelijk zelf iets zegt.’


Meer lezen?

Artiesteningang: Jetse Batelaan

Podcast De Werkplek met Jetse Batelaan

Recensie De door Evelyne Coussens

Recensie Een leuk avondje uit door Evelyne Coussens

Recensie Een leuk avondje uit door Floris Baeke

Recensie De dag dat de papegaai zelf iets wilde zeggen door Evelyne Coussens

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 14 — 17 minuten

#178

15.12.2024

—

28.02.2025

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!