The House of Our Fathers / Mothers of Inventions © Needcompany

Erwin Jans

Leestijd 7 — 10 minuten

Vaders en moeders: inpakken!

Een reactie op Wouter Hillaerts recensie over The House of Our Fathers/Mothers of Inventions 

Ik zag de performance The House of Our Fathers/Mothers of Inventions van Needcompany op dezelfde avond als Wouter Hillaert. Het is altijd verrijkend om je eigen kijkervaring te vergelijken met de kijkervaring van een geoefend theaterjournalist. In de eerste helft van Wouter Hillaerts recensie ben ik volledig mee met wat hij beschrijft: ‘Nature morte flirt met art brut, met arte povere, met tableau vivants. En dat alles liefst nog in dezelfde oogopslag.’ Hillaert heeft een scherp oog, herkent veel voorwerpen en legt verbanden met het verleden van Needcompany en het beeldend werk van Jan Lauwers. Hij duidt heel precies hoe de performers, de objecten en de muzikanten samen een verhaal vertellen over chaos, vitaliteit en roes enerzijds en kwetsbaarheid, verstilling en eindigheid anderzijds. 

Verbaasd was ik dan ook over de bocht die de recensie op een bepaald ogenblik maakt. Verbaasd omdat Hillaert een voorstelling die hij mooi en intens beschrijft uiteindelijk in het tweede deel van zijn recensie toch volledig in vraag stelt. Verbaasd ook omdat zijn recensie uiteindelijk uitloopt op een negatief oordeel over het recente werk van een hele generatie.

Na zijn intelligente en gedetailleerde beschrijving van The House of Our Fathers/Mothers of Inventions, stelt hij plots dat hij “de noodzaak mist van wat er gebeurt” en dat “er weinig ontstaat aan gevoel of betekenis of contemplatie”. Iets later beschrijft hij de performances van de acteurs als ‘ingesloten zelfonderzoeken’ en dat klinkt dan heel negatief. Nochtans stelt hij zich de juiste vraag: “Het is de vraag van elke durational performance: hoe ernaar kijken? Tot welk punt blijft de fysieke inspanning op zich communiceren en waarde genereren, vanaf welk punt worden alle uitgelengde improvisaties en expressies eerder leeg? Voortdurend slingert mijn ervaring tussen beide polen.” De vraag is of deze ambigue ervaring – dit heen en weer tussen betekenis en het ontbreken daarvan – niet precies de inzet is van dit soort performances. Betekenis of waarde is een kwetsbaar iets. De dreiging van betekenisverlies is de moderne ervaring bij uitstek. En het moderne theater – en zeker de performance – wordt op die grens gemaakt. De ruimtelijke opstelling van The House of Our Fathers/Mothers of Inventions en de lange duur ervandwingen’ de toeschouwer voortdurend om over die grens na te denken. Hij of zij kan immers rondlopen en weggaan wanneer hij of zij dat wil. Hij of zij beslist met andere woorden op ieder ogenblik over zijn of haar intellectueel en emotioneel engagement met de voorstelling: blijf ik naar dit kijken of wandel ik verder en kijk ik naar iets anders? Wandel ik terug of ga ik verder? Blijf ik zitten of ga ik naar buiten? Ikzelf heb anderhalf uur zitten kijken. Nu ik de recensie van Wouter Hillaert lees, denk ik: ik heb dingen gemist. De kwetsbaarheid waar de voorstelling over gaat, heeft ook te maken met de beperking en de eindigheid van de blik van de toeschouwer.  

Maar na ‘de kwetsbaarheid’ doet de ‘dood’ zijn intrede in de analyse van Wouter Hillaert. De dood in zijn vele gestalten – trauma’s, de geschiedenis, historische objecten, gestorven personages die op de scène blijven, etc. – is inderdaad de centrale figuur in het werk van Lauwers. Maar terwijl de kwetsbaarheid en de dood in het eerste deel van Hillaerts recensie nog begrippen zijn om het werk van Lauwers inhoudelijk te duiden, verschuift hun betekenis in het tweede deel van de recensie. Het worden nu termen om deze voorstelling en het werk van Needcompany in het algemeen – want Wouter Hillaert beschouwt The House of Our Fathers/Mothers of Inventions als “het summum van Needcompany’s artistieke universum” – te beoordelen, en dat op een negatieve manier: “hier lijkt alles zich willens nillens toch te objectiveren tot een museum, inclusief de levende zielen die erin rondwaren: het museum ‘Needcompany’. Het vibreert nog, maar als installatie lijkt het bijna klaar voor de ultieme conservering.” De performance wordt iets later omschreven als “geëtaleerde ijdelheid, vol van zichzelf, op het randje van de leegte.” Museum, conservering, ijdelheid, leegte… Verder gebruikt Hillaert nog termen als ‘stollen’ en ‘vermerkten’: “Hoe langer je in deze installatie zit rond te kijken, hoe meer het werk vervloeit tot merk.” Het wordt “een uitgestald oeuvre dat vooral zichzelf gaat representeren”.  

“‘Inpakken’ in plaats van ‘uitpakken’, zegt Wouter Hillaert. Als ik dat met een wat enge blik lees, dan staat er: ‘ophouden met theater maken’ in plaats van ‘verder gaan met theater maken’.”

Het is me hier niet in de eerste plaats te doen om The House of Our Fathers/Mothers of Inventions te verdedigen tegen de analyse die Wouter Hillaert ervan maakt. Iedere toeschouwer heeft het recht op een eigen voorstelling. Ik ben meer geïnteresseerd in hoe zijn recensie zich ontwikkelt van een gedetailleerde en empathische bespreking die dicht bij de ervaring van de voorstelling blijft, over een plots onverwacht scherpe kritiek tot een veroordeling van het werk van een hele generatie. Want in het laatste deel van zijn recensie gaat Wouter Hillaert nog een stap verder dan de Needcompany. Hij verbreedt het perspectief tot de Vlaamse Golf en schrijft: “Ooit waren film en beeldende kunst voor Lauwers’ generatie tools en onderzoeksgebieden om de essentie van kunst te doorgronden, om theater te bevrijden uit zijn ijzeren tekstuele wetten. Maar wanneer Anne Teresa De Keersmaeker nu in musea gaat dansen, Wim Vandekeybus steeds meer naar cinema neigt, Jan Fabre zichzelf overal in goud multipliceert op een eenzame sokkel, lijkt daar steeds meer verlangen in door te sijpelen om zichzelf en het jarenlange podiumwerk te willen overleven, te willen bewaren voor het nageslacht. Is dat gewoon een historiografische nood, zelfs een verantwoordelijkheidsgevoel jegens jongere generaties, of toch eerder een existentiële kwestie? Wordt vergankelijkheid in plaats van een wapen steeds meer een gevecht op zich?”

Het is maar een korte paragraaf maar zij vertelt zoveel meer dan wat ze zegt! De algemene gedachte is dat de generatie van de Tachtigers – want om die generatie gaat het hier – aanvankelijk bezig was met het zoeken naar de essentie van kunst, maar zich nu vooral concentreert op het conserveren van zichzelf. Wouter Hillaert neemt het beeld van ‘het museum’, dat in de context van Lauwers’ voorstelling zeker betekenisvol is, mee naar zijn analyse van een hele generatie, waar dat beeld veel problematischer wordt. Hij geeft, naast Needcompany, drie andere voorbeelden: Anne Teresa de Keersmaeker die in musea danst, Wim Vandekeybus die steeds meer naar de film neigt en Jan Fabre die zichzelf in goud multipliceert. Laat mij die voorbeelden een voor een van dichterbij bekijken. 

Work/Travail/Arbeid, Centre Pompidou © Anne Van Aerschot

Anne Teresa De Keersmaeker heeft inderdaad een aantal museale versies van haar voorstellingen gemaakt: van Violin Phase in het Museum for Modern Art in New York (2011) en van Fase, Four Movements to the Music of Steve Reich in het Tate Modern in Londen (2012). Van deze laatste voorstelling maakte ze een nieuwe versie in de ruimtes van de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen te Düsseldorf (2019). Ook voor Work/Travail/Arbeid (2015) vertrok de choreografe van de vraag of  een choreografie uitgevoerd kan worden in de vorm van een tentoonstelling. Als antwoord hierop herinterpreteerde ze haar dansvoorstelling Vortex Temporum. In samenwerking met deSingel en M HKA creëerde ze The Dark Red Research Project (2019), een work in progress in het museum. Hillaerts gebruik van dit voorbeeld ontgaat me. Dansen in een museum heeft toch niets met het musealiseren van het eigen werk te maken! Waar Anne Teresa wél mee bezig is, is haar voorstellingen als repertoire te behandelen om ze door te kunnen geven zodat ze ook los van haar en na haar gedanst kunnen worden. Dat verhindert echter niet dat ze nog steeds nieuw werk blijft maken en haar artistiek onderzoek verder zet.

TRACES © Danny Willems

Film heeft in het werk van Wim Vandekeybus steeds een belangrijke rol gespeeld. Het recente Trap Town (2018) is daar een goed voorbeeld van. Met Monkey Sandwich (2011) maakte Vandekeybus zelf een volwaardige film. Maar in recente voorstellingen als Die Bakchen (2019), Traces (2019) en in zijn volgende voorstelling Hands do not touch your precious Me (2020) is geen filmbeeld te bespeuren. Die steeds grotere ‘neiging naar cinema’ is dus heel erg twijfelachtig. Fabre zou in deze context het meest geschikte voorbeeld zijn van een kunstenaar die zichzelf aan de eindigheid wil onttrekken via zijn beeldend werk. Maar ook hier lijkt me de al te gemakkelijke reductie van Fabres oeuvre tot een narcistische zelfverheerlijking in beelden onterecht en niets bij te dragen tot de argumentatie van Hillaert. 

Searching for Utopia (2003) © Jan Fabre/Angelos

Want wat is die argumentatie precies? Doorheen de vier voorbeelden – Lauwers, De Keersmaeker, Vandekeybus en Fabre – construeert Wouter Hillaert een tegenstelling tussen museum (Lauwers, De Keersmaeker), cinema (Vandekeybus) en beeldende kunst (Fabre) enerzijds en theater anderzijds. En dat is een tegenstelling tussen ‘dood’ en ‘leven’. Twee andere termen die Hillaert voor deze spanning hanteert, zijn ‘repertoire’ en ‘creatie’ waarbij hij suggereert dat de ‘creatie’ bij deze artiesten, gewild of ongewild, aan het afnemen is onder het gewicht van hun ‘repertoire’. 

Hij stelt zich daarbij de vraag: “Is dat gewoon een historiografische nood, zelfs een verantwoordelijkheidsgevoel jegens jongere generaties, of toch eerder een existentiële kwestie? Wordt vergankelijkheid in plaats van een wapen steeds meer een gevecht op zich?” Ik interpreteer dit als volgt: zijn deze theatermakers met hun repertoire bezig om iets aan een volgende generatie door te geven of zijn ze ermee bezig om zichzelf van de vergankelijkheid te redden? Met andere woorden: spelen ze nog een rol in de toekomst van het theater of zijn ze alleen met hun eigen ‘museum’ begaan? Leven ze nog of hebben ze zichzelf al overleefd?

In de laatste paragraaf keert Wouter Hillaert terug naar Needcompany en zijn toekomst. Dit is zijn advies: “om niet zelf te verworden tot flinterdunne nature morte, zal het – zoals ten tijde van Isabella’s Room – zijn eigen erfgoed weer eerder moeten inpakken dan het nog maar eens uit te pakken. Is dát niet wat corona van ons allemaal vraagt?” Een woord dat ik in het begin van zijn recensie las als een beschrijving – ‘nature morte’ – is nu een hard oordeel geworden. ‘Inpakken’ in plaats van ‘uitpakken’, zegt Wouter Hillaert. Als ik dat met een wat enge blik lees, dan staat er: ‘ophouden met theater maken’ in plaats van ‘verder gaan met theater maken’. Maar is mijn blik echt te ‘eng’ na Hilaerts gebruik van termen als ‘museum’, ‘conservering’, ‘stolling’, ‘vermerkting’ – termen die het grootst mogelijke verwijt zijn aan een levende kunst als het theater – en zijn interpretatie van repertoire als dood gewicht bij het creatieproces? Moeten de vaders en moeders van de eigentijdse Vlaamse podiumkunsten ‘inpakken’? 

Het is niet de eerste keer dat de generatiediscussie opduikt in het Vlaamse theater1. In zijn State of the Union 2016 zei Wouter Hillaert: “Hét gebaar van de jongste jaren vond ik de stap terug van Lucas Vandervost bij De Tijd, voor het jong geweld van De Nwe Tijd. Plaats maken is misschien wel het summum van radicalisering.” Nu wordt de coronacrisis ingeroepen als de Grote Andere om die oproep nog meer kracht bij te zetten. 

We staan op iets meer dan één jaar voor het indienen van de nieuwe subsidiedossiers. Intussen is de overheid bezig met het uittekenen van een nieuw Kunstenplan. De grote lijnen daarvan zijn bekend, maar het is onduidelijk hoe de sector bij de uitwerking ervan betrokken zal zijn. Dat het tot een ingrijpende herschikking van het Vlaamse theaterlandschap gaat komen, is duidelijk. En die herschikking moet er ook komen. Maar om die uit te tekenen, zijn er onderbouwde analyses nodig van hoe het Vlaamse theater zich de voorbije decennia heeft ontwikkeld en hoe verschillende generaties, gezelschappen en instellingen daarin een rol hebben gespeeld en nog steeds spelen. Het is goed dat er verschillende scenario’s geschreven worden, maar het ongenuanceerde en eenzijdige oordeel waarmee Wouter Hillaert een hele generatie afschrijft, helpt dat debat niet vooruit. Integendeel, het polariseert en verdeelt. 

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

opinie
Leestijd 7 — 10 minuten

#160

15.03.2020

14.05.2020

Erwin Jans

Erwin Jans is dramaturg bij het Toneelhuis (Antwerpen). Tevens publiceert hij over theater, literatuur en cultuur in onder andere De Morgen, De Tijd, Eutopia, Etcetera, DW B, rekto:verso, nY, De Reactor, De Leeswolf en Theatermaker.