© Michiel Hendryckx

Gilles Michiels

Leestijd 3 — 6 minuten

Waar we over spreken als we over ironie spreken

Beste Wannes, Dankjewel voor je aanzet tot dialoog, die ik bij deze aangrijp om een aantal passages uit mijn recensie toe te lichten. Je brief mag dan aan Etcetera gericht zijn, als recensent neem ik graag persoonlijk de verantwoordelijkheid op voor mijn kritiek. Al is het ergens ook niet fair – zo intensief één kritiekpunt toelichten over een voorstelling die ik zeker gedeeltelijk geslaagd vind.

Vooreerst wil ik iets uitklaren. De ironiekritiek in mijn recensie is geenszins gericht aan jullie oprechtheid ten opzichte van de geformuleerde proposities in de voorstelling. In de eerste plaats hekelt ze een bepaalde doorzichtigheid, die blijkbaar doelbewust is ingezet.

The Big Drop-Out presenteert zichzelf als een parabel en je zou kunnen zeggen dat doorzichtigheid eigen is aan het genre, dat op een gelijkenis is gestoeld. Parabels scheppen afstand, ze lijken bij aanvang vreemde verhalen, die net daardoor de aandacht van een publiek trekken, dat vervolgens het vreemde dichterbij haalt om verder te denken over de werkelijke kern, doorgaans de (morele) vragen die het opwerpt. Zoals in de Bijbel: “Wat denkt u hiervan? Wie van de twee heeft de wil van de vader gedaan?”

Wat ik in de voorstelling van Hof van Eede mis, is dat ‘vreemde’, dat ongrijpbare element, de fictie die op zichzelf mag staan vóórdat (en nadat) die vragen tot mij komen. Daarmee wil ik niet gezegd hebben dat een traditioneel psychodrama de voorkeur moet krijgen op een mengvorm van fictie en essay, wel dat die cocktail hier volgens mij onevenwichtig is, omdat het essay de fictie domineert, die als middel lijkt ingezet.

(Misschien zegt die kritiek iets over mijn leesbril. Theater is door haar voorbijgaande aard een kwetsbaar medium – het glipt door onze vingers terwijl we ernaar kijken. Als theaterrecensent vraag ik me dikwijls wat er precies voor zorgt dat ik een voorstelling ‘meeneem’, dat ik terugkeer naar die momenten van begrip, openbaring, verrassing, ontwrichting of overweldiging die me de aanzet gaven en geven tot een interpretatie. Het zijn die momenten waarop het ‘vreemde’ betekenis krijgt, ideeën in een specifieke theatervorm zijn gevat waardoor ze me (soms maar even) als ‘nieuw’ toeschijnen. Ze staan me toe om een afgesloten theaterstuk opnieuw te openen, de puzzelstukjes bij elkaar te leggen, zelf aan de slag te gaan.)

Als ik naar The Big Drop-Out kijk, zie ik een voorstelling die te intelligent wil zijn, die alles voor zijn publiek heeft berekend en zijn ideeën bij monde van de personages netjes tegenover elkaar poneert. Daardoor krijgt ze tussen alle intellectuele rijkdom een ietwat tweedimensionaal karakter – er viel voor mij als kijker weinig te ontdekken, ik stootte meteen op het raamwerk.

Ironie, stel je in jouw reactie, draait op ‘incongruentie’ – “de onmogelijkheid om de taaluiting te verenigen ofwel met de context (…), het èthos van de spreker, of de algemeen geldende normen en waarden.” Ik kan me vinden in die definitie, maar wil wel aanstippen dat de ironie hier niet ontstaat door makers die alles kapot relativeren of zich zouden distantiëren van de contrasterende ideeën die ze uitspreken. Veeleer is ze te wijten aan de gekozen theatervorm – niet zomaar een metatheater, maar een metatheater boven een fictie die nooit écht als fictie gold. Alsof de ‘lege ruimte tussen de lijnen’ die Agnes op haar schilderij als essentie aanduidt, al op voorhand wit is geverfd.

De incongruentie in The Big Drop-Out is dat ze haar overkoepelend, allesoverheersend bewustzijn – ‘we weten dat dit theater is’ – ent op iets wat altijd al als een berekening oogde, een achterliggend schema waarin een berg vooral ‘een plaats van afzondering’ moet zijn, Anna ‘een activiste’, Bas ‘een ondernemer’.

Dat kader maakt het moeilijk om me te laten verrassen door de voorstelling, of om de aanwezige inzichten enigszins als nieuw te percipiëren. Zoals personages als Mitch hun hyperbewustzijn niet omgezet krijgen in de creatie van iets nieuws, zo kampte ook de opvoering in mijn ogen met een teveel aan metareflectie en een tekort aan verbeelding.

Op basis van Agnes’ befaamde sleutelzin – “We imiteren hetgeen we vrezen” – concludeert Evelyne Coussens in De Morgen dat jullie misschien net dat doen: het imiteren van de witte geprivilegieerde mensen die jullie (en ik, en het gros van het theaterpubliek) zijn. Of zoals je zelf aangeeft: het representeren van de posities van hoop en wanhoop waarmee jullie als mensen en theatermakers worden geconfronteerd.

Mijn ironiekritiek, om samen te vatten, is gericht aan de manier waarop de verschillende posities op scène worden gebracht, gerepresenteerd door evenveel personages, met als gevolg dat de onverzoenbaarheid nooit als theatraal drama werkt. Zo ontstaat er dus wel degelijk een incongruentie: een tussen de afwezigheid van ‘theater’ en de aanwezigheid van een metatheatrale laag die eigenlijk zo’n drama veronderstelt om zichzelf te rechtvaardigen. Waar verwijst dat meta – zonder theater dan naar? Alleen naar zichzelf?

Met vriendelijke groeten,

Gilles

open brief
Leestijd 3 — 6 minuten

#158

15.09.2019

14.12.2019

Gilles Michiels

Gilles Michiels recenseert theater voor De Standaard en Etcetera, is lid van kunstkritiekcollectief De Zendelingen, redacteur bij rekto:verso en hoofdredacteur van OPENDOEK-magazine.

open brief