‘Celebrities & difficulties: Jean-Luc Godard’ – deufert + plischke

Bojana Cvejić, Elke Van Campenhout

Leestijd 20 — 23 minuten

Wat is moeilijk werk?

Een voorstelling die gelabeld wordt als ‘moeilijk’ verzeilt onmiddellijk in een lastig parket: een groot publiek kan ze vergeten, het beleid verliest zijn interesse, het huis dat de voorstelling presenteert krijgt een verdacht ‘intellectueel’ aura. Maar wat wordt er nu eigenlijk verstaan onder deze toch wel zeer algemene term? Wanneer wordt een werk ‘moeilijk’? Wie beslist daarover? En hoe veranderlijk is deze invulling? We stelden de vraag aan makers, programmatoren en critici: wat is moeilijk werk voor jou? De antwoorden zijn even uiteenlopend als het werk dat ze produceren.

Florian Malzacher

(criticus, curator, dramaturg)

Gecompliceerde medeplichtigen

Oké, de wind heeft zich naar het schijnt gedraaid. Denken in de kunst is niet sexy.

Maar wat is er gebeurd sinds intellectualiteit tenminste onder intellectuelen een nog erkende levensvorm was? Sinds theorie als lustige, hevige woordenwisseling met scherpe maar elegante wapens opgevat werd? Scherp, maar flirtend en met erotiek verstrengeld. Terwijl de beeldende kunsten zich nog altijd relatief veel hermetiek en ondoorzichtigheid kunnen veroorloven, worden gecompliceerde werken binnen de podiumkunsten meteen als moraliserend beschouwd. Als arrogant, betweterig of als grote spelbrekers. Alsof er een natuurlijke scheiding zou bestaan tussen hoofd en kunst, tussen hoofd en seks, tussen hoofd en maag. Arme Brecht. Interessant genoeg is de reactie op complexe kunst er vaak niet één van misschien begrijpelijke verveling of vermoeidheid, van het eenvoudige niet-begrijpen, de oprechte radeloosheid, maar één van ergernis, beledigd-zijn, krenking. Kunst moet het nieuwe brengen, maar dan wel het nieuwe dat men al kent. Tegenwoordig is de enige echte provocatie op het toneel: denken. Overbelasting wordt dan niet als mogelijkheid gezien, of het niet-begrijpen niet als een luxe-toestand, maar als een vernedering, als een verlies van controle. Vaak worden stukken die conceptuele bedenkingen, onderzoek, misschien ook zelfreferentialiteit in het middelpunt plaatsen, als gecompliceerd beschouwd, zonder dat deze door een verhaal of begrijpelijke beelden versluierd worden. Omdat het werken met nieuwe vormen daarbij een belangrijke rol speelt, worden de gekoesterde verwachtingen niet ingevuld. Maar nieuwe, onverwachte vervullingen zijn vaak niet meer in staat om het publiek als geheel aan te spreken – verschillende codes vereisen telkens een ander toeschouwers-schap.

Dat zulke stukken de massa niet aanspreken weet iedereen wel. Maar het probleem is eigenlijk dat de natuurlijke medeplichtigen (vakkundig publiek, andere kunstenaars, gepassioneerde theaterbezoekers) het vermeend gecompliceerde afwijzen. Waar een dergelijke medeplichtigheid ophoudt te bestaan, ontstaat er een structureel probleem. Voor complexe zaken is er -om het met Luhman te zeggen- een bijzonder communicatiemedium nodig. Liefde, inderdaad. Maar de gebaren van het arrogante, van het onnodig gecompliceerde, de eenzijdig afgekondigde medeplichtigheid ten gunste van een belachelijk superieure kennis, is veel kunstenaars niet vreemd. In dat geval wordt er onnodig overdreven, frontaal gemoraliseerd of domweg gecodeerd, alsof kunst eigenlijk een prijsvraag is.

Medeplichtigheid vraagt om een gezworen vertrouwen. Als kind ging ik soms naar het kleine stedelijk museum, voor een half uur, een uur, of iets daartussen. Niet noodzakelijk om er schilderijen te bekijken, of om die intensief te bestuderen. Maar gewoon omdat het me een verheven, nee eenvoudiger, een ongelooflijk kalmerend gevoel gaf, omgeven te zijn door zoveel cultuur, zoveel kunst die ik niet begreep. Het geloof in het denken was bijna net zo opwindend als het denken zelf. En dat sommige mensen meer en verder kunnen denken dan jijzelf, dat was geen bron van ergernis, geen narcistische belediging, maar een ongelooflijke geruststelling.

Bojana Cvejic

(critica en theatermaker)

Een voorstelling beschouwen als te ‘moeilijk’ wil met andere woorden zeggen dat de programmator bij voorbaat weet dat hij/zij de zaal niet vol gaat krijgen, maar de voorstelling toch belangrijk genoeg vindt. Hij kan zijn algemeen/ financieel directeur er niet van overtuigen dat de publiekscijfers geen belang hebben als het stuk zijn hedendaagsheid bewijst, zelfs al is die van de onaangename soort. De algemeen directeur maakt een berekening: volgens het nu al afgeroomde budget van deze productie, gedeeld door de publiekscijfers, is elke bezoeker geen inkomst voor het theater, maar kost hij het theater eigenlijk 300 tot 1000 euro. Niet alleen is er geen winst, maar zo’n productie veronderstelt ook hoge investeringskosten vanwege de overheid in een select elitair groepje dat moet doorgaan voor wat historisch ‘avant-garde’ heette, en hier als een technische term wordt ingezet. De overheid en de privé-investeerders betalen deze som voor elke gepriviligieerde toeschouwer van dit soort werk. Om de druk van de neoliberale economie te overleven en zo’n werk te laten voortbestaan, is er een nieuwe argumentering nodig. Het is niet voldoende om het belang van de kunst-om-de-kunst autonomie en ontwikkeling uit te spelen. In de plaats daarvan, moet kunst bekeken worden als een bijzondere vorm van kennisproductie. Het voordeel van zo’n benaming is dat het de twee traditionele post-Verlichting kennistypes omvat die mekaar complementeren: de afstandelijke, zogenaamd pure kennis (esthetische, filosofische) en de kennis van de emancipatie ‘voor het volk’ (de toeschouwer als deel van een samenleving).

Elke Van Campenhout

(critica)

2089, Brussel, Etcetera Underground

Moeilijk werk is werk dat verbannen is naar speciaal geconstrueerde bunkers, waarvan de ingang is versperd door een virtueel veiligheidscordon van kranten-journalistiek, overheden en mensen met gezond verstand, die het werk dat erin mag gespeeld worden, en bij uitbreiding ook het kunstencentrum of de theater-bunker in kwestie, als ‘moeilijk’, ‘ontoegankelijk’ en

‘intellectueel’ hebben uitgeroepen. Elke poging tot vraagstelling, die in een democratische en tolerante samenleving natuurlijk wordt aangemoedigd en ondersteund, wordt vakkundig uit het maatschappelijke centrum geweerd, en opgesloten in speciaal daarvoor ontworpen uitzonderingssituaties, waarvan de ‘modale burger’ natuurlijk van de weeromslag vindt dat hij daar niks te zoeken heeft. Het begrip ‘moeilijke kunstHs inhoudelijk compleet diffuus, en onmogelijk af te lijnen. Maar de krijtlijnen lopen met een minutieus uitgezette nauwkeurigheid rond die plekken die speciaal gesubsidieerd worden om dit soort kunst onderdak te bieden. Misschien is het hoog tijd geworden om te verkassen..

Barbara Raes

(dansprogrammator Vooruit)

‘Moeilijk’ is persoonlijk, ‘moeilijk’ is tijdsgebonden. Als programmator beschouw ik het gegeven ‘moeilijk(er)’ niet als iets dat intrinsiek in het werk besloten ligt, maar als iets dat zich situeert op de (communicatie)lijn tussen zender en ontvanger, op de wisselwerking tussen kunstwerk en toeschouwer. Het ‘minder evidente’ werk vraagt een grotere kijkinspanning van de toeschouwer omdat die niet op zijn vaste, toegeëigende kijkregister kan terugvallen. Aan ‘moeilijker’ werk hangt namelijk een ‘haakje’. Dit kan een theoretisch ‘haakje’ zijn: het werk refereert bijvoorbeeld aan bepaalde theoretische denkkaders waarvan men veronderstelt dat die tot de algemene voorkennis van de toeschouwers behoren. Het kan ook een vormelijk ‘haakje’ zijn, waarbij de kijker met een bepaald niveau van abstractie wordt geconfronteerd en hij niet kan putten uit het gekende vormvocabularium om over het werk te praten. Maar het kan evengoed een gevoelsmatig ‘haakje’ zijn: de kijker vindt geen herkenbaar aanknopingspunt om zich met bepaalde emoties die in beeld worden gebracht of worden opgeroepen te identificeren. Het werk wordt bijgevolg als hermetisch ervaren. De ‘haakjes’ bieden het publiek weerwerk en dagen het uit om zich vragen te stellen, verbanden te leggen en zich een mening te vormen. ‘Moeilijk’ werk vraagt een intellectueel en emotioneel actievere kijkervaring. Die ervaring kan werk op zich des te prikkelender maken.

Jan Ritsema

(theatermaker)

Wat versta ik onder moeilijk performance werk?

Ik maak niet zo’n onderscheid. Ik ken geen enkel kunstwerk dat ik als ‘moeilijk’ zou bestempelen.

Kunst kan niet moeilijk genoeg zijn, zou ik zeggen. De term ‘moeilijk’ suggereert dat er vragen worden gesteld die niet beantwoord kunnen worden. Ik ken geen enkele vraag die niet op de één of andere manier kan worden beantwoord.

Kunst wordt als moeilijk beschouwd wanneer mensen geen gemakkelijk antwoord krijgen. Gemakkelijke antwoorden zijn altijd mainstream antwoorden, zijn altijd antwoorden die we al kennen. Ik noem kunst moeilijk wanneer ze dom en blind is, en zichzelf belangrijker vindt dan haar publiek. Spijtig genoeg is er daar heel veel van.

Waarom is er vandaag zoveel anti-intellectualisme?

Dat is niet vandaag.

Dat is altijd zo geweest.

Dat is een logisch gevolg van mainstream kunst.

Kunst wordt verondersteld in relatie te staan met de emotionele component van het leven, met gevoelens en ervaringen. Als een kunstwerk niet beantwoordt aan deze nood krijgen mensen niet wat ze verwachten.

Kunst die wil denken, die haar parameters, haar eigen ‘wetten’ in vraag wil stellen, wordt als moeilijk beschouwd, omdat ze nieuwe of ongewone vragen stelt die om nieuwe antwoorden vragen. Nieuwe antwoorden vinden wordt beschouwd als werk. Mensen willen niet werken, ze willen niets ontdekken als ze voor een kunstwerk staan, ze willen enkel bevestigd worden, ze willen herkennen en erkend worden.

Waarom, vraag je, waarom dat anti-intellectualisme vandaag?

Zoals ik zei: het is er altijd al geweest. Gelukkig ontstaat er in alle kunstsectoren af en toe een nijpende behoefte aan het vernieuwen en herdenken van de eigen principes, en gelukkig gaan ze dan door meer abstracte/intellectuele/conceptuele periodes. Maar de mainstream, die vooral vertrouwt op het verleden en hieruit de voorwaarden destilleert van hoe kunst moet zijn, er moet uitzien en zich gedragen, wint weer terrein zo gauw het abstracte/intellectuele/conceptuele van binnenuit begint in te storten.

Dat is natuurlijk jammer, want daardoor zetten we een stap terug in de tijd, naar datgene wat we al kennen. Terwijl de enige toekomst van de kunst ligt in het her-bekijken en herdenken van de specificiteit van het leven en van de specificiteit van de kunst zelf.

LEVE de moeilijke, zogezegd intellectuele kunst.

Superamas

(Frans-Oostenrijks kunstenaarscollectief)

Het idee dat alle velden van de hedendaagse kunst aan het einde van de vorige eeuw heeft doorkruist -dat het kunstwerk plaats moest vrijhouden voor de kijker – blijft vandaag geldig. Het werk van de kunst begint op het moment dat het stuk zich waarmaakt. En dit ‘moeilijke’ werk blijft grotendeels de verantwoordelijkheid van de toeschouwer.

Wat veranderd is, is het bewustzijn van een aantal kunstenaars dat het onzinnig is om noties als plezier en verleiding uit de weg te gaan. Zeker omdat deze strategieën bijna helemaal worden opgeëist door de ‘culturele’ industrieën. Dus zou je kunnen zeggen dat het de taak van de hedendaagse kunstenaar is, en dat is een bijzonder politieke positie, om het monopolie van het amusement niet aan Walt Disney over te laten.

Het gevolg van deze positie zou natuurlijk zijn dat je makkelijk en verleidelijk, of simpelweg mooi werk zou gaan maken. Daarom is het belangrijk je steeds rekenschap te blijven geven van de hedendaagse realiteit. En wat deze realiteit het beste kwalificeert is complexiteit. De hedendaagse kunstenaar moet er zich dus op instellen deze ‘moeilijke’ vergelijking op te lossen die er in bestaat lichtheid

Daniel Franco

(filosoof, schrijver en theatermaker)

Intellectualisme betekent, in het woordenboek, ‘de neiging om het leven en het instinct op te offeren om het intellect te bevredigen’. Als ik stel dat het prefix ‘anti’ in ‘anti-intellectualisme’ eigenlijk geen effect heeft op de genegeerde term, wil dat zeggen dat het hier gaat om de neiging om het leven en het instinct niet op te offeren om het intellect te bevredigen. Dus vraag ik nu: wat betekent het om het intellect te bevredigen? In deze ervaring van bevrediging, wat is het precies dat bevredigd wordt op dit toppunt van of voor het intellect, wat is het hoogste goed? Bevrediging vinden door het leven op te offeren, daar is een naam voor: dat is een misdaad. De neiging om het leven op te offeren is niets meer dan een misdadige neiging. Wat is een misdaad die het intellect bevrediging schenkt, en geen bezorgdheid? Welke is het, deze gezegende misdaad onder de misdaden? Ik weet het niet. Ik kan mijn inspanning dan wel concentreren op een precieze zinsnede, mijn onwetendheid over het geheel wordt er alleen maar dubbel zo prangend door. Wat moet ik verstaan onder deze ‘bevredigde intelligentie’ die sowieso enkel een dwaasheid kan zijn? Wat is dat leven dat geen enkele andere invulling krijgt dan een steeds terugkerende rotstreek, een eeuwigheid van instinct? Of om het anders te zeggen: sinds wanneer is het niet instinctief of instinctueel om de neiging te hebben zijn leven te geven? We kennen zeer goed de doorgaanse reactieve, giftige functie van het negatiepartikel ‘anti’. Ik ken er geen enkel nobel gebruik van. Dat woord ‘anti’ roept in mijn herinnering ontelbare opgeofferde levens op die ontelbare genoegens hebben opgeleverd. De proto-filosoof Parmenides bevestigde het in zijn gedicht: zijn en denken zijn hetzelfde. Of het denken, gek gemaakt door het piekeren over wat voorbij is of wat er nog te doen valt, houdt niet op met bibberen tussen zijn en niet-zijn. In werkelijkheid is alles wat is dat enkel op een misdadige manier. En het denken is de oneindig herhaalde angst voor de onophoudelijke misdaad van het zijn. Als je dan naakte dansers ziet, besproeid met stinkende mosterd en industrieel bloed, is dat vaak een stuk ontspannender dan datgene wat in de klassieke taal het ‘inzicht in een idee’ heet. Dat is allemaal al duidelijk in de episode van de verboden vrucht, in Genesis. Eva, verleid, bijt in de verboden appel. Daar wordt de schuld geboren, en meteen ook het geweten.

Dat bewustzijn, die oorspronkelijke ontreddering, hapt nog een tweede keer toe, en voedt de geest. Dit fruit zonder vruchtvlees draagt voorlopig nog geen naam, maar het is wel zeker dat de term ‘misdaad’ hem niet bekomt. Anti-intellectualisme is dus niets anders dan het opgeven van het denken. Of beter: het is het smaakoordeel, de grillen van de stemming die zich verbeelden een doctrinair vermogen te bezitten. Oh, ik word plots week, als ik voor zoveel ouderdom sta die zich als kinderlijkheid vermomt, en die zich van de echte vragen van het kind afkeert, die glijbaan die het leven naar het stof verwijst.

Ana Vujanovic

(critica, academica)

Ik zal ‘anti-intellectualisme’ enkel behandelen vanuit mijn huidige lokale context (Belgrado/ Servië, op dit moment).

Anti-intellectualisme is hier zo’n populair en wijdverspreid paradigma dat het bijna de hoogste sociale imperatief is geworden. Er is zelfs een symptomatisch gezegde in het Servisch: ‘Niet filosoferen!’, waarmee men bedoelt: sta niet te praten en mijn tijd te verdoen, begin eraan.

De wortels van deze imperatief liggen in de epistemologie van de socialistische maatschappijstructuur, die de gelijkheid tussen alle burgers vooropstelde (ongeacht of het arbeiders waren of wetenschappers, Serviërs of Kroaten, orthodoxen of katholieken). Deze kennis was praktisch geïmplementeerd in het management van de arbeiders en ging voorbij aan de klassieke hogeschool-curricula. Het resultaat was de afwijzing van elk intellectualisme, omdat de intellectuelen van dat moment – met hun ouderwetse kennis van Latijn, klassieke filosofie, algebra, geschiedenis, Duits en Frans, en meestal afkomstig uit de voormalige bourgeoisie of welgestelde middenklasse – aanzien werden als reactionaire overblijfselen van de voor-oorlogse bourgeoissamenleving, niet in staat om mee te werken aan een nieuwe samenleving, en zelfs potentieel gevaarlijk (aangezien die klassieke kennis alleen maar bruikbaar is voor het ontwikkelen van een kritisch gedachtegoed, wat de communisten maar al te goed wisten en onderzocht hadden).

De recente geschiedenis van anti-intellectualisme in Servië is nog makkelijker sociaal te verklaren. Vergeet niet dat de jaren 1990 het decennium van de ex-Joegoslavische burgeroorlog waren, van het (quasi-)sociaal-nationalistische regime van Slobodan Milosevic, van sancties, van het verdwijnen van de socialistische middenklasse, van de vernietiging van de economie, van herhaaldelijk burgerverzet, criminalisering, isolatie, de euforie van de ‘geboorte’ van de (Servische) natie, en -in overeenstemming met al deze verworvenheden- van de verarming van de hele bevolking, met uitzondering van de kleine kring van machthebbers. In die context moesten heel wat burgers met een maandelijks inkomen van ongeveer 5 euro vechten om te overleven, of ze zich nu tegen de ideologie verzetten of niet. In plaats van iets te doen aan deze situatie, realiseerde het voormalige regime zich dat dit precies de perfecte situatie was om de status quo in stand te houden. En de situatie waarin heel wat burgers moesten ophouden met studeren om te kunnen overleven, heeft de basis gelegd voor het populisme in de strijd tegen het intellectualisme. De hoofdaanvoerders van deze strijd waren zelf ‘organische intellectuelen’, die een natuurlijke band hadden met het volk. En op dat moment werd het intellectualisme eindelijk vernietigd.

Nu is de sociale situatie een beetje beter, maar nog niet goed genoeg om dat populisme te overwinnen, dat op alle mogelijke manieren wordt bevoordeeld in het publieke discours, en dat zo makkelijk kan worden opgepikt, zonder enige moeite, door iedereen die dat wil. Dus op dit moment, na de dood van het intellectualisme, moet iemand die ervan beschuldigd wordt een intellectueel of intellectualistisch te zijn, zich erg ongemakkelijk voelen en proberen uit te leggen hoe hij/zij nog altijd de luxe geniet van tijd te hebben om te leren, te lezen en zichzelf te onderwijzen… terwijl normale mensen moesten, en nog steeds moeten werken. Dus is het niet verbazend dat het hier zelfs nog erger is om te zeggen dat je niet naar Eurosong hebt gekeken of geluisterd, dan te zeggen dat je ‘Deleuze’ leest.

Xavier Leroy

(choreograaf)

‘Moeilijk’ is geen term die ik zou gebruiken, of die vaak opduikt in de discussies waar ik de laatste tijd deel van uitmaak.

Ik stel me zo voor dat moeilijk werk, als je het zo benoemt, je nieuwsgierigheid en je denkvermogen uitdaagt, en aanzet tot discussie, en dat klinkt zeer prettig.

Soms is een werk moeilijk om te zien, omdat er te weinig licht is, of moeilijk om te horen, omdat er een onbekende taal gebruikt wordt. Maar ik ga ervan uit, dat wanneer dit het geval is, dit waarschijnlijk een gevolg is van het beslissingsproces om het werk de juiste vorm en inhoud mee te geven om iets te laten gebeuren in de werksituatie.

Misschien is een werk moeilijk om te maken, te doen, te produceren? Is dat moeilijk werk?

De term ‘moeilijk werk’ moet waarschijnlijk niet enkel begrepen worden in oppositie tot ‘gemakkelijk werk’, maar het is moeilijk om dit niet te doen. Een makkelijk werk kan moeilijk zijn voor sommigen en te gemakkelijk of helemaal niet makkelijk voor anderen, maar het is veel moeilijker om te zeggen wat dit werk precies is, herhaalt, voortbrengt, in gang zet, verandert, transformeert,…

Dus weet ik niet wat moeilijk werk is. Het is waarschijnlijk complexer dan iets dat ‘niet makkelijk’ is. Maar wat is het? Moeilijk te doen? Moeilijk te bekijken? Moeilijk an sich?

Er zijn wel een aantal definities:

Een moeilijk werk is een werk dat veel inspanning of vaardigheid vraagt om te maken, er mee om te gaan, of het te begrijpen.

Een moeilijk werk is een werk dat moeilijkheden of problemen centraal stelt of ze veroorzaakt of dat niet makkelijk te behagen of te bevredigen is.

Wat is er moeilijk aan een werk?

  • Is het het maakproces dat moeilijk is? Waarmee ik bedoel: hard, zenuwslopend, lastig, afmattend, taai, zwaar, belastend, veeleisend, bestraffend, gruwelijk, verpletterend, uitputtend, vermoeiend, vervelend, een hel, dodelijk; maar niet makkelijk.

Dat is vaak het geval bij het werken.

  • Of is het werk zélf moeilijk? Waarmee ik bedoel: ingewikkeld, complex, geëngageerd, ondoordringbaar, over mijn hoofd, bevragend, verwarrend, versluierd, confuus, mystifiërend, problematisch, verward, verknoopt, stekelig, plagerig; maar niet enkel eenvoudig.

Dat is een belangrijke kwaliteit voor een werk.

  • Of een moeilijk werk komt ongelegen, is vreemd, niet op zijn plaats, ongunstig, ongelukkig, ongeschikt, slecht getimed, maar vooral niet gelegen.

Moet een werk gelegen komen?

  • Is een werk moeilijk omdat het: vervelend is, vermoeiend, uitdagend, ergerlijk, vreemd, veeleisend, pervers, tegendraads, eigengereid, luidruchtig, onbeheersbaar, omdat het je niet tegemoet komt, je niet helpt, niet meewerkt, onbeleefd is; moeilijk tevreden te stellen, pietluttig, onvoorspelbaar; maar onaangepast. Is dat wat we willen van een werk, dat het zich aanpast?

Ik weet niet wat een moeilijk werk is, maar het lijkt te gaan om grote passionele acties en situaties.

Mark Cloostermans

(theaterrecensent De Standaard)

Moeilijk is: kritiek geven op iemand of iets waarvan je houdt.

Hoe vertel je je partner dat zijn/haar ochtendadem niet romantisch ruikt? Hoe vertel je een vriend dat hij een fout heeft gemaakt? Hoe vertel je een kunstenaar dat al zijn energie, inzet, denk- en scheppend werk… niet geleid hebben tot een kunstwerk dat het ervaren waard is?

Het goede nieuws is dat dit probleem met de tijd verkleint. Het slechte, dat je amper kan inschatten hoeveel tijd er nodig is voor het probleem klein genoeg is om aangepakt te worden. Elke recensent herkent dit dilemma: mag je meteen bij je ‘aantreden’ negatieve dingen schrijven over een kunstwerk, of moet je je eerst een paar maanden (jaren?) op de vlakte houden?

Een recensent is een tuinman. Idealiter verwijdert hij planten die het niet goed doen uit de tuin. Dat wordt hem niet in dank afgenomen door die planten. De tuinman, vinden zij, zou zich beter wat verdraagzamer tonen. Kan hij niet gewoon de lelijke, scheefgegroeide exemplaren negeren en alleen de geslaagde gewassen aanprijzen bij de bezoekers van de tuin? Het antwoord is ‘ja’, maar een zeer onbevredigende ‘ja’. De kans bestaat dat de bezoekers de tuinman vragen waarom hij zwijgt over de gedrochten die de tuin óók bevat. Dat zij zullen twijfelen aan zijn onderscheidingsvermogen.

Het is sowieso altijd diplomatischer om je kritiek voor je te houden. Om te zwijgen. Je lijkt dan al snel een sfinx. Niet dat dat een grote kunst is. Een kat (felix ordinaris) is ook een soort sfinx. Maar die kat heeft alleszins nog de eerlijkheid om niet te spinnen als ze niet tevreden is.

In zijn Lof der Zotheid wijdt Erasmus een passage aan Momus, de Griekse god van de Kritiek, ‘…nu hebben ze hem (…) omlaag naar de aarde geslingerd, omdat hij zo wijs was de gelukzaligheid van de góden te verstoren met zijn grof geschreeuw. En geen sterveling die zich verwaardigt deze balling gastvrijheid te verlenen, laat staan dat er aan koningshoven een plaatsje voor hem is, waar mijn dienares Vleierij de eerste plaats inneemt…’

Momus vond de mens een lachwekkend schepsel, omdat hij geen deuren in zijn lichaam had, die toegang gaven tot zijn geest, tot zijn gedachten. Dat wij eikaars gedachten niet kunnen lezen, is inderdaad een productiefout. Helaas kunnen we de fabrikant niet meer aanklagen: naar het schijnt is Hij dood. Dan nog zouden velen dat niet willen. Zwijgen is helemaal niet moeilijk.

Rudi Laermans

(cultuursocioloog)

‘Moeilijk’ is een moeilijk woord

‘Moeilijk’ is een beschrijvende, geen waarderende uitdrukking. Het is bovendien een lege containerterm die nauwelijks informeert. Een uitspraak als ‘dit is een moeilijke tekst’ zegt immers niet waarom een artikel of gedicht als moeilijk wordt ervaren. Die uitleg blijft de spreker schuldig – en hij volgt vaker niet dan wel. ‘Moeilijk’ is inderdaad een communicatieve dooddoener van jewelste, en daar schieten we niets mee op in een gesprek over een voorstelling of wat dan ook.

‘Moeilijk’ is wat ik niet begrijp, en het getuigt van grove arrogantie om dat subjectieve onbegrip op te rekken tot zoiets als ‘publieksonvriendelijke kunst’. Wie ook nog een beetje zelfrespect heeft, probeert gewoonweg zijn of haar niet-begrijpen… te begrijpen. Wanneer je iets als moeilijk ervaart, is verduidelijking en nuancering geboden. Een tekst bijvoorbeeld kan om heel veel redenen moeilijk zijn, en het komt erop aan te achterhalen wat er juist aan de hand is. Wie dat niet doet, weet zich ook nooit tot ‘het moeilijke’ te verhouden. Een tekst is bijvoorbeeld moeilijk omdat hij nieuwe inzichten bevat? Welaan, dan lees je hem twee keer en zeg je ‘deze tekst is voor mij echt wel nieuwlichterij’ (jawel, ik ga soms ook tot driemaal toe naar dezelfde voorstelling). Herlezen brengt dan weer geen soelaas wanneer de moeilijkheid van een tekst samenhangt met het onderwerp: dat laat je nogal koud, vandaar je gebrekkige concentratie. Dan stop je gewoon met lezen en zeg je beleefd maar gedecideerd ‘het thema van deze tekst valt buiten mijn interesseveld’ (mij interesseert bijvoorbeeld driekwart van het theateraanbod nauwelijks of niet vanwege te anekdotisch; dat laat ik dan ook graag aan mij voorbijgaan).

De voorbeelden laten zich vermenigvuldigen, en de uitkomst luidt steevast dat ‘het moeilijke’ een uitnodiging inhoudt om te zeggen waarop het staat, kwestie van die altijd opake moeilijkheidservaring een beetje meer contour te geven. Maar toch. Eén soort van ‘moeilijke kunst’ moet ik echt niet. Dat een artiest een hoogst persoonlijk, zelfs autobiografisch statement maakt, is niet meteen een probleem. Maar wanneer hij of zij dat ook nog eens doet in een volstrekt idiosyncratische taal, zonder veel consistentie of vormelijke sleutels, haak ik onherroepelijk af. Want dan is ‘het moeilijke’ het gevolg van een overdosis subjectiviteit die de weg van de minste weerstand heeft gekozen. Heren en dames programma-toren, neem uw verantwoordelijkheid en verlos ons van de solipsismekunst!

Jeroen Peeters

(danscriticus, curator en dramaturg)

Als kijker en schrijver heb ik altijd een appetijt gehad voor moeilijke kunst – en als dagbladcriticus heb ik ook meer dan eens het verwijt gekregen dit soort werk te verdedigen. ‘Moeilijk’ wijst hier overigens op een heel spectrum. Het gaat om werk dat vernuftige representatiestrategieën hanteert, bestaande tradities en conventies ontregelt, dat de verwarring uit onze leefwereld van een complex wederwoord voorziet vanuit een bewustzijn van de grenzen en mogelijkheden van de artistieke expressiemiddelen. Moeilijk is dat dit soort werk vraagt om een zekere vertrouwdheid (kijkervaring, interesse voor reflectie) met de conventies die het te lijf gaat. Moeilijk ook omdat deze kunst verlangt dat er door de kijker een inspanning wordt geleverd, dat er wordt ‘gewerkt’. Moeilijk omdat dit weerbarstige werk vaak zelf op zoek is, in zijn eigen taal verloren loopt en een serieuze portie betekenisloosheid, sprakeloosheid, verwarring en saaiheid kan omarmen: symptomen van niet-weten, twijfel en onzekerheid die een vlot begrip of consumptie weerstaan.

Op dit punt duikt een andere moeilijkheid op: als kijker moet je enige openheid aan de dag leggen voor het besef dat al die verwarring en verveling ook over je eigen leefwereld gaat of kan gaan. Het risico van het werk vraagt ook van de toeschouwer een kwetsbare opstelling, lokt een gedeelde verantwoordelijkheid uit: je moet zelf mee willen werken aan nieuwe, afwijkende, alternatieve en soms ronduit absurde of onmogelijke verhalen en beelden die onze leefwereld in perspectief plaatsen en mee vorm geven. Het is op dit punt dat betekenis ontstaat.

Vervelend is nu -en hier keer ik terug naar het verwijt moeilijke kunst te verdedigen- dat een gebrek aan vertrouwdheid met de complexiteit van vormen (moeilijkheid één) voor sommige kijkers precies de betekenisvolle betrekking op zichzelf (moeilijkheid twee) in de weg staat. Gelukkig zijn er vele soorten kunst voor vele publieken en dus ook vele soorten drempels tussen beide moeilijkheden – waarbij ik er meteen vanuit ga dat kunst meer is dan vrijblijvend entertainment. Het klinkt wat humanistisch, maar misschien ligt hier nog steeds een bemiddelende taak voor critici: leessleutels aanreiken die ook minder vertrouwde kijkers op weg zetten naar een betekenisvolle kunstervaring. Maar die kennis en achtergrond zijn slechts het halve verhaal, ook dan nog moet je mee in het bad: om de nattigheid te voelen.

Bij wijze van uitleiding nog een mooie variatie op de vraag hoe om te gaan met koudwatervrees en moeilijke kunst, een citaat van Salman Rushdie over Samuel Beckett: ‘Dit zijn moeilijke boeken. Hoofdpijn na het lezen ervan lijkt, althans voor sommige ervan, geen ongepaste reactie. Er dient echter eerlijkheidshalve aan worden toegevoegd dat er hoofdpijnsoorten bestaan die waardevol aanvoelen, die iets van waarde teruggeven, en de beckettiaanse hoofdpijn is een kloppen van deze genoegenschenkende soort.’ (De Tijd, 8 april 2006)

Philippe Beloul

(kunstenaar)

Hier een voorbeeld van wat ‘moeilijk werk’

voor mij zou kunnen zijn

als ik uit noodzaak, of om financiële

redenen van buitenaf (woonkrediet,

wagen, TV, home cinema,

geluidsinstallatie,..)

elke dag van mijn leven, 365 dagen

per jaar,

jaar na jaar,

op hetzelfde uur, iedere ochtend,

zo rond 6.30u

zou moeten opstaan

hetzelfde vervoer zou moeten nemen om naar mijn werk te gaan, waar ik iedere dag dezelfde ‘collega’s’ zie,.. dezelfde Baas, enz., enz..

Maar persoonlijk, als enige verantwoordelijke voor de organisatie van mijn werktijd en het resultaat ervan, heeft ‘moeilijk werk’ verschillende facetten voor mij, waarvan er één is:

in staat zijn om afwisselend het artistieke deel van mijn werken, én het administratieve stuk ervan, in handen te nemen, dat wil zeggen

De helft van de tijd creativiteit, en de andere helft promotie.

Waarbij het ene onmogelijk van het andere kan worden gescheiden, dat maakt deel uit van het ‘moeilijk werk’.

Ik voel me dan geconfronteerd, tot mijn grote verbazing, met een functioneren dat dichter aansluit bij het mechanische, of eerder nog, bij het mathematische, dan bij het echte Artistieke genie.

Dat zelf, (om het niet enkel over één voorbeeld te hebben) geen directe invloed heeft op de tijd of de modes.

Als wij ‘Artiesten’ ons een aantal vragen beginnen te stellen rond ‘moeilijk werk’, gaat dat meestal samen met de ontwikkeling van een ‘oeuvre’.

Zal mijn werk worden ontvangen zoals ik het hoop????, beantwoordt het aan de verwachtingen van de investeerders???, hoe kan ik iedereen overtuigen van zijn kwaliteiten???..

En dat alles uitgaande van wat we de Première noemen…

de keuze van de plekken waar die plaatsvindt mag niet aan het toeval worden overgelaten (kies eerder voor de grote distributeurs in plaats van voor de kleine huizen zonder naam die je in de nabije toekomst enkel zouden kunnen schaden)

.. dan komt de tweede … en misschien,

De Dernière!!

‘deze is niet goed verkocht, ik begin alvast aan een ander stuk voor 2012′

Refrein

met een Première in Londen!!

met een Première in Londen!!

‘Ik zit trouwens nog in twee andere projecten ondersteund door de Vlaamse Gemeenschap in diezelfde periode.’

Refrein

met een Première in Londen!!

met een Première in Londen!!

Alexander Baervoets

(choreograaf)

Pablo Picasso beschouw ik als moeilijk werk, omdat het me niet ligt. Kubistische gezichten wringen gewoon met mijn esthetisch aanvoelen, om van zijn Afrikaanse periode nog maar te zwijgen. Als jongeman liep ik ooit een klein gemeentelijk museum binnen, ergens in Frankrijk, waar mijn oog viel op een wandtapijt waarvan ik meteen het meesterschap erkende en dat van onze bombastische vriend bleek te zijn. Dat was mijn kleine persoonlijke Aha-Erlebnis waardoor ik Picasso’s plaats in de canon kon aanvaarden.

Bach is moeilijk werk en ik heb gezwoegd om er te kunnen van houden. Van thuis uit had ik omzeggens geen muzikale opvoeding meegekregen en als zestienjarige trok ik naar de plaatselijke discotheek waar ik in een alfabetische discipline door de bakken klassieke muziek ploegde. Ik ben uiteindelijk tot bij Zimmermann geraakt, maar geen letter heeft me langer in de ban gehouden dan de B. De eerste grammofoonplaat die ik zelf kocht was een compilatie van solowerken van Bach voor cello, fluit en viool op het obscure label Sastrophon. Ontelbare keren heb ik naar die werken geluisterd, tot ik er met genoegen naar kon luisteren. Ik weet nog steeds niet wat me dreef, maar de liefde voor Bach is nooit meer getaand en zijn werk heeft mee mijn leven en werk bepaald.

Aan opzettelijk moeilijk doen daarentegen heb ik een grondige hekel. U mag het als de hoogste graad van clementie beschouwen dat ik dat soort pochers niet zwart op wit in een alfabetisch lijstje vermeld met naam en toenaam.

Maar, genoeg gelachen. Voor cultuur moet je moeite doen, voor kunst in de zin van toplaag van cultuur moet je soms veel moeite doen. Vergelijk het met tomaten. Om mooie tomaten te kweken, moet je ze in cultuur brengen. Moeite doen, met andere woorden. Maar die inspanning loont. De vruchten smaken verrukkelijk.

Katleen Van Langendonck

(Theaterwetenschap Universiteit van Antwerpen)

ZIJ – (…) Wittgenstein zei: men heeft jullie tennisballen gegeven en, met de ballen, de spelregels. En u merkt vervolgens dat de andere ballen niet gebruikt worden als tennisballen maar als stukken van een schaakspel of als elementen van een puzzel of als draden van een tapijtwerk. Dat zijn dan nog de spelen die u kent en kan ontrafelen. Stel u voor dat het spel dat de andere speelt onontcijferbaar is en dat hij die ballen gebruikt op een manier die u volslagen zinloos lijkt.

HIJ – Dan houdt u toch gewoon op met hem te spelen!

ZIJ – Helemaal niet. Het gaat hier om het interessante bij uitstek. Het is aan u om replieken te verzinnen die overeenstemmen met de raadselachtige boodschappen.

(Jean-François Lyotard in ‘Over het interessante’, Kritak, 1993, Antwerpen 93, Vertoog en Literatuur)

Moeiteloze voorstellingen spelen een balletje tennis met tennisballen. Moeilijkere voorstellingen spelen schaak met de tennisballen. Moeilijke voorstellingen lijken een onontcijferbaar spel te spelen. Hier heb je de keuze: kies je voor de onverschilligheid en dus de verveling, of probeer je mee te spelen in een onbekend spel? Zolang je je niet waagt aan de ontcijfering blijft het moeilijke oninteressant. Pas in de reflectie achteraf, in het schrijven over, blijkt soms hoe moeilijk of gemakkelijk een voorstelling was.

Er is een groot verschil met het geschreven woord. Een tekst is moeilijk als ik hem twee, drie, vijf, tien keer moet herlezen, telkens denk dat ik de oplossing gevonden heb, dat ik begrijp, om daarna te beseffen dat mijn oplossing niet de juiste was. De theaterbelevenis is echter wezenlijk éénmalig. Wellicht zouden sommige voorstellingen niet moeilijk zijn als je ze meerdere keren zou beleven. Voorstellingen waarbij je als toeschouwer tijdens de act van het kijken moet kiezen wat je niet bekijkt en wat wel, zoals vaak in het werk van Forsythe, zouden dan laag per laag ontrafeld kunnen worden, met telkens een andere focus.

Als er geen enkel aanknopingspunt is met een bestaand interpretatiekader, is iets dan moeilijk of on(be)grijpbaar? Men gaat in een welbepaald esthetisch kleedje naar een voorstelling en als blijkt dat men niet de juiste outfit aanheeft, trekt men vaak meteen alles uit en ruilt men ‘esthetiek’ in voor ‘leven’, ‘waarheid’ en ‘authenticiteit’. Denk aan de reacties op The Performance Group van Richard Schechner of Living Theater in de jaren zestig, of aan die op het zintuiglijk en individueel ervaringstheater nu (Peter Verhelst, Felix Ruckert, Ontroerend Goed,…).

Iets is steeds moeilijk voor iemand. Zo vind ik het werk van Raimund Hoghe, Kinkaleri of Deufert en Plischke vaak moeilijk. Romeo Castellucci vind ik moeilijk in de twee betekenissen van het woord: niet enkel ‘alleen met inspanning volbracht kunnen worden’, maar ook soms ‘aanleiding geven tot bezwaren’. Ik had moeite met de huilende baby in Tragedia Endogonidia 04. Brussel, vond het moreel verwerpelijk maar esthetisch interessant: waarom blijf je stil op je plaats zitten terwijl heel je lichaam schreeuwt om die baby op te pakken of om de zaal te verlaten? Waarom geef je toch een staand applaus aan het eind?

De avant-garde imiteert de procédés van de kunst en kitsch imiteert haar effecten, zei Greenberg ai in 1939 in zijn essay Avant-garde en kitsch. Het narratieve en de identificatie zit bij gemakkelijk werk al in het kunstwerk zelf. Bij moeilijker werk is het een projectie van de toeschouwer, een reflectie achteraf, na de onmiddellijke indruk die de plastische, muzikale of theatrale waarden nalaten. Kitsch, zegt Greenberg, spaart moeite uit. Het ‘zorgt voor een binnenweg naar het genot van de kunst maar moet daarbij een omweg nemen om het noodzakelijk moeilijke van echte kunst heen’.

vertaling Daniëlle de Regt / Elke Van Campenhout

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 20 — 23 minuten

#102

15.06.2006

14.09.2006

Bojana Cvejić, Elke Van Campenhout

Bojana Cvejić is performancekunstenares, dramaturge en theoretica. Ze is doctor in de filosofie en publiceerde verscheidene boeken, waaronder Choreographing Problems (Palgrave, 2015). Cvejić doceert aan P.A.R.T.S. sinds 2002 en is Associate Professor of Dance Theory aan de KHIO Oslo Academy of the Arts.

Elke Van Campenhout is redacteur van Etcetera, is freelance publicist voor diverse kunsttijdschriften, en werkt als curator en dramaturg.