‘Sarafina’ (Market Theatre)

Nic Balthazar

Leestijd 8 — 11 minuten

Theater der Welt

Hamburg

Een theaterfestival dat slechts elke twee jaar plaatsvindt, en dan bovendien nog elk jaar in een andere (Duitse) stad zal het wel altijd een beetje moeilijk blijven hebben om een echt theaterfestival te worden. In tegenstelling tot cultureel zomer-vermaak als dat van Avignon ging je naar Theater Der Welt in Hamburg dan ook best voor het theater, en niet zozeer voor het festival of de festivalsfeer.

Het aanbod dat men daar in Duitsland telkens weer weet samen te rapen mocht er daarentegen natuurlijk wel weer zijn: zevenentwintig groepen en solospelers uit een dikke vijftien verschillende landen uit alle delen van de wereld brachten een goede vijfendertig voorstellingen. En dat -om maar even met de cijfertjes door te gaan -gespreid over een periode van een halve maand (16 juni tot en met 2 juli) op een achttal plateau’s verspreid over die immense haven en hansa stad. ‘Theater Der Welt’: het klinkt dus niet alleen ambitieus, het is het ook. En dat een dergelijk gevarieerd en grootschalig aanbod ook geld kost, dat mocht al meteen blijken toen de Hamburgse burgemeester zich in zijn openingsrede liet ontvallen dat het Theater der Welt hem zeer ‘teuer’ was, maar dat het hem dan ‘auch sehr tuer’ uitkwam. En in de Bondsrepubliek, waar men ook mag bijten naar de hand die voedt, werd dit meteen zowat het schandaaltje van de openingsdagen.

Voor de rest werd het natuurlijk wel een vrolijk weerzien, want na tien jaar was deze theaterolympiade terug in Hamburg waar het in ’79, toen nog onder de naam ‘Theater Der Nationen’,al een eerste keer de tenten had opgeslagen. Theater Der Welt ’89 werd net zoals dat van tien jaren geleden een interessant en mooi festival, feilloos met ‘Deutsche Gründlichkeit’ georganiseerd, en met geestdrift gevolgd door een telkens weer massaal opgekomen en steevast wild enthousiast publiek. En toch was dit een editie die -zeker in vergelijking tot sommige vorige jaren-waarschijnlijk niet bijgeschreven zal worden in de annalen van de theatergeschiedenis, en die zelfs met moeite de columns van Theater Heute kon halen. Grote verassingen of absolute uitschieters staan immers eigenlijk in niemands geheugen of notaboekje gegrift. De onvergetelijke momenten en niet te missen voorstellingen bleven ondanks een zeker niet onverantwoorde, ongestoffeerde of oninteressante programmatie eerder schaars. En bij een festival dat zich dan -met alle gevaren van dien- een beetje grootsprakerig ‘Theater Der Welt’ noemt, rijst dan meteen de vraag of het gewoon zo is dat het Theater van de wereld van vandaag niet meer zoveel inhoudt ( als vroeger ), dan wel dat men gewoon niet hèt Theater van dit moment had weten te vinden.

De samenstellers Renate Klett (Theater Heute) en Jürgen Flimm (intendant van het samen met het ITI organiserende Thalia theater) hadden nochthans zeker een waardevolle gooi gedaan naar de grote stromingen in het huidige wereldteater. En in dat opzicht stond natuurlijk de grote opening naar het Oosten centraal, met als gevierde special guest stars wie anders dan de Russen. Nauwelijks een kleine week na de Opération Charme van partijleider Gorbatchov in Bonn kwam het Maly Teatr uit Leningrad ‘Theater Der Welt 89’ openen met regisseur Lew Dodins zeven uur lang durende theaterbewerking van de roman Broeders en Zusters van Fjodor Abramow. En meteen was één van de voor mij merkwaardigste en markantste gebeurtenissen van dit festival een feit: na afloop van de het tweede deel van deze kolchose saga over het Stalintijdperk veert het Westduitse publiek als één man recht en vergast de bijna veertig koppige cast op een wilde ovatie die zowaar exact veertien minuten lang blijft duren. Een Gorbasme van een klein kwartier!

En dat is vreemd. Dodins Broeders en Zusters is immers rechtlijnig, vaak melo en ongenuanceerd simplistisch. In zijn gebruik van overweldigende massascènes en direct aansprekende beelden, maar ook bijvoorbeeld in het herinvoeren van de figuur van de absolute held doet dit soort hyperemotionele dramaturgie eigenaardig genoeg meer denken aan de Amerikaanse film dan wel aan een traditie in Russisch drama. Niks relativering, ironisering of intellectueel kritische ontleding van de problematiek. Niks post- of gewoon maar modernisme. Wat het Maly Teatr bracht en wat het publiek zo scheen te appreciëren was theater dat zo ‘ouderwets’ was dat het zelfs door een krant als Le Monde als één van de belangrijkste ontwikkelingen in het hedendaags toneel werd bestempeld.

Verder zat Broeders en Zusters qua acteurs, qua scenografie en vooral qua theamatiek natuurlijk wel goed. Het thema zou overigens wel vaker terugkeren. De hunkering naar vrijheid van het individu tegenover de totalitaire krachten van ‘het systeem’. In Heiner Müllers Lohndrücker bijvoorbeeld, een ander markant glasnostspektakel uit de eerste dagen van het festival, waar het dit keer niet om boeren, maar wel om arbeiders gaat. Maar opgevoerd door het Oostberlijnse Deutsches Theater, in een regie van Muller zelf was de boodschap wel even duidelijk en schokkend.

Het failliet van het collectivisme en van de revolutie dan nog eens in de tweede productie van het Maly Teatr en van regisseur Dodin: Sterren aan de ochtendhemel van Alexander Galin over vier hoertjes die voor de Olympische Spelen in Moskou uit het straatbeeld moeten weggezuiverd worden. En ook in de Hondehart die ook in Vlaanderen al te zien was, Boelgakovs vrij onomwonden betoog tegen de brainwash van eigenlijk elke revolutie. Maar de overtuigendste glasnost-aanklacht kwam voor mij dan toch weer uit Oost-Duitsland, waar Irmgard Lange met het Dresdener Staatsschauspielhaus De overgangsmaatschappij van Volker Braun had geënsceneerd, en daarmee meteen diens motto op krachtige wijze in de praktijk had gebracht: de enige zin die literatuur en kunst kan hebben ligt in het weer afbreken van wat ideologie heeft opgebouwd. Intelligent, gedurfd en poignant theaterwerk dus over de Oost-duitse en de Oost-europese situatie.

En in het hoofdstuk ‘mens en vrijheid’ was dit misschien een hoogtepunt gebleven, mocht de Chinese regering niet gezorgd hebben voor een nog treffender illustratie van hoe een overgangsmaatschappij plotseling zijn hele overgang kan vergeten.

Het Volkskunsttheater uit Shangai, dat het ‘Theater Der Welt’ festival zou komen afsluiten met hun creatie van Lennon Confucius, Jezus kreeg immers geen toestemming om het land te verlaten. Misverstanden over de opstand in Peking, en de negatieve reacties vanwege de Westerse pers deden het onzinvol uitschijnen de groep te laten overkomen, zo klonk de partijrethoriek op de telex.

Gelukkig -maar eigenlijk past hier beter helaas- waren er nog andere onderdrukten die konden zorgen voor een even zinnige en ( meer dan) waardige afsluiter. Sarafina van het Market Theatre uit Johannesburg was niet alleen een schitterende musical die elk Broadway spektakel moeiteloos naar de kroon kan steken ( en dat ook doet), niet alleen een prachtig voorbeeld van je reinste agit-prop in meeslepende Mbaquanga muziek en wervelende half ethnische choreografieën, het was eerst en vooral een hartsverscheurende belevenis: een nieuw en schokkend beeld van een wereld die ondanks alle Nelson Mandela popconcerten nog altijd vaak duister en onscherp blijft. Sarafina is het verhaal over de opstand van de scholieren in Soweto, gespeeld door een dertigtal van zulke jonge zwarten in een regie en script van Mbongeni Ngema. Maar dat alles wist u al dankzij de uitgebreide coverage die deze aangrijpende aanklacht tegen apartheid kreeg; tot zelfs in Vlaanderen, waar hij in februari of april op de planken zou moeten komen. Terecht heeft u nu al het voornemen opgevat om deze ruwe diamant hier te gaan bekijken. Terecht werd in Hamburg Sarafina door velen genoemd als het absolute hoogtepunt van het festival.

Maar meteen zijn we dan ook zo’n beetje door de uitschieters heen. Daaronder komen dan -zoals ik al zei- een hoop interessante en/of mooie voorstellingen die niet echt wereldschokkend zijn of revelerend als ‘Theater der Welt’ van vandaag. Eén van de meest prestigieuze in deze rij zal bijvoorbeeld wel Ingmar Bergmans enscenering zijn van O’Neills Lange dagreis…: het Dramaten gezelschap uit Stockholm met Bibi Andersen als aanvoerster van nog een paar Zweedse kanonnen. O’Neill en Bergman konden een soort mystieke broers geweest zijn, en de vier Zweedse rasacteurs leken in hun vorige leven wel de familie Tyrone te hebben geïncarneerd. En toch kon deze heel sobere, heel innige en heel gevoelige voorstelling je alleen tot de slotsom brengen dat het theater waarschijnlijk meer betekent voor Ingmar Bergman, dan Ingmar Bergman betekent voor het theater.

Wat dan nog? Nog eens gezellig klassiek met de Engelsen en Mrs Vershinin, een door Mike Bradwell geregisseerd stuk van Helen Cooper waarin het ‘spook’ van de vrouw van luitenant Vershinin uit Tsjechow’s Drie Zusters leven en een verhaal krijgt. Een verhaal en een leven dat vooral in het begin kan boeien maar dat altijd wel wat muffer blijft dan de heel rake muffe-museum symboliek die doorheen de schitterende scenografie geweven zit.

Ook bij L train to Eldorado van het nu al klassiek-moderne Squat Theatrelegden de acteurs het soms wel eens af van de scenografische trucjes en de decorvondsten. De Balints en de New Yorkers-Hongaren zijn in hun establishment zeker niet al hun talent kwijtgeraakt, maar hun werk is natuurlijk niet meer de revelatie die het was toen ze hier tien jaar geleden op hetzelfde festival in dezelfde stad ‘ontdekt’ werden.

Een revelatie was nu ook niet echt het werk van die andere New Yorker: John Kelly, die een nochthans stijlvolle en geestige hommage aan Egon Schiele meebracht onder de heerlijk dwaze naam: Pass the Bloodwurst Bitte. En om van de New Yorkse naar de Londense underground te trekken, kan ook meteen het werk van Gloria, het gezelschap rond de zonder meer voortreffelijke acteur Neil Bartlet, waarde- en stijlvol genoemd worden. Het travestietentheater dat nog steeds de Engelse sien overspoelt mag dan allang geen potten meer breken. Bartlett en de zijnen/haren bewijzen dat het stijlfiguur ook kan gebruikt worden om zinnig en relevant theaterwerk te maken.

Nog een paar dingen die mij in Hamburg konden bekoren, al zou ik niemand de Bosporus laten overzwemmen om ze te gaan zien: in de duo’s vond ik die twee gekke Chilenen van het ‘Nuevo Gruppo’ theater uit Santiago wel leuk. Hoe ze in La Secreta Obscenidad de Cada Dia, van de jonge Chileen Marco Antonio De La Parra toonden hoe heimelijk obsceen het alledaagse wel kan zijn. Zeker wanneer Sigmund Freud en Karl Marx elkaar als twee exhibitionisten ontmoeten in een park waar zowel jonge meisjes als agenten van de staatsveiligheid rondjoggen. En dan de gebroeders Stone: ook al leuk en nochthans geen larie, hun Summit, een topontmoeting tussen twee staatshoofden (maar ook tussen twee broers) geanalyseerd in woordloze body-language.

Van de duo’s nog even naar de solo’s met een eervolle vermelding voor het werk van de Australische Julie Forsyth die in Kid’s Stuff Raymond Cousses roman Enfentillages op een heel geestige en energieke manier leven gaf. Ook een natte duim voor Jean-Marie Frin van de Franse Comédie de Caen, want even impressionant en minstens even riskant was de manier waarop hij gestalte gaf aan de figuur van de onderbegaafde maar overactieve Tom, ‘faible categorie un’ en ‘expert nutricien’ in de psychiatrische instelling waar hij met z’n ‘don de la parole’, de toeschouwers het hele festival lang vergastte op een bord linzensoep. Twee zeer mooie en zeer gevoelige solo’s, al heb ik dan wel -zoals dat wel es meer gebeurd op dit soort festivals- net die voorstelling gemist waarvan iedereen je achteraf komt zeggen dat die niet te missen was: de kabareteske anti-apartheid solo-slim van de Zuid-Afrikaan Pieter-Dirk Uys: Adapt or Dye : 51% vermaak, 49% woede.

En vooraleer ik dan al die andere niet geziene voorstellingen samen met de quantité négligable naar het wit van het blad verwijs, moet ik het nog even kort hebben over het -eigenlijk ook vrij bescheiden- dansluik van het festival. Daarin kwam ‘onze’ Wim Vandekeybus nog maar eens het mooie weer maken, mochten ook onze noorderburen met de Amsterdamse Dubbelspoor produktie uitpakken, en kwam de Italiaan Giorgio Barberio Corsetti het kladje tonen van het eerste deel van zijn Kafka-trilogie: Descrizione di una Battaglia, een werkstuk dat nog zo ruw en slordig overkwam dat het zich eigenlijk zelfs helemaal nog niet leende tot recensie of tot deelname aan een groot internatinaal festival.

De kern van het dansaanbod lag dus ergens anders, en eigenlijk bij één groep. Een gezelschap waarbij het eigenlijk moeilijk is om van dans te spreken. Al was het al maar eenvoudigweg omdat zij in hun naam: ‘The Laokoon Dance Group’ steevast het woordje Dance blijven doorstrepen. ‘Laokoon’ is een groep die onder leiding van de Britse choreografe Rosamund Gillmore al zo’n goede tien jaar in de rust en de beslotenheid van een dorpje in Beieren werkt aan een vrij eigenzinnige vorm van musicaal lichaamstheater. En dat Klett en Flimm nu net deze mensen uitkozen om -net zoals ook Pina Bausch dat hier tien jaar geleden mocht doen- een retrospectieve te geven van hun werk, was natuurlijk een (te?) bewust controversiële zet. Controversieel waren de zeven creaties van Gillmore dan ook zeker: de hemel ingeprezen door de sommigen, de grond in geboord door de anderen (eerder de velen), en terwijl na afloop de ene helft van het nog schaars overgebleven publiek bravo riep, riep de andere helft boe. Nu mag dit soort controverses gezond voer zijn voor hooglopende discussies, diepgaande colloquia en een hoop caféklap. Toch stond Blaubart, die ene productie die ik in Hamburg van Laokoon zag mij al zo tegen dat ik netjes bedankte voor de andere zes en voor de hele controverse. En de naam van de groep schrijf ik voortaan ook zo in mijn agenda: The Laokoon Dance Group.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#27

15.09.1989

14.12.1989

Nic Balthazar