De band tussen broers is een eigenaardig gegeven. De onwankelbaarheid die zo’n band lijkt te kenmerken kan ons al eens machteloos doen voelen. Ook mannelijkheid is een thema dat ons vandaag, overspoeld door golven van feminisme, bezighoudt. ‘Wij vinden elkaar voornamelijk aan de oppervlakte’, zegt Vanden Thorens personage op zeker moment, waarmee hij schijnbaar doelt op hoe lastig het kan zijn om elkaar te (willen) begrijpen, ondanks een gedeeld leven. Wie die ‘wij’ zijn waar Vanden Thoren op doelt, is misschien voor meerdere interpretaties vatbaar.
Centraal op de scène staat een auto, omhuld door een zilveren hoes en stilte. Enkele spots doen het geheel, dat een afgelegen bedrijfsloods voorstelt, baden in een serene filmische sfeer. Enter De Voogdt, belichaming van viriliteit. Hij speelt Joeri, een ex-verslaafde die nu het familiebedrijf naar ongekende winsten tilt, een rijke bohemien met een open relatie die zelfverzekerd de zaal toelacht in zijn bodywarmer. Hij tovert een blinkende oldtimer van onder de hoes tevoorschijn, richt er vier spots op en laat het nummer ‘Our Darkness’ door de boxen gieren, alsof hij de voorstelling opstart. In één beweging laadt hij het podium op met zijn machismo. Het contrast kan haast niet groter zijn met de zelfbewuste Benoit (Robrecht Vanden Thoren), die even later op een dure elektrische fiets (het substituut van zijn identiteit: solide, deugdelijk, en weloverwogen) vlot de scène oprijdt. Hij is een journalist en schrijver, misbegrepen door zijn anti-intellectualistische ondernemersfamilie, die zich gretig op het vaderschap en zijn grootstedelijke groene illusies stort.
Broederlijk bekvechten
Nu beide personages met enkele vakkundige penseelstreken hun entree hebben gemaakt, kan het broederlijk bekvechten beginnen. Ze luisteren niet, maar praten letterlijk naast elkaar, om ter luidst het publiek overtuigend van het eigen gelijk. Waar hun gesprek heen zou moeten leiden blijft wazig. Thema’s zoals zorg, de nucleaire familie, seksualiteit en de grenzen van monogamie komen aan bod, maar wie een diepgaande reflectie verwacht, is eraan voor de moeite. Want hoewel deze thematieken uit de mond van twee mannen op middelbare leeftijd relevant en spannend kunnen zijn, blijft Parkplatz braaf aan de oppervlakte.
“Meestal wisselen viriele woede en luie middenklassehumor elkaar in hoog tempo af.”
Hier en daar schemert een ontwapenende aandachtigheid door zowel tekst als spel. Maar meestal wisselen viriele woede en luie middenklassehumor elkaar in hoog tempo af. Er stroomt neoliberaal bloed door deze broers: vertrekkend vanuit een economisch succesidee bespotten Joeri en Benoit self-care clichés en (ecologische) vluchtroutes met dezelfde luxe waarmee ze die trends toe-eigenen. Ze verpersoonlijken een soort geprivilegieerd snobisme om je achter niets te moeten scharen: vanuit hun vanzelfsprekende vrijheid en comfort relativeren en verbrassen ze erop los. Seks baadt in een verkrampt omhulsel van ongemakkelijke schaamte. Zorg dragen voor elkaar wordt in hun relatie te evident verbonden aan macht. De tekst lijkt bijna pro forma, alsof de inhoud er niet echt toe doet, zolang er maar gepraat wordt. Daardoor hangt er een ambiguïteit over de hele voorstelling. Alsof middenklasse-mannelijkheid enkel kan betekenen: ‘het ook allemaal niet weten’. Die ambiguïteit is op zijn best kenmerkend voor hoe we ons vandaag verhouden ten opzichte van mannelijkheid. Maar tegelijk versluiert die ambiguïteit een gebrek aan engagement.
De afwisselende cyclus van vechten, praten, dansen en brullen, is herkenbaar voor een band tussen broer of zus, met haar eigen logica van afstand nemen en nabijheid zoeken. Er worden pinten gedronken, er worden sigaretten gerookt. Er wordt gedanst en (onvermijdelijk?) ook gevochten. De broers rollen hun spierballen achteloos imposant over de oldtimer van hun moeder. Waarvoor dient de acrobatie? De trucs staan los van hun personages, maar zijn blijkbaar toch onmisbaar in het universum van Parkplatz. Moet het beeld van de vechtende mannen freudiaans (en heel genderbevestigend) begrepen worden door het te linken aan hun gedeelde kindertijd? Nee: het vechten in Parkplatz vervangt de momenten waarop de broers mogelijk iets werkelijk spannends aangaan met elkaar, waardoor het gevecht een paradoxale lafheid uitdrukt, een onzekerheid en ijdelheid. Of de makers daarmee scherp een zeker mannelijk onvermogen blootleggen, of juist belichamen, is niet helemaal duidelijk, en lijkt ook niet belangrijk.
“De tekst lijkt bijna pro forma, alsof de inhoud er niet echt toe doet, zolang er maar gepraat wordt. Daardoor hangt er een ambiguïteit over de hele voorstelling. Alsof middenklasse-mannelijkheid enkel kan betekenen: ‘het ook allemaal niet weten’.”
Madonna-hoercomplex
‘We gaan het niet hebben over Lut, of ik ga u slaan!’, roept Benoit. Een onsamenhangende cocktail van geweld, foute geheimen, humor en misogynie typeert Parkplatz. De mannen lijden aan een soort van madonna-hoercomplex. Zo bedriegt Benoit zijn vrouw, Elke, al jaren met Justine, een oude liefde uit de jeugdbeweging (en tevens zijn werknemer en babysit). Elke komt naar voren als een intelligente, zuinige vrouw; Justine is daarentegen heel heet én een soort moederfiguur.
Over moeders gesproken: die van de broers wordt ruwweg geschetst als een mannenverslindster en kille zakenvrouw met grote borsten. Toch domineert ze ook na haar dood symbolisch het leven van haar zonen via haar oldtimer. Goed, het uitgangspunt lijkt te zijn dat mannen hun sexyness verliezen als ze in een vaste relatie zitten (of hun moeder verliezen?) en niet meer kunnen ‘jagen’. In plaats van eerlijk te zijn, worden ze conformistische calimero’s met ‘ik mag en kan niks meer’ als levensmotto. Elke vorm van kritiek op dit discours blijft uit, integendeel: Parkplatz is er eerder een verheerlijking van. Als kers op de taart is Benoit dankbaar dat hij dochtertjes heeft, en geen zonen, want ‘papa is gewoon altijd hun held’.
Parkplatz laat me verward achter. Op het einde is Vanden Thorens personage uitgeput, slachtoffer van zijn eigen onvermogen, en wordt hij getroost door De Voogdt. Alsof makke klungeligheid de enige ingang tot kwetsbaarheid is voor deze mannen. Als deze macho’s mannen zijn, ben ik dan een mannenhaatster? Een woord dat vloeiend aansluit bij het vocabulaire van Parkplatz! Mannen kunnen zich volgens mij veel diepgaander, boeiender en grappiger verhouden ten opzichte van ontluikende kwetsbaarheid dan wat de voorstelling ensceneert. De twee broers zijn te snel tevreden met zichzelf, en hetzelfde kan gezegd worden over de voorstelling.




