© Raymond Mallentjer

Evelyne Coussens

Leestijd 4 — 7 minuten

Sit-down comedy #1 – Comp. Marius

Overtuigende onzin

Compagnie Marius katapulteert Thomas Bernhards roman Oude Meesters (1985) recht de 21e eeuw in, met het prachtige Middelheimpark als decor.  

Wat een prachtige speelplek heeft het Antwerpse Compagnie Marius toch. Midden in de groene weelde van het Middelheimmuseum lijkt een vertoornde reus aan het smijten te zijn geweest met vier enorme zeecontainers – ze zijn schijnbaar willekeurig op elkaar neergestort en vormen in hun wat absurde constructie de kantoren en repetitieruimte van het gezelschap. Een houten halfrond ervoor, en daarvoor de gekende openluchttribune van de Mariussen, et voilà: het décor voor Sit-down comedy #1 is klaar. Een schraal zonnetje valt over het speelvlak, waar twee dandyeske mannen in identieke kledij ons opwachten, elk op een hoek van een rode, versleten tweezit. Rechts van ons ruist de weelderige kruin van een eik, links hebben we zicht op Chris Burdens onnavolgbare Beam Drop – over dat kunstwerk van in de grond geboorde poutrels zouden Atzbacher en Reger, die de hoofdrol spelen in de venijnige komedie van Thomas Bernhard, zeker hun zegje hebben willen doen.

Net daarover lijkt de interpretatie van Compagnie Marius ook te gaan: over zijn zegje willen doen, over de echokamer van het eigen gelijk, en die reflectie blijft hangen tot lang na de voorstelling, veel meer dan de cultuurkritiek zelf die Bernhard in 1985 formuleerde in zijn roman Oude Meesters, die bijna een monoloog is. Zijn stokpaardjes kennen we intussen: Bernhard voert zijn personages op als ijdele snoeshanen, als elitaire toeteraars die zich beklagen over het afbrokkelen van de hoge cultuur, de domheid van leraars en regeringen, de platheid van het massatoerisme, maar evengoed geven ze af op de luiheid van de filosofen en de hebzucht van de grote schilders. In hun zelfingenomen en stereotyperende discours, gericht tegen alles en iedereen, leggen ze slechts hun eigen intellectuele en emotionele leegte bloot. ‘Het beste begrijpen we een filosofische verhandeling door haar niet te lezen,’ zo blaast de zogenaamde intellectueel Reger in alle ernst. Staatskunst, de canon, de iconen – ze moeten er allemaal aan geloven. Dat Bernhard geestige oneliners kan verzinnen (Heidegger is ‘smakeloze maar bijzonder makkelijk verteerbare leespudding’) is anno 2020 onveranderd waar, maar is geestig ook meteen relevant?

Neen, dan is het procedé zelf van het ‘praten over’ een stuk betekenisvoller dan de satirische lading op zich. De roman wordt grotendeels verteld vanuit het gezichtspunt van de zogenaamde intellectueel Atzbacher, die in feite niet veel meer doet dan de lezer vertellen wat de door hem bewonderde muziekcriticus Reger hem op zijn beurt heeft verteld. De dramaturgische ingreep van Marius bestaat erin om die vertekening nog eens te ontdubbelen. Niet één maar twee stemmen, die van Kris Van Trier en Vincent van den Berg (van het Nederlandse ‘t Barre Land) voeren de monoloog als één personage. Ze doen dat in een eerste fase bovendien al echoënd – elke frase wordt door de twee spelers gezegd waarbij soms de ene, dan weer de andere de ‘aangever’ is. Behoorlijk vermoeiend is dat, op het irritante af, vooral aangezien de originele tekst van Bernhard op zichzelf al volzit met het drammerig herhalen van begrippen en namen. Maar dat irriteren, tot op het punt dat we ons afvragen wat hiervan de bedoeling kan zijn – dat is nu net erg effectief.

De inhoud van de eerste tien minuten gebabbel is immers irrelevant, en het procedé van de ontdubbeling bewijst alleen wat te bewijzen was: de mensen praten maar, horen alleen zichzelf en luisteren zelden naar een ander, of zoals Bernhard, die in sommige niet-ontdubbelde passages duidelijk van achter zijn personage komt piepen, zegt: ‘We praten nogal wat af met mensen die ons niet interesseren.’ Hoe briljant de maatschappij- en cultuurkritiek van Bernhard verder ook wordt vormgegeven, met prachtige satirische switches van het verhevene (de wereld van filosofen, componisten) naar het platte (de po van het Kunsthistorisches Museum in Wenen) en tussen het maatschappelijke (de domheid van de cultuurhatende regeringen) en het persoonlijke (de liefde van Reger voor zijn vrouw, het trauma van de kindertijd); het blijft een discours dat een beetje versleten aandoet. Het is Bernhards praktijk om een karikatuur te schetsen (‘We maken van de dingen een karikatuur om ertegen bestand te zijn’) maar in tijden van new sincerity en metamodernisme heeft de karikatuur als stijlfiguur aan belang ingeboet. Gedenk het jaar van concipiëring van deze tekst.

De echokamer die Marius echter creëert katapulteert dat discours alsnog recht de eenentwintigste eeuw in – de eeuw van filterbubbels, gepolariseerde meningen, fake news en de toenemende onmogelijkheid om te luisteren naar elkaar. Of zoals de tekst zegt: ‘Alles is onzin wat we zeggen, maar we zeggen deze onzin zeer overtuigend.’ De schaarse momenten van synchrone stilte worden er op slag een statement door. Bovendien vergroot de ingreep het muzikale gehalte van Bernhards tekst uit: het is mooi om te zien hoe de tekst heen en weer tikt tussen de spelers, die zich er elk op hun beurt van moeten ‘meester maken’, en daarbij een spel aangaan van elkaar het woord te geven en opnieuw te ontnemen. Ook dàt spel is bloedernstig te nemen anno nu: hoe bewaar je het evenwicht in een gesprek, hoe zorg je ervoor dat je de ander niet aftroeft maar hem het woord gunt, om het op gezette tijden weer voor jezelf op te eisen? Menig ‘polemisch’ praatprogramma zou er een voorbeeld aan kunnen nemen.

Sit-down comedy #1 is kortom meer te bewonderen om zijn impliciete want geabstraheerde kwaliteiten dan om hetgeen Bernhard inhoudelijk mee te delen heeft. Dat is een compliment voor Compagnie Marius: dat de tekst vandaag nog steeds resoneert, is slechts hun verdienste.

 

De voorstelling speelt nog op 8 en 9 augustus op Theater aan Zee.

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#160

15.03.2020

14.05.2020

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.