‘Theater. Om te kijken moet je krabben.’

Hugo Boets

Leestijd 4 — 7 minuten

Theater. Om te kijken moet je krabben.

V.T.I. Video

Theater is altijd het stiefkind van het onderwijs geweest. In de diverse curricula moedertaal wordt er nauwelijks gewag van gemaakt. Of leerlingen tijdens hun schoolcarrière al dan niet geconfronteerd worden met een theatervoorstelling hangt grotendeels af van de persoonlijke interesse van hun respectieve leraren voor dit medium.

De bespreking van zo’n toneelopvoering blijft daarbij ook vaak beperkt tot het verhaalniveau : spreken over een bepaald theaterstuk is meestal praten over de inhoud, de boodschap, de themata ervan. De specifieke vorm van de theatrale communicatie waarbij alle signalen – en niet alleen de tekst – van belang zijn, komt niet of oppervlakkig aan bod. Je kan dat de leraren moeilijk kwalijk nemen; op school moet er al zoveel gebeuren en in feite zijn de leraren er ook niet voor opgeleid. Ze hebben wel geleerd hoe om te springen met allerlei literaire teksten, maar niet hoe een concrete theateropvoering aan te pakken.

Toch worden er geregeld pogingen gedaan om theater en onderwijs dichter bij elkaar te brengen. Eén van die recente ondernemingen is een didactisch videoprogramma voor kinderen van 8 tot 12 jaar, gemaakt door het Vlaams Theater Instituut : Theater. Om te kijken moet je krabben.

Leuke en toepasselijke titel. Etymologisch verwijst de term theater naar het zien, het bekijken ; de toeschouwer moet een keuze maken uit de massa informatie die hem via oog en oor bereikt. Heel wat kinderen missen echter de nodige theaterkijkervaring om te kunnen decoderen wat er zich op de scène afspeelt. De kwaliteit van hun kijken bevorderen, ze de taal van het theater leren verstaan, ze toneelwijzer maken – dat is nu precies het opzet van dit videoprogramma. Het concept van het programma is verrassend. Je krijgt geen ‘leerzame’ opsomming van theaterelementen, geen maakproces van een voorstelling. Wel worden er aan de hand van een eenvoudig verhaal, dat soms sterk ontroert, mogelijkheden geboden om allerlei theatertechnieken te ontdekken. Je hoort de jonge toeschouwers ook fluisterend commentaar geven op het stuk; ze zijn als publiek voortdurend’ in ‘gesprek’ met wat er op de scène gebeurt. Ze formuleren hun verwachtingen, ze proberen greep te krijgen op de voorstelling, ze ‘vertalen’ wat ze zien (“ik snap er niets van”,” ‘t wordt spannend”, “Waarom is dat raam nu weg ? Omdat ze nu buiten zijn…”) Bij momenten zie je dat de kinderen zelf toekijken; er is dan voor gezorgd dat alleen de achterkant van hun hoofden zichtbaar is: als toeschouwer kijk je met hen mee. Aan dergelijke kleine maar essentiële details merk je met hoeveel zorg de programmamakers te werk zijn gegaan; het theater is communicatie tussen acteurs en publiek.

Het eigenlijke verhaal is vlug verteld. Stef komt, bijna ondanks zichzelf, in de rol van het personage Neef terecht. Hij gaat op zoek naar Het Meisje Dat, overwint tijdens zijn tocht hindernissen en conflictsituaties en slaagt er uiteindelijk in twee verlegen, verliefde mensen bij elkaar te brengen.

Op een spitsvondige manier wordt de toeschouwer uitgenodigd de buitenste laag van het vertoonde ‘af te krabben’ en verder/dieper te kijken dan op ‘t eerste gezicht. Dat komt vooral doordat Stef/Neef zelf altijd iets te laat reageert op de gebeurtenissen, hij is a.h.w. zelf een onervaren theaterkijker. Stef komt er slechts langzaam achter wat er precies van hem verwacht wordt. Zo is hij nog op zoek naar een zakdoek als de voorstelling al begonnen is. (Hoe weet je eigenlijk wanneer een toneelstuk begint ?), zo voelt hij zich aanvankelijk wat verloren als hem accessoires en kleding wordt aangereikt. En als het nacht worden op de scène, roept hij : “waarom valt het licht uit ?” Pas als Stef gegrepen wordt door de illusie van de prachtige sterrenhemel, de muziek en de man die droevig-verlangend zingt over Het Meisje Dat begint hij op zijn plaats te vallen en te werken aan de opbouw van het personage Neef: “Ik ben Neef, neen, die is kleiner, hij loopt voorovergebogen en heeft altijd een lepel bij zich, hij spreekt met een andere stem…”

Met het verschijnen van de medespelers ontstaat de intrige : Lennie vraagt Neef een brief te overhandigen, twee dreigende mannen trachten Neef te intimideren en scheppen tegelijkertijd een voorgeschiedenis en een relatie tot Het Meisje Dat. Tijdens die verhaalontwikkeling komen de spelregels van het theater geregeld impliciet aan de oppervlakte : hoe een acteur aan een personage gestalte geeft; hoe de ruimte door de personages opgevuld wordt (de belangrijkste treden tijdens de voorstelling ook letterlijke op het voorplan); hoe tijd en ruimte gemanipuleerd worden; kortom, hoe die hele fictionele wereld op de scène kan worden opgeroepen en bestendigd. Het stuk eindigt met een bruisend huwelijksfeest, maar alweer heeft Neef niet door dat het gedaan is: hij blijft verder dansen. Terwijl de acteurs het decor afbreken dwaalt Neef rond, namijmerend, nog steeds gevangen in het teder-romantisch gevoel voor zijn rol. En inderdaad, zo hoort het bij een goed stuk : de sfeer, de illusie blijft nazinderen, ook nadat het doek is gevallen.

Ik bekeek de video-tape samen met mijn tienjarig dochtertje. Haar commentaar : raar, maar mooi. Mooi is dit videoprogramma zonder enige twijfel; het is een doordacht, intelligent gemaakt en esthetisch ingeblikt werkstuk over theater. En raar. Dat vreemde, dat wonderlijke -in feite kenmerken van élk goed leerprogramma- kan je als begeleider voortreffelijk ondervangen met behulp van een werkboekje dat bij het videoprogramma hoort. Op de voet volgt het werkboek alle aandachtspunten die in het videoprogramma aangebracht worden. Vanuit nauwkeurig omschreven doelstellingen worden concrete lesvoorbeelden hapklaar uitgewerkt. De samenstellers hebben zich daarbij niet beperkt tot de louter receptieve kant, tot een analyse van de opvoering; ze bieden ook actieve verwerkingsmogelijkheden aan in de vorm van spelopdrachten. Door de dingen die gezien zijn nog eens zelf te doen, worden ze ‘eigen’ gemaakt.

Het zal wel duidelijk geworden zijn : ik hoop dat dit videoprogramma een ruime verspreiding mag kennen. Het onderwijs en het theater kunnen er alleen maar wel bij varen.

Het pakket (video en werkboek) kan je bestellen bij het Ministerie van Onderwijs, Dienst voor Media en Informatietechnologieën, Handelskaai 7,1000 Brussel. Tel.: 02/217 4190 – Prijs: 300 frank.

Theater. Om te kijken moet je krabben.

regie: Guy Cassiers & Peter Missotten;

scenario en dialogen: Guy Cassiers, Peter Missotten, An-Marie Lambrechts & Jan Simoen;

camera Jürgen Persyn;

montage Peter Missotten, Guy Cassiers & An-Marie Lambrechts;

acteurs Stef Bos, J. Gilbert Colman, Geertrui Daem, Peter Reyn, Bart Vandenbossche en vijfde leerjaar Rijksbasischool Park Aalst.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#27

15.09.1989

14.12.1989

Hugo Boets