© Henk Claassen

Jetse Batelaan

Leestijd 4 — 7 minuten

Artiesteningang: Jetse Batelaan

Jetse Batelaan (Leiden, 1978) is sinds 2013 artistiek leider van Theater Artemis, het spannendste jeugdtheater van de lage landen. Hij studeerde in 2003 af aan de regieopleiding aan de Academie voor Theater en Dans in Amsterdam. Al tijdens deze studie maakte hij opvallende, bijna woordeloze voorstellingen met behoorlijk lange titels. Jetse Batelaan ontving in 2019 de Zilveren Leeuw op de Biënnale van Venetië en in 2020 de ITI-award in Düsseldorf.

Wat was je vroegste aanraking met de podiumkunsten? 

Ik ging met een kinderfeestje naar Theater Kikker in Utrecht. Van de voorstelling weet ik niks meer, behalve dat we heel theatraal gewenkt werden in de gang. De rest van de voorstelling was ik totaal bevangen door de lichtbundels van de theaterspots. We zaten heel hoog op de tribune en de lampen hingen vlak boven ons. Door het stof in de lucht leek het licht iets tastbaars te krijgen. Ik had de hele voorstelling de neiging om het aan te raken, maar ik heb me ingehouden.

Wat wou je als kind worden? 

Boer, boswachter of bioloog.

Wanneer wist je dat je het theater in wilde?

Het verlangen om kunstenaar te worden vond ik altijd een beetje belachelijk. Stiekem wilde ik het denk ik wel, maar ik sprak dat nooit uit. In mijn tijd waren er op middelbare school verschillende leerlingen die het een stoer idee vonden om later een creatieve opleiding te gaan doen. Dat luidkeels verkondigen was blijkbaar ook goed voor hun image. Ik had geen zin om daar bij te horen en ben toen eerst politicologie gaan studeren. Ik leefde me destijds uit in verschillende duursporten. Toen die weg door een vervelende knieblessure voor langere tijd werd afgesloten, realiseerde me dat ik in mijn studie/professie het avontuur zou moeten zoeken. Het theater was het engste, spannendste en moeilijkste wat ik me voor kon stellen en dat blijkt het tot op de dag van vandaag ook te zijn.

Van welke voorstelling heb je recent wakker gelegen? 

Ik ben over het algemeen een goede slaper. Montageperiodes die van alles lijken te beloven maken mij het meest onrustig. 

Welke voorstelling is onvergetelijk?

La Mélancholie des Dragons van Philippe Quesne. Door een onverwachte lekke band en een reeks daaropvolgende en voorafgaande gebeurtenissen heb ik de premiere in Wenen mogen bijwonen in een door en door bezwete wielrenoutfit. Mijn fiets had ik in de garderobe achtergelaten. Ik had geen idee wat ik kon verwachten, maar werd totaal overvallen door de hartstocht in deze voorstelling. Ineens begreep ik hoe geweldig veel lef ervoor nodig is om je te kunnen verliezen in schoonheid en daar vervolgens ook nog eerlijk over te zijn. ‘Wunderbar’ is de tekst die me het meest is bijgebleven.

Wat is jouw favoriete plek? 

De wereld is groot, maar in België is dat voor mij de bovenloop van de Helle in de Hoge Venen. Ik kampeer daar ieder jaar aan het eind van de winter met mijn kinderen. Dit jaar lag er ineens 30cm sneeuw toen we ’s ochtends wakker werden.

Waar zou je heel graag eens je werk tonen?

Het anarchisme in mijn werk is gebaat bij een zekere statigheid van het podium. Hoe dikker het theater doet, hoe leuker het is om het onderuit te halen.

Van wie heb je het meest geleerd?

Lotte van den Berg. We zijn heel verschillend, maar daarom was het juist zo inspirerend om elkaars zoektocht in theaterland te volgen.

Hoe ziet jouw werkplek eruit?

Ik reis langs verschillende theaters, repetitiestudio’s, treincoupés en nog onbenoembaardere plekken. Zelfs bij Theater Artemis heb ik geen vaste stoel of bureau. Dat is wel de plek waar het grootste deel van mijn werk zich afspeelt.

Heb je een ritueel voor je het podium opgaat? 

Ik rommel nog wat op het toneel. Soms als ritueel, soms uit bittere noodzaak. Vaak moeten de laatste touwtjes nog even aan elkaar geknoopt worden.

Wat is het mooiste aan je werk? 

Het avontuur en de verbinding.

Zijn jouw ouders fan? 

Zeker, alhoewel mijn moeder de traagheid in mijn werk verafschuwt. Ze is als de dood dat de rest van het publiek daardoor zal afhaken.

Heeft theater invloed?

Dit is een vraag waarover ik eindeloos na kan blijven denken. Uit praktische overwegingen laat ik hem liever onbeantwoord.

Met welke kunstenaar voel je je verwant?

Benjamin Verdonck.

Wie zou je graag eens zien samenwerken? 

Gert Verhulst en De Warme Winkel.

Heb je ooit een bijzondere ontmoeting gehad met een toeschouwer? 

Een jongetje van 8 zat zich in Groningen duidelijk al lange tijd op te winden bij de Voorstelling waarin hopelijk niets gebeurt. Op een gegeven moment was Martin Hofstra lange tijd tevergeefs op zoek geweest naar zichzelf. Toen op die manier ook het ‘zijn’ in twijfel werd getrokken, was voor dit jongetje de maat vol. Hij stond op en riep heel hard naar het podium: ‘Je staat waar je staat! Je bent wie je bent!’ Dat zal ik nooit vergeten. Ik had mijn lesje geleerd. Je kan ook te ver gaan als theatermaker.

Kunnen recensies je iets schelen? 

Om eerlijk te zijn wel.

Wat is de laatste notitie die je gemaakt hebt?

‘proberen niet te dansen’

Is kunst jouw leven? 

Het is één van mijn hartstochten. Maar er zijn er gelukkig meer.

Als je een tweede carrière zou beginnen, in welke sector zou dat dan zijn? 

Jeugdzorg.

Denkt je dat het theater in de toekomst zal blijven bestaan?

Het theater zal zeker ten onder gaan en dat is misschien wel een hele geruststellende gedachte.

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

interview
Leestijd 4 — 7 minuten

#160

15.03.2020

14.05.2020

Jetse Batelaan