© Lieselotte De Keyzer

Leestijd 7 — 10 minuten

Aggressively Modern Times – Ferre Marnef

Het clowneske geluid van de productiviteit

In Aggressively Modern Times heeft Ferre Marnef een aantal performers verzameld, met erg uiteenlopende achtergronden, en samen hebben ze gekeken naar Charlie Chaplin, the Marx Brothers en andere vintage comedy (en ook veel andere dingen, vermoedelijk). Dat levert, na amper een maand maken en repeteren een hilarisch ‘performatief concert’ op, dat, bij elk nummer begint met one-two-three-four en afsluit met thank you. Is dit nu neo-dada of bijtende satire? Onnozel of vindingrijk? Toneel of muziek? Alles tegelijk en niets van dat alles, maar vooral grappig en to the point. Een theatrale versie van Captain Beafheart, of zoiets. Zonder meer rock’n’roll. You are a great audience!

Het publiek komt binnen, het werklicht is nog aan (en zal ook niet uitgaan) en je hoort het gemekker van geiten, in subtiele surround. Het openingsbeeld van Charlie Chaplin’s Modern Times (1936) is een kudde schapen: vandaar. De spelers komen op, kiezen een plaats op de scène, knikken naar het publiek. Op de grond plakken hun setlists. Ferre Marnef, de frontman, begroet ons met een simpel “Brussels”. Behalve enkele trommels, over de scène verspreid, wijst niets op een ‘normaal’ concert, met muziek. Er slingeren ook schuimrubberen replica’s van die trommels rond. Verder hangen er enkele batterijen spots (die niet zullen aangaan) en geavanceerde geluidsboxen. Deze opstelling – meer repetitielokaal dan schouwtoneel – is gekopieerd op een achtergronddoek, waarvan een stuk ook opgetrokken kan worden. Daarachter hangt een grote rol die langzaam afrolt – Marnef noemt het een “kebabrol” – en waarop teksten geplakt zijn aan beide kanten. Je krijgt dus, de voorstelling lang, een soort manifest te lezen, waarover straks meer. Marnef kondigt een song aan met een lange moeilijke titel (‘The Traditional Scientific Newtonian Clockwork Universe’, het lijkt wel Flaming Lips), en dan volgt one-two-three-four. Vijf spelers bewegen zich, schijnbaar half slapend, over de scène met elk een trommel tegen het lichaam geklemd. Soms versnellen ze, met kletterend lawaai, soms liggen ze stil, hoogstens enkele spasmen.

Ondertussen heeft de ‘kebabrol’ de voorstelling aangekondigd: “Aggressively Modern Times. A story of industry, individual enterprise – humanity crusading in the pursuit of happiness.” Dat is exact de tekst op de pancarte waarmee Chaplins Modern Times opent, toen al ironisch. Maar behalve een choreografische variatie op de beroemde raderwerkscène zal de film verder niet geparafraseerd worden door Marnef en de zijnen. We krijgen tien ‘songs’ te zien en te horen, met onhandige aftrekkers om een plas water te verwijderen, met buizen en ballonnetjes die als doedelzakken klinken, met een drumstel dat op een zéér ambachtelijke rolband verplaatst wordt, en nog meer dadaïstische vindingrijkheid. Alsof we teruggekeerd zijn naar honderd jaar geleden, naar het Cabaret Voltaire, naar een performance van Emmy Hennings en Hugo Ball. Toen avant-garde kunst nog een onmiskenbaar punt kon maken. Tegelijk heeft de sobere, opzettelijk schrale vorm ook iets van de liefde voor de simpelste voorwerpen, die iemand als Benjamin Verdonck altijd uitstraalt.

“We krijgen tien ‘songs’ te zien en te horen, met onhandige aftrekkers om een plas water te verwijderen, met buizen en ballonnetjes die als doedelzakken klinken, met een drumstel dat op een zéér ambachtelijke rolband verplaatst wordt, en nog meer dadaïstische vindingrijkheid.”

Maar Agressively Modern Times is veel meer dan een knutselvoorstelling. De achterliggende idee, die ook op de kebabrol met korte aforismen uitgesproken wordt, is de precariteit van de (podium)kunstenaar vandaag. Zelfs als die zich in alle mogelijke media en genres beweegt en daar zeer hard werkt, blijft diens situatie vaker wel dan niet penibel. Marnef is zelf én theatermaker én muzikant én designer, en ook de andere spelers kleuren niet binnen de lijntjes van het toneel, vrijwillig en uit materiële noodzaak. Jeroen Van der Ven is nog het meest acteur zonder meer (film, TV, theater), Femke Ghijselinck is danseres en choreografe, Maya Mertens speelt toneel en muziek (als ‘vieze meisje’), Lawrence McGuire is vooral geluidskunstenaar. Ze verkennen (en overschrijden) hun grenzen, subtiel zichtbaar, wat een vreemd ensemblespel oplevert, zoiets als de Velvet Underground maar dan met veel minder muziek. Het werklicht zet al de toon (geen geld voor lichtontwerp, maar ook gewoon overbodig), en de moeilijke verhouding van kunstenaars met prestaties – ‘output’ dus, een lelijk woord – wordt ook expliciet verbeeld.

Een naakte Marnef dwingt zijn spelers om instant lastige tekst te blokken, en wie faalt vliegt eruit – een parodie op Jan Fabre misschien, al is dat niet echt relevant. De blote man blijft alleen achter, vindt daar een paar veel te grote schoenen (maat 200?) waar hij gretig in stapt. Anonieme stage hands, hun hele lichaam in het zwart, moeten hem helpen, tot ze het beu zijn. Dan huilt hij, de keizer zonder kleren. Maar vervolgens moet de zaak wel betaald worden. Men stencilt ter plekke T-shirts met de opdruk ‘I love my job help me’, die worden verkocht, en je mag ook je eigen wit hemd laten bespuiten. Voordien hebben de spelers ons, publiek, ook actief aangemoedigd om te netwerken. Je zegt je naam, je zegt wat je doet, je (onbekende) buurman doet dat ook, je drukt elkaar de hand, en de spelers bevestigen plechtig dat je vernetwerkt bent. Neoliberale nonsens allemaal, kunstenaars als (gedwongen) ondernemers in marketing en consultancy, maar wel hilarisch, deze avond in Brussel.

De ‘kebabrol’ is, op een korte pauze na, de hele tijd blijven afrollen, soms synchroon met een ‘song’, soms ook niet. Het verband is niet direct helder, dat moet het ook niet zijn, het gaat wel allemaal over werk, artistiek of anderszins. De aforismen maken het zogenaamde professionalisme – ook zo’n neoliberaal waanbeeld – belachelijk: puntig-satirisch, zoals “Professionalism + Ego = Management” of “Professionalism + Silence = Burn-out”, schaamteloos sentimenteel, als in “They are freelancers / They are not forced / They are free / They are a team of friends / How many freelancers does it take to be free? / They are tired of having to become themselves / What will be your next project?”, maar ook direct en activistisch: “Abolish monopolies / Abolish all armaments / Abolish money / Abolish coordination of work / Abolish fear of difference / Abolish applications / Abolish machismo / Abolish coffee”.

“De arme kunstenaar – ook de persona van Charlie Chaplin als the tramp was dat enigszins – wordt hier een legitieme metafoor voor de modernistische aftakeling die honderd jaar later tegen een nog helser tempo voortschrijdt.”

De betreurde René Pollesch liet zijn spelers helemaal loos gaan in circusacts, scènes uit westerns, of naturalistische schetsen van de white trash, terwijl ze de gecompliceerde denkoefeningen van Gramsci, Lyotard of Žižek uitbraakten, grondige analyses van de vermarkting van gevoelens en begeertes. Nooit sloot het ene goed bij het andere aan, en in Aggressively Modern Times gebeurt iets vergelijkbaars: nummertjes op een setlist, met bedankjes na elke song, terwijl de theorie, poëtisch gebald, geluidloos leesbaar wordt. Je denkt ervan wat je wilt, je glimlacht, je verliest de tekst uit het oog (wat niet echt erg is), je leest nog wat verzen, terwijl de spelers bijna helemaal anoniem geworden zijn, in hun zwarte body suits.

Misschien ligt het te veel voor de hand om het allemaal te laten draaien rond het moeizame bestaan van de kunstenaar, alsof ze niet uit hun bubbel kunnen ontsnappen. De productie kreeg effectief enkel bescheiden financiële steun van de Brusselse VGC, plus tijd en ruimte bij Brusselse theaters. Maar de donkere ironie, de genadeloze zelfrelativering van hun eigen ‘professionalisme’ en de aanstekelijke présence van elke speler doen elke verdenking van egocentrisme vervluchtigen. De arme kunstenaar – ook de persona van Charlie Chaplin als the tramp was dat enigszins – wordt hier een legitieme metafoor voor de modernistische aftakeling die honderd jaar later tegen een nog helser tempo voortschrijdt.

Modern Times, de film, was een clowneske afrekening met de productiviteitsdwang van het crisiskapitalisme van destijds, Aggressively Modern Times, de concertante performance, doet niet veel anders, hoezeer de tijden ook veranderd zijn. Het is alsof ze een AI-hallucinatie met quasi uitsluitend analoge middelen – lichamen, stemmen, voorwerpen – naspelen, dat lijkt onschuldig, maar toch ook intriest. Modern Times eindigt met een briljante zingende en dansende act van the tramp met een pseudo-dadaïstische tekst. Tot de politie ingrijpt. Aggressively Modern Times eindigt ook met een abstract lied, geleend bij Glenn Branca, mooie close harmony. Tot AI ingrijpt, de stemmen vervormt en de fysieke zangers kunnen verdwijnen. Hun schuimrubberen instrumenten worden vacuüm getrokken tot minuscule hoopjes nietigheid. Intriest dus, en toch glimlachen we, na een fijne avond. We weten dat het over ons allemaal gaat.


De voorstelling speelt nog in Gent op 17 en 18 juni en in Antwerpen op 1 oktober.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#182

15.04.2026

14.09.2026

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans (1959) is Doctor in de Rechten. Hij werkt als docent en onderzoeker aan het RITCS. Hij is actief als dramaturg en regisseerde twee toneelstukken: Bulger (2006) en Sleutelveld (2009). In 2022 verscheen The Dramatic Society. Essays on Contemporary Performance and Political Theory, bij Routledge.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!