Leestijd 5 — 8 minuten

Song #2

Abke Haring en Benjamin Verdonck/Toneelhuis

Toen het Toneelhuis in 2006 doorstartte als een verzameling van artistieke clusters – ‘satellieten’ – was het de vurige hoop van artistiek leider Guy Cassiers dat tussen de zes makers(groepen) onder zijn dak spontaan kruisverbanden zouden ontstaan, nieuwe en spannende samenwerkingen. De praktijk bleek ietwat weerbarstiger. De makers, elk met erg uiteenlopende theatertalen, bleken (niet geheel onlogisch) in hoofdzaak bezig met het ontwikkelen van hun individuele parcours. De collectieve voorstellingen Een geschiedenis van de wereld in 10 ½ hoofdstuk (2007) en Middenin de nacht (2010), waarbij de hele Toneelhuisploeg op scène stond, waren milde aansporingen tot meer kruisbestuiving. In coaching, spel en scenografie werd er sporadisch al samengewerkt. Maar voor de eerste volwaardige liaison van theatertalen was het wachten op Abke Haring en Benjamin Verdonck. In Song #2 pogen de Toneelhuismakers hun werelden te verenigen. Dat mislukt. Maar het falen is erg mooi.

De Nederlandse Haring (°1978) is sinds 2010 aan het Toneelhuis verbonden. Als speelster duikt ze regelmatig op in andermans regies (Perceval, Cassiers), maar ze schrijft ook eigen theaterteksten, die ze regisseert en speelt. Harings schriftuur is niet de meest toegankelijke: het gaat om afgebeten, associatieve tekstflarden die functioneren als een mantra, eerder dan als vertelling. De woorden moeten een trauma bezweren, dat zijn oorsprong kent in verstoorde oedipale verhoudingen. Ze cirkelen om die geschonden familiebanden heen, zonder de scheur ooit te kunnen benoemen. Door het gebruik van een lichtkrant verliezen ze soms nog meer betekenisgevende status, gereduceerd tot beeld. Dit aparte taalgebruik, gepaard aan een esthetiek die met abstracte scenografieën, kil wit licht en een dreunende basso continuo een innerworld oproept, maakt de toegang tot Harings wereld een taaie klus.

Benjamin Verdonck (°1972) is acteur, schrijver, beeldend kunstenaar en theatermaker. Hij werkt in de zaal maar ook in de publieke ruimte, met als voorlopig culminatiepunt daarvan het project KALENDER, waarvoor hij in 2009 365 dagen lang publieke acties ondernam in Antwerpen. Het mag duidelijk zijn dat Verdonck de blik op de samenleving richt, al gebruikt hij voor zijn engagement een beeldtaal die op geen enkele manier sloganesk is. Verdonck zoekt het politieke in een gewilde naïviteit. Op scène vertaalt zich dat in een onderzoek naar materialiteit, een basistaal die iedereen begrijpt. Zijn zaalvoorstellingen zijn vertederende vormen van objecttheater, met hemzelf in het centrum van de chaos, als spelend kind. Ondanks de vaak associatieve logica kunnen deze zaalvoorstellingen doorgaans een groot publiek bekoren.

Twee makers pogen allebei de wereld te ordenen, te grijpen en te begrijpen. De een doet dat met een vocabularium van woord(beeld)en, de ander met een alfabet van object(beeld)en. De verschillen tussen Haring en Verdonck zijn groot: binnenwereld versus openbare ruimte, familiekroniek versus maatschappelijke focus, hermetische esthetiek versus leesbare beeldtaal en ja, vrouw versus man. Bovendien: meer Einzelgänger dan groepsmens. Beide gezegend met een grote artistieke koppigheid. Alles of niets. Ga er maar aan staan, aan Song #2.

Ze gaan er aan staan. Ze komen op het voorplan, dicht bij het publiek, en staan daar een hele tijd te zijn, zodat we tijd hebben om hun lichamen goed in ons op te nemen. Want die lichamen spreken. Zij ademt gejaagd, haar gezicht vertoont zenuwtics, haar ogen flitsen schichtig heen en weer, als een dier. Ze draagt een weinig elegante trainingsoutfit en sportschoenen. Alles aan haar is onbekoorlijk. Naast haar staat hij – die er al even onaantrekkelijk uitziet. De ingevallen, magere wangen, de onverzorgde baard, dezelfde troosteloze outfit. Van verleiding, van identificatie, kan geen sprake zijn. Dit zijn sjablonen.

Wanneer Haring begint te spreken, blijken de eerste woorden de laatste te zijn, die van een afscheidsrede. ‘Dank- jewel voor de tijd, voor het geduld. Voor de herkenning van de nood aan geduld, tijd en ruimte.’ In een monologische roes uit ze haar dankbaarheid voor begrippen die een definitie blijken van tijd en ruimte, materie en ervaring, gevoel en verstand – voor alles wat des mensen is, of was. ‘Dank je voor het gemis/ voor de tijd dat ze wonden heelt/ voor het krimpen en het uitzetten/ het begin en het einde/ voor het zoeken en het vinden/ voor de hoop bij het begin/ Dank je dat iets dat pijn deed toch genas.’ Haar spreken heeft iets bezetens, alsof door haar trillende lichaam een ander spreekt (ieder ander?). Hij kijkt toe alsof hij naar een onbekende diersoort kijkt. Doet dan het enige denkbare. Met een eenvoudig gebaar neemt hij haar hand (poging nr. 1). Het woord valt stil. Tijd voor het ritueel.

Rechts op scène staat een prachtige maar vreselijke machine, een verhakselaar die zo precies uitgelicht is dat de schaduw van zijn malende tanden die worden van een meedogenloos beest. Er wordt een blik gewisseld – zullen ze? Hij kleedt zich uit, provoceert haar om hetzelfde te doen – zij volgt (poging nr. 2). De felwitte Nikes gaan eerst. Alles moet de verhakselaar in: sigaretten, gsm, schoenen, kleren. Harings fluoroze ondergoed tekent frivole kleuraccenten in de vormeloze brij die uit de verhakselaar stroomt, het restafval waartoe deze twee hun oude ‘ikken’ reduceren. De ladder en de veegborstel waarmee Haring als een voorbeeldige huisvrouw de troep bijeenveegt, gaan als laatste de machine in. Nietsontziend en blind vermaalt het ding elk consumptiegoed, enkel de weerloze lijven blijven over. De aanblik van de tanden zo dicht bij dat naakte, zachte vlees is onverdraaglijk. Maar het oude moet vernietigd worden, plaats maken. Met die lelijke, naakte aap van daarnet is het gedaan. De machine valt stil. Tijd voor iets nieuws.

Hoe doe je dat, een nieuwe wereld creëren? Door te spelen, lijkt Verdonck aan te geven, te spelen dat alles opnieuw begint. Met een priemende vinger in haar zij (poging nr. 3) nodigt hij Haring uit tot dat spel. Er ontstaat een dans die in een hoog tempo de fasen van geboorte, kinder- en puberteit doormaakt. Van een boreling die aan zijn moeder hangt over het op vier voeten kruipen van peuters, het seksloze stoeien van kinderen tot de meer g laden erotische ontdekkingstocht van jongvolwassenen. De herhaalde aanzet van Vivaldi’s Lente, die maar niet wil doorbreken, versterkt de ontroerende geestigheid van dit plezier: hun uitproberen van hoofse verleiding, theatrale gestes en seksuele poses. (Achteraf gezien beklijft net deze dans, zo centraal in de voorstelling, als de enige sequens van echt samenzijn.)

Het aanbreken van de volwassenwording betekent de normering, de beteugeling van het spelende beest. ‘Mag ik hier iets laten vallen? Mag ik hier iets achterlaten? Hebt u een handleiding? ’ Keer op keer herhaalt Verdonck zijn ongemakkelijke intro’s, in een poging tot volwassen conformisme. De vraag ‘Kunnen we beginnen’? leidt de slotfase in, terwijl ze eigenlijk betekent: kunnen we nog eens herbeginnen? Er ontvouwt zich, door manipulatie van touwtjes en geometrische vormen, een beeldend tableau. Zonder woorden, maar met een beeldende trefzekerheid die zelfs een kind begrijpt, wordt getoond waar het de sprekende aap altijd weer om te doen is, generatie na generatie. I was here. Meer is er niet. Disisit.

Song#2 toont een poging en het falen van die poging, op alle niveaus. Niet alleen hervertelt de productie de steeds herhalende betrachtingen van generaties om zich te bevrijden van voorgangers, en het radicaal anders te doen. Dat mislukt, net zoals de eeuwige pogingen van man en vrouw om de juiste ‘wederhelft’ te vinden en zo de mythische ‘eenheid’ te herstellen die in Plato’s Sumposion wordt beschreven – om één te zijn met de ander. Tenslotte schemert onder die letterlijke gestes van toenadering (elkaar de hand reiken, elkaar volgen, spiegelen) ook een intentie op metaniveau: een poging van de ene maker om de ander te vinden. Misschien schuilt daarin nog het grootste falen. De verbeeldingswerelden van Haring en Verdonck blijven de hele tijd naast elkaar staan. Heel wat elementen uit de voorstelling zijn toe te wijzen aan de een of de ander. De lichtkrant, de moordmachine, de spiegelende gestes: Haring. De vragen, het frivole spelen, de beeldende slotconstructie: Verdonck. De naden van de poetica’s blijven zichtbaar: Song #2 is knip- en plakwerk, geen samengaan. Haring en Verdonck zijn er niet in geslaagd om zich elkaars wereld eigen te maken, en een nieuwe, gedeelde wereld op scène te zetten.

Het is de naïviteit waarmee ze rond elkaar blijven dartelen, elkaar blijven zoeken en tenslotte in een schaamteloos romantische uitschieter hun verlangen vorm geven, die diep ontroert. De regenboog heeft nu eenmaal veel kleuren. Dat is wat ze tonen, en dat is wat wij moeten aanvaarden: het verschil.

www.toneelhuis.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#133

15.06.2013

14.09.2013

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!