Koen van der Elst

Evelyne Coussens

Leestijd 4 — 7 minuten

Ontregelend en absurd

De dag dat de papagaai zelf iets wilde zeggen – Jetse Batelaan

Zelden zoveel frustratie gevoeld als na afloop van De dag dat de papegaai zelf iets wilde zeggen van de Nederlandse theatermaker Jetse Batelaan, sinds maart 2013 artistiek leider van Theater Artemis. Veel jeugdtheater – in Nederland tegenwoordig nog meer dan in Vlaanderen – is zo hapklaar dat een beetje ervaren kijker na tien minuten de dramaturgie doorziet. Niet zo De papegaai. Na de voorstelling was ik kwaad en opgewonden: waartoe leidde dit, wat was dit voor iets, waar kon ik het plaatsen? Ik kreeg geen vat op wat ik had gezien.

Oda Van Neygen, afscheidnemend directeur van het Brusselse jeugdtheater BRONKS en een van de weinigen die met koppige vasthoudendheid jeugdtheater van boven de noordergrens is blijven programmeren, repliceerde eenvoudigweg: ‘Heerlijk, toch?’ Je wenst een jong publiek een ontregelende ervaring toe maar verdraagt het niet als je eigen volwassen interpretatiekader in gebreke blijft? Die zat.

Het ongewone, het onwennige ook aan De papegaai is dat het theater is zonder een boodschap – niet zonder mededeling. Het is theater dat doet wat het belooft, dat toont waarover het spreekt, in plaats van dat te vertellen. De dag dat de papegaai zelf iets wilde zeggen is geen voorstelling over napraten. Het is een voorstelling die napraat, en zo haar punt maakt. De keuze voor het non-narratieve, het vormelijk-abstracte is in een (Nederlands) bestel dat inzet op extreme behap- en verkoopbaarheid zonder meer gewaagd. Bovendien reflecteert De papegaai ook nog eens op de eigen theaterpraktijk. Metatheatrale abstractie, krijg dat maar eens verkocht aan veertienplussers.

Het is een leeftijdsgroep die de nachtmerries van theatermakers bevolkt. Luide groepen. Rondspattende hormonen Een aandachtscurve van een halve minuut, tenzij er bloot aan te pas komt. Batelaan en zijn ploeg beseffen het. De pagegaai is niet enkel een voorstelling die ‘aansluit bij de leefwereld van de puber’, die puber moet zelf ook over de brug komen. Batelaan maaktzijn publiek actief onderdeel van zijn vorm, en dat spoort met de inhoud, want een voorstelling over napraten heeft een grote groep napraters nodig. Bij aanvang krijgen sommige toeschouwers een buzzer. Wanneer die trilt moet de toeschouwer luidop nazeggen wat net op het podium werd gezegd. Soms onderlijnt de herhaling een inhoudelijke stelling over imitatie en kuddegedrag, zoals wanneer een speler zegt’ Ik ga een piercing steken in m’n lip’ en uit de zaal in koor ‘Ik ook’ opklinkt. Dat wekt de lachlust op, maar het doet ook luisteren naar zichzelf. Andere keren is het effect louter esthetisch en klinkt een ontroerende choreografie van jonge stemmen opuitdezaal, aarzelend of zelfverzekerd, alleen, in duet of in groep.

Enkele toeschouwers nemen plaats op het podium, aan drie zijden van het speelvlak. Het maakt van dat speelvlak de arena waarin tieners moeizaam een eigen identiteit bevechten. Onhandig, stuntelend en overgeleverd aan de blik van de anderen. Een puber ligt onder een vergrootglas: alles is heftig, emotioneel, niet te relativeren. Batelaan vat dat prachtig door zijn spelers kleren aan te trekken die vanzelf oplichten, of een harnasje aan te gespen met een neonpijl die opdringerig het eigen ‘ik’ aanwijst. Zelfs een liefdesverklaring is in die (voor)beeldenwereldgeen intieme zaak meer: steeds schuiven rolmodellen, mediabeeiden en verwachtingen voor de realiteit

Nog is de voorstelling met begonnen. Batelaan bestiert op een gewaagde manier de tijd: net voor deze leeftijdsgroep, voor wie alles snel en flitsend zou moeten, zet hij in op vertraging. Nadat de toeschouwers op het podium zijn gaan zitten, wordt de frase ‘Dan kunnen we nu beginnen’ aangevat – en vervolgens tot ver over de pijngrens gerekt. Batelaan speelt hier met de verwachtingen rond plot en dramatische actie, met de bewustmaking van tijd en leegheid. Het doorbreken van de vormelijke conventies – in het theater moet er van alles ‘gebeuren’ – is in zijn oeuvre minstens even belangrijk als de inhoudelijke thematiek. Wanneer er dan eindelijk wordt ‘begonnen’ is er van een plot of dramatische ontwikkeling geen sprake. Batelaan zet verschillende exemplarische scènes uit een puberleven los naast elkaar (omgang met vrienden, idolen enouders, deeersteverliefdheid, seksuele identiteit), met telkens een absurde ontregeling ervan Dat absurde schuilt vaak in het materialiseren of veruiterlijken van abstracte begrippen – het vergrootglaseffect. Zo zakken bepaalde woorden ‘letterlijk’ in lichtreclame naar beneden om te blijven ‘hangen’ in de ruimte, zoals dat tussen mensen figuurlijk kan gebeuren Die uitgesproken materiële vormgeving geeft De papegaai bij momenten de allure van een live stripverhaal

Doordat de drie spelers (alle met mimeachtergrond) elkaar voortdurend napraten zijn hun karakters inwisselbaar, zonder enige vorm van psychologisering. Zelfs de ‘beroemdheid’ (Goede tijden, slechte tijden-acteur Guido Spek of SYTYCD-idool Juvat Westendorp) die in elke voorstelling even komt aankloppen als rolmodel gaat naadloos op in de groep napraters. Batelaan velt daar geen oordeel over, maar toont naar het einde toe wel hoe het anders kan. Op een dag beslist een papegaai om toch werkelijk zelf iets te zeggen, zelf ets te zijn Dat kan alleen door zich terug te trekken van onder het vergrootglas. De scène is eenvoudig maar doodeerlijk. Twee mensen kleden elkaar uit, en met het uittrekken van eikaars oplichtende kleren verdwijnen ook de cliches en de te imiteren beelden – ze willen ‘naakt’ zijn. De jongen en het meisje verdwijnen steeds meer in het donker, tot ze in hun ondergoed tegenover elkaar staan, en de laatste lampjes doven. Eindelijk alleen met elkaar, maar vooral: met zichzelf.

De dag dat de papegaai zelf iets wilde zeggen is een valse trage. Ik kwam uit de voorstelling zonder meteen te kunnen verwoorden wat ik gezien had. Ook achteraf doet dit theater dus wat het belooft zonder me te onderwijzen over de tijd die nodig is voor reflectie dwingt het me tot het nemen van die tijd. Voorstellingen die hun geheim maar naderhand prijsgeven zijn kostbaar en zeldzaam. Het leidt tot de paradoxale gedachte dat De dag dat de papegaai zelf iets wilde zeggen volstrekt uniek is: een voorstelling over her halen die geen enkele andere voorstelling benadert, laat staan herhaalt

De papegaai speelt 17 september in Theater Frascati (Amsterdam).

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#138

15.09.2014

14.12.2014

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.