FRANÇOIS BEUKELAERS

Marc Didden

Leestijd 11 — 14 minuten

Wie vindt dat hij niets meer kan bijleren, moet maar op zijn sokkel gaan staan

Laten we deze bijzonder bicommunautaire bijdrage maar eens beginnen met een bijzonder Franstalig citaat: ‘Qu’est-ce que l’art dramatique? C’est la communication d’une image de la vie en action, projetée à l’état naissant dans l’espace présent et le temps actuel devant un rassemblement humain par un imagier dénommé acteur, maître du jeu.’ Van Herman Teirlinck. En om over na te denken.

Theater- en filmacteur, maar ook regisseur en pedagoog, en ei zo na architect François Beukelaers faxt me de tekst door, enkele dagen nadat ik anderhalf uur lang met hem gepraat had over hoe het Nederlandstalige en het Franstalige theater zich in Brussel tegenover elkaar gedragen en hoe hijzelf, die koorddanst op de scheidingslijn van beide culturen, zich tot allebei verhoudt.

De naam van Herman Teirlinck valt meer dan eens, die middag. Omdat Beukelaers bijvoorbeeld al in 1957 onder o.a. Teirlinck voor bouwkundige ging studeren aan de Brusselse kunstacademie van La Cambre. En omdat diezelfde Teirlinck, nadat Beukelaers aan La Cambre een studententoneel opgezet had, hem adviseerde naar Antwerpen te verhuizen en aan de Studio van het Nationaal Toneel te gaan studeren… waar hij opnieuw les kreeg van Teirlinck.

In 1965 debuteerde François Beukelaers als professioneel regisseur bij de Antwerpse KNS met Our Town van Thornton Wilder. Hij zou tot 1972 bij de Antwerpse theatertempel werken, terwijl hij hele generaties toneelspelers hielp opleiden aan dezelfde Studio waar hij zelf gestudeerd had. Daarna dook hij regelmatig op in tv-drama en speelfilms (ikzelf had de eer hem te leren kennen toen ik als volslagen debutant hem vroeg voor mijn eerste film, Brussels By Night, een avontuur waar hij zich roekeloos in stortte en waar ik hem eeuwig dankbaar voor zal zijn).

De jongste jaren staat hij, zowel in Kortrijk als in Luik en overal daar middenin, bijvoorbeeld in Brussel, weer regelmatig op de planken. Terwijl hij zijn onderwijsopdracht in Antwerpen ingeruild heeft voor de regieopleiding van de Franstalig Brusselse toneelschool INSAS.

Omdat François iemand is die van een directe aanpak houdt, lag onze eerste vraag helemaal in die lijn.

Etcetera: François, kan jij, zo voor de vuist, op basis van je ervaring in zowel het Franstalige als het Nederlandstalige theater, een aantal fundamentele verschillen opnoemen tussen heide modellen?

Beukelaers: Ik denk van wel, ja. Omdat er eigenlijk maar één echt fundamenteel verschil is, en dat zit namelijk bij de acteur. Die is in Vlaanderen werkelijk totaal verschillend van zijn collega in Franstalig België. Het is heel vreemd, maar het is zo. Ik merk het voortdurend, of ik nu als regisseur, acteur of docent aan het werk ben en er dus dagelijks mee geconfronteerd word. Vlaamse acteurs brengen andere dingen mee naar de repetitie dan die uit Wallonië of Brussel. Vlaamse acteurs werken niet in de veronderstelling dat ze voortdurend met een meesterwerk bezig zijn of zo. Ze lijken ook niet verlamd door het respect voor literatuur, waar zo’n theatertekst voor de Franstaligen toch nog altijd bijhoort. Ze investeren zich op een heel andere manier in een voorstelling. Ze beginnen de zoektocht naar oplossingen vaak bij zichzelf. Dat resulteert uiteindelijk en uiteraard in een ander soort voorstellingen, die ze ons in Wallonië en in het buitenland vaak benijden. Onze acteurs zijn vrijer, denk ik, minder gecomplexeerd, en vaak ook frisser. Het Franstalige theater is in regel nogal laborieus…

Etcetera: Ik ervaar wel eens dat Franstalige acteurs niet gewoon zeggen dat ze aan ‘t repeteren zijn maar wel dat ze met ‘un travail sur Brecht’ bezig zijn, enig wenkbrauwgefrons incluis.

Beukelaers: Dat klopt. Ze gaan er anders tegenaan staan, tegen dat werk. Het moet bij hen altijd over de grote universele gevoelens gaan, over grote teksten, terwijl wij bij ons ook met heel kleinschalige dingen kunnen bezig zijn. Thema’s die regionalistisch kunnen lijken op het eerste gezicht maar die dan, kijk maar naar Arne Sierens, uiteindelijk toch de hele wereld rondtoeren. Dat is het verschil.

Etcetera: Hoe vang jij dat verschil op als je bijvoorbeeld zelf een stuk van Jean-Marie Piemme regisseert in het Brusselse Théâtre Varia en wat later in zijn Zwak/Sterk speelt voor de Blauwe Maandag Cie?

Beukelaers: Dat is een goede vraag. Ik zit daar ook mee. Zwak/Sterk, dat geregisseerd werd door de toch wel begaafde Philippe Sireuil, is bij de Blauwe Maandag niet echt een reussite geworden omdat Sireuil er niet in geslaagd was tot de ziel van die Vlaamse acteurs door te dringen. Je moet met dat acteurskapitaal als regisseur inderdaad anders omgaan dan met een Brussels, Waals of Frans gezelschap. Mensen als Els Dottermans of Guy Van Sandehadden dingen te bieden waar hij niets mee kon aanvangen. Hij bracht een intellectueel goed onderbouwd concept mee dat acteurs bij wijze van spreken maar moesten inkleuren. Zo’n concept is per definitie abstract, terwijl wat die Vlaamse acteurs doen per definitie concreet is. Dat werkt dus niet, of zeer moeizaam. Wat tot een onbevredigende voorstelling leidt. Omdat de regisseur in dat soort theater met een inhoud -het stuk van Piemme- en een vorm -zijn concept- afkomt terwijl die Vlaamse acteurs vanuit die inhoud, via hun werk, hun eigen inbreng, hun vraagstelling -wat kom ik in dit verhaal doen?-tot een vorm willen komen.

Etcetera: Vergelijk dan eens, voor wie geen van beide voorstellingen gezien zou hebben, Zwak/Sterk, met het origineel Café Des Patriotes, dat overigens later gecreëerd werd?

Beukelaers: Zwak/Sterk was een buitengewoon brutale voorstelling die in brokken over de toeschouwer werd uitgebraakt, maar ondanks haar mankementen toch heel dicht stond bij wat Jean-Marie Piemme wilde vertellen, denk ik. Terwijl Café Des Patriotes in de Varia een mooie, goed gestructureerde vertoning was die echter het voetlicht nooit passeerde. Ik, en samen met mij ook het hele publiek vrees ik, liep gewoon verloren in die voorstelling, precies omdat ze nooit concreet werd. Van de Vlaamse acteurs kreeg je een slag in je gezicht, van de Franstalige kreeg ik helemaal niks.

Teirlinck

Etcetera: Even naar de pedagogie graag. Je hebt, onder Herman Teirlinck himself nog, aan La Cambre gestudeerd en aan de Studio van het Nationale Toneel, te Antwerpen. Daarna ben je aan die Studio jarenlang les gaan geven en nu doe je hetzelfde aan de Brussels Franstalige toneelschool INSAS. Voel je die fundamentele verschillen tussen spelers uit het Zuiden en het Noorden ook daar al aan?

Beukelaers: Eer ik daar kan op antwoorden moet ik eerst iets over mezelf vertellen: ik heb in 1972 Antwerpen en het Vlaamse theater verlaten om in Brussel te gaan werken. Ik was toen weggegroeid uit het louter verbale theater en ik voelde bij Franstalige theatermakers dezelfde behoefte om meer beeldend, meer ruimtelijk te gaan werken. Niet altijd van een bestaand stuk te vertrekken, of eerder met het stuk van een levende dan van een dode schrijver… Daar was een grote openheid tegenover iemand als ik, die toch eigenlijk een outsider was. En er was de stroming die ze later Le Jeune Théâtre zijn gaan noemen en die eigenlijk niks anders was dan een verzet tegen het soort theater dat Jacques Huisman bracht in het Théâtre National.

Etcetera: Jerzy Grotowski, Eugenio Barba, het Bread and Puppet Theatre, het Living Theatre van Julian Beck en Judith Malina waren ondertussen ook in Brussel gepasseerd…

Beukelaers: Zeer zeker. Er stonden dingen te gebeuren, dat voelde je zo aan. Maar die buitenlandse invloeden werden door Brusselse theatermakers toch ook weer vanuit hun diep door Frankrijk beïnvloede cultuurervaring beleefd. Ik was naar Brussel gekomen omdat ik het ‘normale’ theater, dat ondertussen synoniem geworden was van ‘dode’ theater, wel bekeken had. In de KNS had Bert Van Kerkhoven mij wel de kans gegeven John Arden te regisseren, en Walter Tillemans gooide er zich op Brecht, maar Van Kerkhovens opvolgers Lode Verstraete en Domien De Gruyter hebben dat elan erg snel gebroken, of zeg maar de nek omgedraaid, zodat ik wel elders mijn geluk moest gaan zoeken…

Etcetera: Maar je bent wel in Antwerpen hele generaties studenten blijven opleiden, waarvan nu nog mensen als Dirk Roofthooft, Johan Leysen, Herman Gilis, Gene Bervoets lopen te schitteren…

Beukelaers: Ik ben dat tot in het begin van de jaren ’90 blijven doen, altijd volgens de principes van Herman Teirlinck die -men beseft dat niet genoeg- zowat de enige mens was in Europa die gaan zitten was om de beginselen van de Dramatische Kunst eens op papier te zetten. En ik beweer dat je tot op vandaag de dag voelt dat het Franstalige theater in ons land geen Teirlinck heeft gehad. Ja, Jo Dua, een Vlaming, die ook onder Teirlinck gestudeerd had, heeft lange jaren de acteursopleiding van het INSAS recht gehouden, maar zo’n fundamenteel werk als bij ons met de Studio in Antwerpen is nooit gebeurd. Teirlinck leeft natuurlijk ook door in iemand als Dora Van Der Groen, die hem wellicht het best begrepen heeft van ons allemaal, en daarom jarenlang zo’n schitterende actrice en pedagoge is geweest.

Etcetera: Zegje nu met evenveel woorden dat het feit dat wij nu in Vlaandereneen kwalitatief hoogstaand theatergebeuren hebben aan Teirlinck en zijn discipelen te danken is?

Beukelaers: Dat is zeker één van de redenen. En ik vind ook dat wij bijzonder trots mogen zijn op de gemiddelde kwaliteit van onze voorstellingen. Het is niet voor niets dat wij, ook op het gebied van dans en muziektheater, op alle podia van de wereld thuis zijn. Dat succes kan je niet aan de hand van één enkele gebeurtenis duiden, dat komt vooral door het openbreken van al die disciplines, het ruime denken dat in veel van die Vlaamse producties zit… Geloof me vrij dat veel van mijn Waalse vrienden met lede ogen toezien hoe weer eens een Vlaamse groep zijn opwachting maakt in het Théâtre de la Ville van Parijs of op het festival in Avignon.

Etcetera: Ik kan me niet indenken dat de theaterleraar François Beukelaers een andere pet opzet wanneer hij Vlaamse of Waalse aspirant-theatermakers toespreekt. Hoe pak je dat blijkbaar toch intrinsiek aanwezige verschil tussen die mensen aan?

Beukelaers: Ik ben inderdaad wie en wat ik ben en als ik rond een leestafel zit of in de ruimte ga werken vertel ik aan beide soorten studenten hetzelfde. Maar wat ze ermee aanvangen verschilt natuurlijk. Ook al omdat in zo’n groep aan het INSAS ook vaak behalve Walen en Brusselaars ook nog Fransen, Zwitsers, Canadezen, Polen of Afrikanen kunnen zitten, terwijl er bij de Studio qua exotica hoogstens af en toe een Nederlander verschijnt.

Etcetera: Die in het beste geval Vondel van zijn schouders moet schudden, terwijl al die francofonen met Racine, Molière, de Musset moeten afrekenen. Hoe zwaar weegt die klassieke erfenis eigenlijk op de zuiderburen?

Beukelaers: Zwaar, denk ik. Zij hebben eigenlijk in hun maag toch allemaal ergens een niet verteerde bibliotheek zitten. En ze doen daar ook niets mee. Als je een echt goeie voorstelling van Le Cid wil zien, kan je beter naar Amsterdam trekken, vrees ik, dan naar Parijs, omdat Gerardjan Rijnders daar iets mee doet wat ze in Parijs niet kunnen bedenken. Wij kunnen die historische last niet helemaal inschatten, denk ik, maar zij krijgen dat, de Fransen zeker, van in de middelbare school in hoge dosissen toebedeeld, met een saus van saaiheid erbovenop, en er wordt van hen echt onderdanigheid tegenover ‘le texte’ vereist waar ze, zoals we bij het begin van dit gesprek al zegden, maar moeilijk van los komen. Zij hebben lang gezegd ‘le théâtre c’est le dire’, en ze hebben dat geloofd ook, wat zicht wreekt, natuurlijk.

Referenties

Etcetera: Ik heb de indruk dat als Fransen een stuk van David Mamet, Harold Finter of Thomas Bernhard spelen het nog altijd klinkt als Racine…

Beukelaers: Dat is ook zo. En nogmaals: een Franstalige acteur die in een stuk terechtkomt, stelt zich ten dienste van een auteur en een regisseur, een Vlaamse acteur vraagt zich af: ‘Wat moet ik hiermee? Wat betekent dit voor mij? Wat kan ik hierover meedelen?’ Een jonge Vlaamse acteur komt zo’n repetitielokaal ook binnen met allemaal andere referenties dan zo’n jonge Franstalige: Harry Mulisch, Willem Frederik Hermans, Remco Campert, Hugo Claus, de BBC, Harry Potter, Monty Python, Humo, VTM, Koot en Bie, In de Gloria, Angelsaksische films en muziek, dat soort dingen. Die zitten in het hoofd van een jonge Vlaming, die vormen mee zijn background, terwijl voor zo’n jonge Franstalige het licht, of hij dat nu wil of niet, toch altijd nog in Parijs brandt. Met het gevolg dat veel van die jonge studenten aan het INSAS ook bijzonder weinig voorstellingen gezien hadden. Terwijl die jonge Vlamingen toch tenminste The Wooster Group zijn gaan bekijken, of Hollandia. En zich kunnen optrekken hebben aan het welslagen van bijvoorbeeld Tg Stan, conservatoriumstudenten die besloten hebben na hun toneelstudies zelf een gezelschap op te richten en daar op wonderlijke wijze in geslaagd zijn. Zo’n voorbeelden stimuleren. Aan de andere kant is er lange tijd alleen maar het Théâtre Varia geweest waar toch interessante dingen gebeurden. Veel van die mensen van de Varia zijn ook doorgestroomd naar de pedagogie. Wat stimulerend kan werken, maar ook beperkend…

Etcetera: Zoals op een bepaald moment de hele Blauwe Maandag op collectieve wijze docent bleek te zijn aan de Antwerpse Studio.

Beukelaers: Precies. Maar ik wil ook iets corrigerends zeggen. Wat ik wèl voel als ik met Franstaligen werk, is dat ze eigenlijk altijd bezig zijn voor 60 miljoen mensen, terwijl de Vlamingen met die 5 miljoen van hier tevreden lijken te zijn. Vlamingen spelen precies altijd voor hun familie, Walen -in hun hoofd toch- voor de wereld. Terwijl de paradox dan weer is dat het in werkelijkheid misschien net andersom is, en de Walen heel lokaal bezig zijn terwijl de Vlamingen de wereld rondtrekken. Ik stel in ieder geval vast dat de interessantste francofone theatermakers gefascineerd zijn door wat er in Vlaanderen gebeurt en niet zelden op een plek als het Lunatheater gesignaleerd worden, vaak vol van bewondering. Ik heb zelf Franstalige studenten wier droom het is bij een Vlaamse groep te spelen. Sommigen zitten al bij Leporello, of bij Wim Vandekeybus.

De buik

Etcetera: Wat zoeken ze daar?

Beukelaers: Een beleving van het theater die je nog het best zou kunnen omschrijven als ‘rough’. Ze vinden dat het er bij hen nog altijd te afgeborsteld aan toegaat, te clean, te literair, terwijl ze bij ons de vitaliteit bewonderen, het schijnbaar ruwe, het ‘vanuit de buik’-gevoel, waar de Nederlanders ons ook zo om benijden.

Etcetera: Het soort ruwheid dat ook in je werkvoorstellingen zat, zoals je die jarenlang in de Studio hebt gepresenteerd. Hoe kijk je daar nu zelf op terug? Ik vond ze toen in ieder geval fantastisch, maar weet eerlijk gezegd niet of ik dat nu nog zou vinden.

Beukelaers: Ik maak nog wel eens zo’n voorstelling in het INSAS, daarom hebben ze me er destijds trouwens gevraagd, en het zijn natuurlijk ondernemingen die heel erg kunnen lukken maar ook heel erg de mist kunnen ingaan, omdat je heel weinig elementen hebt om je aan vast te houden als het fout gaat. Maar ik zou ze voor geen geld ter wereld willen missen hebben. Het vrijheidsgevoel dat je ervaart bij zo’n voorstelling en aan het eraan voorafgaande proces is enorm. Meemaken hoe acteurs als Herman Gilis je na weken nog kunnen verrassen, dat was geweldig. Ik herken die vrijheid ook nog wel in de voorstellingen van Jan Fabre en vooral Wim Vandekeybus. En ik herken ze ook in mijn werk met de studenten van het INSAS, voor wie het om een nieuw soort van werken gaat.

Etcetera: Iets anders. Bestaat er enerzijds nog altijd bij iedere Franstalige, dus ook Belgische acteur zo’n droom van ‘monter à Paris’? En anderzijds: heeft Parijs een beeld van wat er hier in het Franstalige theater gebeurt?

Beukelaers: Om op je tweede vraag eerst te antwoorden: Parijs heeft geen boodschap aan wat er buiten Parijs gebeurt, ook niet aan wat er in de Franse provincietheaters gemaakt wordt, al is dat vaak zeer interessant werk. Het Franstalige Belgische theater bestaat niet in Parijs, het Vlaamse heeft, daar hadden we het daarnet al over, zijn kanalen: behalve Jan Lauwers, Jan Fabre, Alain Platel en Arne Sierens, staan ook Tg Stan en Dito’Dito daar regelmatig, wat fantastisch is voor die mensen. Toch is voor veel Franstalige acteurs, regisseurs, schrijvers het in Parijs maken nog altijd de ultieme droom. Maar op dat moment gaan ze echt in dezelfde vijver vissen als de Franse theatermakers en daardoor zijn ze in zekere zin minder welkom. Ik ben zelf ooit gevraagd voor een voorstelling van André Engel. Ik voelde met mijn ellebogen aan dat me dat door mijn Parijse theatervrienden niet onmiddellijk in dank werd afgenomen.

Etcetera: Er zijn nu en dan pogingen om in het theater met Vlamingen en Walensamen te werken. Het BKT heeft vroeger samengewerkt met het Atelier Sainte Anne, zij het in een woordenloos stuk van Handke, het NTG en de Varia hebben onder jouw impuls een poging gedaan, Dito’Dito werkt nauw samen met transquinquennal. Vind je dat zinvol?

Beukelaers: Natuurlijk is dat zinvol. Met andere mensen samenwerken is echt de essentie van het theater. Daar doen we het toch eigenlijk voor?! En het werk dat Willy Thomas doet met Dito’Dito is bijzonder zinvol. De openheid die zo iemand creëert, de bruggen die zo geslagen worden, zullen voor een groot deel het gezicht van het theater in een stad als Brussel bepalen, denk ik. Ik zou het dan ook niet meer dan logisch vinden dat een figuur als Willy Thomas straks aan het hoofd van iets als de KVS zou staan. Hij zou dat zeer goed doen, daar ben ik van overtuigd. Omdat Willy Thomas een theatermaker is die zichzelf en het theater en de wereld voortdurend in vraag stelt. En hij kijkt naar de toekomst en dat is essentieel in het theater. Wie zich alleen met het verleden bezighoudt, is al dood. Er is maar één wet in het theater waarin ik echt geloof en dat is: als je oud bent moet je ermee stoppen.

Etcetera: Oud in je hoofd, bedoel je?

Beukelaers: Natuurlijk. Als je refuseert wat de jeugd doet, als je niet meer mee kan of wil, als je de ramen sluit voor wat er buiten gebeurt, als theater geen avontuur meer is, maar alleen werk, dan moet je ermee ophouden. Wie vindt dat hij niets meer kan bijleren, moet maar op zijn sokkel gaan staan. Maar als artiest heb je dan voor mij geen recht van spreken meer. Waarom ik zo’n groep als Tg Stan zo enorm bewonder, is omdat ze mij doen inzien hebben dat de inhoud van een voorstelling ontzettend veel belangrijker is dan de vorm. Ik word zo moe van al die trucs met belichting en glijdende decorelementjes en flashy kostuums waar zoveel theater nog op drijft en ik ben blij als ik vier goede acteurs een goede tekst op een goede manier hoor en zie spelen. En ik ben vooral blij dat er in Brussel eindelijk wat goed Nederlandstalig theater te beleven valt, want daar is de hoofdstad van ons land jarenlang van gespeend geweest.

Etcetera: Wij zijn blij met jou, François. Bedankt voor dit gesprek.

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 11 — 14 minuten

#77

15.06.2001

14.09.2001

Marc Didden