© Pieter D’Hooghe

Wouter Hillaert

Leestijd 8 — 11 minuten

The House of Our Fathers/Mothers of Inventions – Jan Lauwers/Needcompany

Needcompany ter plekke

‘Fragile, handle with care’: het is maar een klein wit stickertje op één van de vele grote houten kisten die de ruimte schakeren in The House of Our Fathers/Mothers of Inventions. Er zijn zoveel opvallender dingen te zien in Needcompany’s levende postcorona-installatie van acht uur lang. Maar dat stickertje, dat is wat blijft kleven. Het vertelt zoveel meer dan wat het zegt.

De installatie van Needcompany binnentreden is overvallen worden door details. Vrijwel meteen wordt je blik bezet door de dramaturgie van de Wunderkammer, van een natuurkundig museum waar de schatten niet in-, maar uitgepakt staan. De weerloze latex hertjes uit The Deer House, sommige bijna aan flarden. De iconische witte konijnenkop uit Images of Affection. De porseleinen sculpturen uit The Porcelain Project. En allerlei artistiek bewerkte blaadjes, bloemen, nerven, veren, schelpen: bewust geëtaleerd en vereeuwigd als bijna doorschijnende vergankelijkheid. Nature morte flirt met art brut, met arte povere, met tableau vivants. En dat alles liefst nog in dezelfde oogopslag. Zo heeft Jan Lauwers het graag: veel tegelijk, en bij voorkeur botsend tegen elkaar op.

Enig overzicht krijgen neemt dus tijd op deze leegstaande verdieping in MILL, sinds 2017 de thuisbasis van Needcompany in Molenbeek. Overzicht of harmonie lijkt zelfs niet de bedoeling, suggereert de bijwijlen springerige live soundscape van cello, cimbalen, piano en gitaren. Deconstructie lijkt de basisfilosofie, kijken wat er dan weer samen kan ontstaan de eigenlijke inzet van The House of Our Fathers/Mothers of Inventions. Als met een vergrootglas schuifel je door de langgerekte ruimte, op zoek naar elementaire levensdraden tussen de stukken en de brokken.

Zo is er de terugkerende dierlijke metaforiek. Prompt bots je op een hond achter een hoekje, één en al opgesloten verlangen. Verderop passeren het berenpak uit The Lobster Shop en de lamme ezel uit The Blind Poet, die meermaals als dood gewicht de installatie rond gesleept wordt. Op de grond grijnzen de bedachtzame leeuwen vanop Rubens’ schilderij Daniel in de leeuwenkuil, maar dan zonder Daniël en nu overgezet op enkele grote tapijten. Er is ook de dooie haas van Joseph Beuys, getekend: Jan Lauwers. Op alle grote transportkisten in het decor schetste hij met houtskool in natuurlijk detail ook nog vele andere dierlijke exemplaren: een mooi spoor van Silent Stories, Lauwers’ expo in Shanghai in 2016 en een jaar later in BOZAR. Needcompany’s hele beeldende oeuvre staat hier uitgestald, als een gerieflijke huiskamer voor de hele familie.

Breekbaarheid als lijm

Het was daar, in Shanghai, dat het intussen 13 jaar oude concept van The House of Our Fathers voor het eerst repertoire werd: uren achter elkaar met het hele gezelschap optreden binnen de expo, als een durational performance die van individuele impro een collectief gebaar poogt te maken. Op vele plekken ter wereld is dit open huis daarna nogmaals opgebouwd en weer afgebroken, meestal in wisselende bezetting. Maar de fundamenten blijven dezelfde. ‘Als een doorlopende jamsessie nodigt deze constant veranderende ruimte uit tot samen zijn / samen maken / samen beleven’, vermeldt het programmaboekje. ‘Het biedt aan makers en toeschouwers de ervaring van ‘geruisloze tijd’ – een tijd voor intense observatie, waar contemplatie zich vermengt met extase en reflectie met trance.’

“Op de overgang tussen beweging en verstilling ontstaat in dit oeuvre kunst: het stollen van leven tot esthetische artefacten, continu in dialoog met de kunstenaars die Lauwers en co zijn voorgegaan.”

In die zin is The House of Our Fathers/Mothers of Inventions geen zijspoor, maar misschien wel het summum van Needcompany’s artistieke universum. Zowat alles in deze volle installatie vormt een kruising tussen theater en museum, leven en dood, creatie en oeuvre, lichaam en object, heden en erfgoed, ‘werken’ en ‘werk’. Zo doemt er centraal in de ruimte, onbeschermd op de grond, een rozet op van allerlei puzzelstukjes van gedroogde natuur, waar een performer af en toe en passant een esthetische correctie in aanbrengt. Bedachte esthetiek en spontane naturel zijn voortdurend met elkaar aan het vechten om verzoening: het rariteitenkabinet voorbij.

Meer dan ooit valt op hoezeer dit hele universum draait om bijna flinterdunne kwetsbaarheid, om de elementaire vitaliteit van het leven tegen het decor van de dood. Of is het omgekeerd: met de dood als norm – veel van wat niet beweegt is opgezette natuur – en het leven als bijna nutteloos verzet? Op de overgang tussen beweging en verstilling ontstaat in dit oeuvre kunst: het stollen van leven tot esthetische artefacten, continu in dialoog met de kunstenaars die Lauwers en co zijn voorgegaan.

Vooraan kronkelt een gemaskerde danseres over de leeuwenmat, achter haar openbaart zich onder wervelende zwarte verfstrepen een vrouwenfiguur die zich met haar opgerichte borst eeuwig aan het plaaster probeert te onttrekken. Hun tijd verschilt wezenlijk, hun iconografie is dezelfde: vrijheid als de per definitie broze ademtocht die beslaat tegen het kille glas. ‘Fragile, handle with care.’ Viscositeit is het materiaal waarin dit oeuvre is besloten en elk moment weer tot leven kan komen.

© Pieter D’Hooghe

In de schaduw van corona

Waarom hier? Waarom nu? Needcompany bedacht deze versie van The House of Our Fathers als een noodzakelijke viering van de exit, met één been nog in de lockdown. Niet ver weg, maar ter plekke, ten huize Needcompany zelf. Majestueus zit in een zaaltje vóór de eigenlijke exporuimte hét beeld van deze installatie tegen het plafond geprangd: de levensgrote zwarte kankercel uit The Blind Poet, die met haar uitsteeksels vandaag vanzelf een corona-deeltje wordt. De schaduw ervan valt over de hele performance. Toeschouwers veilig achter de strakke lijnen en achter hun mondmasker, idem voor de performers zodra ze zelf die lijn overschrijden, en zelfs binnen de lijntjes allemaal op veilige afstand van elkaar: voor een viering van de vrijheid van de kunsten voelt het allemaal nogal strak bemeten, bijna op de contradictie af. De ware vrijheid mag dan wel in de beperking liggen, de hele tijd je masker op en af moeten zetten rijmt maar moeilijk met de claim van ‘extase’.

Nog ingrijpender is het effect op de globale sfeer van The House of Our Fathers/Mothers of Inventions: zonder de groepsknuffels of zelfs de aanrakingen van in Shanghai wordt alles vanzelf veel eenzamer, veel ingekeerder. Grace Ellen Barkey met haar breed lachende clownsmond, Hans Petter Dahl achter zijn klavier, Romy Louise Lauwers draaiend aan de borstkolf, Maarten Seghers achter zijn drumstel, Mohamed Toukabri met zijn buigzame enkels, Jan Lauwers achter zijn zonnebril aan de gitaar, Benoît Gob die acht uur lang camouflagekleuren schildert: elk op hun eigen eilandje zijn alle performers vooral op zichzelf aangewezen, moeten ze hun noodzaak veeleer zoeken in hun introverte aard dan in de extraverte expressie waar Needcompany normaal zijn kracht uit haalt.

“Er ontstaat weinig aan gevoel of betekenis of contemplatie, en eerder het totaalconcept op zich moet blijven spreken: performers die in de lengte van de tijd het moment proberen te intensifiëren.”

Elk halfuur bouwt The House of Our Fathers/Mothers of Inventions dan wel weer op naar een stormende muzikale apotheose, toch kleurt vooral de slag en de onbeweeglijke freeze erna het karakter van dit groepsportret. Verstilling en beweging, steeds in dialoog. Naturel en esthetiek, voortdurend op zoek naar elkaar. Presentatie en representatie, steevast met elkaar in strijd. Vanzelf zuigt die ingekeerdheid je blik vanuit gewonnen overzicht weer naar het detail: precies wat Lauwers beschouwt als de essentie van (dit) theater. Maar net in dat detail valt ook op dat je soms de noodzaak mist van wat er gebeurt. Dat er weinig ontstaat aan gevoel of betekenis of contemplatie, en eerder het totaalconcept op zich moet blijven spreken: performers die in de lengte van de tijd het moment proberen te intensifiëren.

Buiten heeft Viviane De Muynck zich aan het visuele groepsgebeuren onttrokken in een eigen caravan, waar ze als Dame Fortuna eenzame toeschouwers opvangt voor een intieme babbel. Taal is haar instrument, binnen was er te weinig ruimte of net te veel tijd voor. Op een of andere manier voelt haar geïmproviseerde dialoog, veeleer menselijk dan artistiek, veel meer in contact met het momentum dan de ingesloten zelfonderzoeken die binnen zijn te volgen. Of ligt het verschil enkel in het medium, niet in het opzet?

Het is de vraag van elke durational performance: hoe ernaar kijken? Tot welk punt blijft de fysieke inspanning op zich communiceren en waarde genereren, vanaf welk punt worden alle uitgelengde improvisaties en expressies eerder leeg? Voortdurend slingert mijn ervaring tussen beide polen. Het is fijn in MILL te zijn en het te laten gebeuren, maar er gebeurt in alle veelheid ook verrassend weinig. Is het de schaduw van corona? Of heeft het toch ook iets met Needcompany zelf te maken?

© Pieter D’Hooghe

Werk als merk

Misschien ligt het vooral aan de wisselwerking tussen theater en beeldende kunst in The House of Our Fathers/Mothers of Inventions. Aan de basis van het gebeuren ligt de idee dat opnieuw in het moment je gedeelde erfgoed toe-eigenen vanzelf voor ‘inventions’ zorgt. Dat levende subjecten ook  weer leven kunnen scheppen in ‘dode’ objecten. Maar hier, in deze uiteengeslagen verstilling, lijkt eerder het omgekeerde te gebeuren: het gestolde oeuvre besmet de creatie. Het verschil tussen beweeglijke expressies die op zichzelf gedachten en emoties losmaken, en een uitgestald oeuvre dat vooral zichzelf gaat representeren, wordt vervaarlijk dun. Hoe langer je in deze installatie zit rond te kijken, hoe meer het werk vervloeit tot merk. Of ligt het aan mij?

Net die ‘vermerkting’ heeft Lauwers altijd willen vermijden. Theater was steeds het medium van zijn voorkeur omdat het vergankelijk en dus onverkoopbaar blijft. Maar hier lijkt alles zich willens nillens toch te objectiveren tot een museum, inclusief de levende zielen die erin rondwaren: het museum ‘Needcompany’. Het vibreert nog, maar als installatie lijkt het bijna klaar voor de ultieme conservering. ‘Vanitas’ als thema, met alle diepe gevoelens en betekenissen die dat kan oproepen over onze weerloze existentie in het licht van de dood, verglijdt hier bijna tragisch in ‘vanity’: geëtaleerde ijdelheid, vol van zichzelf, op het randje van de leegte.

“Oprecht voelt nog steeds de poging van elke performer om in zichzelf de noodzaak aan te boren om zich in het nu inventief en innovatief te relateren tot alle objecten van toen. Alleen lijken de objecten uiteindelijk toch te winnen.”

Dat is niet iets wat Needcompany bewust zoekt, maar het gezelschap eerder lijkt te overvallen. Oprecht voelt nog steeds de poging van elke performer in The House of Our Fathers/Mothers of Inventions om in zichzelf de noodzaak aan te boren om zich in het nu inventief en innovatief te relateren tot alle objecten van toen. Hoe bijvoorbeeld Julien Faure met zijn dode ezel door de expo zeult, het blijft het kijken waard. Alleen lijken de objecten uiteindelijk toch te winnen. Ze trekken het heden in het verleden en maken van de deconstructie toch vooral een zoveelste reconstructie. Al zijn er nieuwe artiesten bij uitgenodigd, al stopte beeldend kunstenaar Oscar Van der Put speciaal voor deze ruimte de spleten dicht met witte gesso, Needcompany’s geschiedenis wint het van zijn uitgelengde heden. Zijn viering van de vrijheid krijgt zo net iets heel gesloten.

Vechten met vergankelijkheid

Dat lijkt me allesbehalve een definitief oordeel. Van alle gezelschappen met dezelfde leeftijd heeft net dit Brusselse collectief zich steeds bij de meest dynamische getoond, op de adem van de tijd. Toch fascineert het wel, hoe creatie en repertoire hier na bijna veertig jaar Vlaamse Golf tegenover elkaar een ander evenwicht lijken te zoeken.

Ooit waren film en beeldende kunst voor Lauwers’ generatie tools en onderzoeksgebieden om de essentie van kunst te doorgronden, om theater te bevrijden uit zijn ijzeren tekstuele wetten. Maar wanneer Anne Teresa De Keersmaeker nu in musea gaat dansen, Wim Vandekeybus steeds meer naar cinema neigt, Jan Fabre zichzelf overal in goud multipliceert op een eenzame sokkel, lijkt daar steeds meer verlangen in door te sijpelen om zichzelf en het jarenlange podiumwerk te willen overleven, te willen bewaren voor het nageslacht. Is dat gewoon een historiografische nood, zelfs een verantwoordelijkheidsgevoel jegens jongere generaties, of toch eerder een existentiële kwestie? Wordt vergankelijkheid in plaats van een wapen steeds meer een gevecht op zich?

‘Fragile, handle with care’: het is die stille vraag die uiteindelijk het langst blijft hangen van The House of Our Fathers/Mothers of Inventions. Niet ijdelheid, maar een bijna tragische kwetsbaarheid als gezelschap is wat Needcompany hier tussen de lijnen mee communiceert. Het blijft oprecht op zoek naar een antwoord op het verglijden van de tijd, bijvoorbeeld met zijn nieuwe fellowship-programma ‘Mill’s Reality/Beauty Salon’ voor jonge kunstenaars. Maar om niet zelf te verworden tot flinterdunne nature morte, zal het – zoals ten tijde van Isabella’s Room – zijn eigen erfgoed weer eerder moeten inpakken dan het nog maar eens uit te pakken. Is dát niet wat corona van ons allemaal vraagt?

 

Lees hier de reactie van Erwin Jans.

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 8 — 11 minuten

#160

15.03.2020

14.05.2020

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is cultuurjournalist. Hij werkte vijftien jaar als freelance theatercriticus voor achtereenvolgens De Morgen en De Standaard en is betrokken bij de burgerbeweging Hart boven Hard.