Pieter De Buysser, Christophe Van Gerrewey, Bram De Cock, Wouter Hillaert

Leestijd 29 — 32 minuten

Minnelijke voorwerpen

Om kritiek te bedrijven moet je van kunst houden. Maar hoe kun je de liefde voor een kunstobject beschrijven als de kritische afstand tussen liefhebber en geliefde implodeert?

Vatten het onzegbare in woorden: Pieter De Buysser, Christophe Van Gerrewey, Bram De Cock & Wouter Hillaert

In de marge vertellen de toeschouwers van the love piece over hun ervaringen. Een selectie door Alice Chauchat

‘The Love Piece’ is een creatie van Ana Achimovicz, Nino Bokan, Alice Chauchat, Pravdan Devlahovic, Oliver Frljic, Zvonimir Kvesic, Ivana Pavlovic, Ivana Roncevic, Nina Sakic & Una Vizek.

I discovered in a way another thing while I met this guy whose name I don’t know, who seems to have also been through things, but this I don’t know, it’s a mystery for me. xxx

The relationship I had, if it’s a relationship, I still don’t know, was very peculiar because I felt a bit fucked. Because I don’t trust him. Because he’s working. And I work and when I work I give things, I give signs and sometimes I produce things which… I do language things; it’s language. I had a quite intense meeting, although it felt like I didn’t really meet her but maybe more my memories. I could fill it in a way, or she could fill it, she could fill whatever purpose I wanted, in a way. Xxx

The field of landscapes I go through is very wide, it goes from basic sexual interest to an absolutely existential, human, biological, almost original thing xxx

De lenige liefde

Pieter De Buysser

Van Godard en Bergman, tot Jan Lauwers en Julio Cortazar. Pieter De Buysser overloopt in vogelvlucht zijn 6 favoriete liefdesmomenten. Buitensporig of tiranniek, vrij en lenig, of zo sereen als Kant maar kan zijn. De liefde voor de kunst kent vele gezichten.

Liefde zou blind en onredelijk zijn. Iets dat geliefd wordt, zou dus niet meer met redenen te omkleden kunnen zijn. Die rationele verhulling van iets puur instinctiefs kan het net nog veel verleidelijker maken. Dat is het werk van pooiers en schrijver dezes.

Het werk dat ik het meest liefheb, het in mijn ogen meest uitzonderlijke werk, is werk dat de toekomst bepaalt. Individueel en collectief. Het zijn werken die invloed hebben gehad op mezelf, zowel in wat ik ging maken als in hoe ik ging leven. Als ik merk hoe drastisch een werk invloed kan hebben op mij, dan kan het ook die invloed hebben op een ander, ik ben niet meer dan een schakel in een tijdsgewricht. Het ingrijpende werk is daarom altijd voor mij een voorstel geweest, iets voorafgaandelijk, een prelude zowel voor mezelf als voor de hele wereldgeschiedenis die ik toewenste dat ze onmiddellijk dezelfde ervaring zou kunnen hebben. Ieder meesterwerk is een avant-garde van een nog uit te voeren beweging. Het is incompleet omdat de voltooiing niet in het werk zelf ligt. Een groot werk is niet zelfvoldaan, maar viseert een buiten, een zo ver buiten dat het uit ieder kader valt. Een werk dat geen voorspel meer is, is dood en onvruchtbaar. Het zijn de meest briljante kunstwerken die het meest onaf zijn, die verder blijven spelen in mijn doen en laten, die mij het werk laten verderzetten.

Ik heb het geluk u zes soorten liefdes te kunnen voorstellen. Ik heb er meer, maar sommige zijn nog niet rijp, andere zijn overrijp en door iedereen al zo bepoteld dat ze u niet gaan interesseren. En de grootste liefde geef ik niet prijs.

Dit zijn zes liefdes die op mij het meest hun sporen hebben nagelaten, die mijn leven en mijn werk mee vorm hebben gegeven en dat nog doen. Ik kan en wil niet beschrijven wat die bij mij veroorzaakt hebben, omdat me dat mijn navel in dwingt, en omdat ik naar buiten wil. Omdat ik u toewens ook naar buiten te gaan, met één van deze liefdes aan uw hand.

Al wat ik over deze liefdes kan zeggen, is dat ik het gevoel heb dat ze wederzijds zijn.

Zes soorten liefdes:

De onaangepaste, buitensporige liefde om niets

Ik draai een kleine revolutie af en andere gedichten van Lucebert, de heilige zot met een vliegende snotneus die de grammatica verttoccatataat op het kadaver van God en zijn gevolg. Ik wil nog steeds dat zijn excessen in taal en beeld verder gaan, niet alleen omdat het me verschrikkelijk ontroert en blij maakt, maar omdat zijn wanhopig gejuich een probaat middel kan zijn om de terugkeer van God de fecalienput in te zingen. Daar hoort Hij thuis en daar wil ik Hem dienen. Terwijl Hij onder de drek het vrolijk verdronken vosje streelt dat zo schoon een rechtvaardig ei breekt en deelt terwijl de schaar al zingt.

De lenige liefde

Julio Cortazar, Rayuela. Het boek dat ik het meest cadeau heb gedaan aan nieuwe vrienden. Toen ik het de eerste keer las, kreeg ik een opstoot van heel concrete manieren van leven en kijken die ook mogelijk zijn. Het is eigenlijk een verschrikkelijk wanhopig boek, alleen ervoer ik dat niet zo toen ik het las, ik herkende die grondtoon niet als wanhoop: ik herkende die gewoon en ik dacht: zo is dat. Ik ben er door veranderd. Het meest evident werd dat toen ik het vrij snel na de eerste keer helemaal herlas: het viel me dan pas op hoe cynisch de personages waren. Ik kon dat dan pas merken omdat mijn blik sindsdien door de eerste lezing al fundamenteel veranderd was. Het heeft me de mogelijkheden van het hinkelspel leren kennen, het heeft me getoond waartoe de spelende mens in staat is, zowel voor zijn persoonlijke kwaliteit van leven, als voor de samenleving waarin die zich beweegt.

De snijdende liefde

Jan Lauwers, SCHADE/Schade. Tom Jansen die een reusachtige, houten salamandertong in zijn mond steekt en zegt: dit is mijn leven, misschien wat kaal, maar ik houd ervan. Waarom dat beeld me bijblijft, weet ik niet, het komt terug. Eigenschap van het hele werk van Jan Lauwers: een van de grootste complimenten die je een werk kan maken wordt meestal gebruikt als een afwijzing: ik kan er niets mee. Met het hele werk van Jan Lauwers kan ik niets. Het achtervolgt en bijt in enkels en zenuwen. Het kleeft, kerft, duikt op, blijft door de gangen van mijn geheugen spelen. Gangen waar ik zelf geen toegang toe heb maar waar die beelden wel blijkbaar de sleutel van hebben. Die beelden kunnen meer dan ik, ik zelf kan er niets mee. Ze snijden in mij.

De tirannie van de liefde

Een zomer piccolo geweest in een groot hotel. In kostuum waar normaal apen en negers in rond lopen. Een vast loon en intussen proberen zoveel mogelijk fooi los te krijgen. Ik had op een maand tachtigduizend frank verdiend, genoeg om naar Parijs te gaan en te beginnen. Ik heb die hele eerst maand september doorgebracht in cinema Saint-André des Arts. Mijn budget voor de eerste maanden erdoor.

Ik heb op vier weken haast alle veertig films van Bergman gezien, van ’s morgens tot ’s avonds. Ik ben de maand oktober begonnen met fascistische ideeën: iedereen moet verplicht worden minstens vijf films van Bergman te zien. Ik dacht dat empathie, inzicht in de variaties op goed en kwaad, inzicht in de banale raadsels die de geschiedenis maken tot wat ze is, gedeeld moesten worden. Verplicht. Dat we ieder jaar een percentage van ons inkomen afstaan aan zout op de winterwegen is algemeen aanvaard, voor het algemene belang. Ik pleit voor het besteden van een percentage van onze tijd aan de films van Bergman. Zout op de winterwegen. Voor het algemene belang.

De vrije liefde

Pierrot Le Fou van Godard. Al heel jong gezien, en altijd een mythische leidraad gebleven.

Een snelfilm van een onwaarschijnlijk koppige, grappige, misprezen, verstoten en even geliefde kunstenaar. Bij het zien van deze film heb ik de eerste keer beslist mijn leven in te richten rond deze twee Kapitale Nimfen: de Schoonheid en het Verzet. Sindsdien zit ik opgezadeld met twee hoofdletterwoorden uit een film die net gaat over het stoemmelings mislukken van altijd maar te willen tanken bij total . Godard vernietigt wat hij bemint, en net in de vernietiging geeft hij het door. Hij is de meest cynische en meest utopische kunstenaar tegelijk. Hij heeft me beslissingen doen maken die ik ben blijven herhalen, en meestal met een film van hem als voorzet. Les histoires de cinema, Vivre sa vie, Eloge d’amour… Godard (en Pierrot Le Fou) heeft niets met vrije liefde, toont vooral de nachtmerrie, de tragische en soms zelf sublieme slapstick, maar hij geeft door wat hij vernietigt, hij toont de tralie die ons gevangen houdt, een bevrijdende vrije liefde.

De serene liefde

Deze liefde heb ik voor de techniciteit van de filosofie. Kants precisie en zorgvuldigheid in opbouw en verwoording, het heeft iets van een bedwongen hysterie. Hoeveel gekrijs, zenuwspetters en ontsporingen zijn er niet ter ruste gelegd om een dergelijke toewijding aan te kunnen? Ik vind dat kostbaarder dan het nog maar eens tonen hoe we eigenlijk slasher en horror geestjes hebben. Het toont een veel te onbenutte mogelijkheid: die van trouw, evenwicht, aandacht, en zich steeds intensiverende liefde. Hoe Kant ingaat op het functioneren van ons verstand, ons oordeelsvermogen, ons morele gedrag, is van zulk een adembenemende volgehouden kracht en precisie, dat het deemoedig maakt en een menselijke potentie blootlegt die zelden wordt aangesproken. Levinas, Spinoza, hoeveel intenser en emotioneler zijn niet net die bladzijden waar ze proberen de emoties niet te laten meespelen. Wat een liefde, zorg en aandacht, wat een trouw aan een gekozen onderwerp, aan een oeuvre. De techniciteit en precisie waarmee zo’n werk tot stand komt, zijn op zich uitingen van waar ze over schrijven: de ontzaggelijke ethische en esthetische wijdte waartoe een mens in staat is. Ik denk toch weer aan een filmfragment, uit Andrei Roubljev van Tarkovsky, de jonge klokkenmaker die met een bovenmenselijke passie een heel dorp aanstuurt om gezamenlijk een reusachtige klok te gieten. Het verdriet, de noodzaak, de vreugde, en het fatale van een kunstenaarschap: hij deelt zijn liefde.

it was very sad, and also very lovely. And she was great because I felt that she didn’t play me but she went wherever I went. xxx

And it was shocking when she left me. It was extremely abrupt and she just said thank you and she stood up and she left. xxx

it was like the last rope that was holding me back or something and… it’s really impossible to explain but suddenly I just felt this enormous sense of love for him . It was weird, because I had been focusing on this idea of love, and what if this guy here loved me, or what if I loved this guy, who I didn’t really know, but not taking it too seriously, mostly it was just this working on this moment of looking, and just sensing this possibility, a little bit wondering what could happen or if there would be some progress in any direction.. some body would do something, people in the room were laughing or, I saw someone put their arms around each other, so… then there was this opening up and I had this flash of, this great feeling of, a sense of love but in a large way, not with this person but this large idea of love, and then… then I felt a sadness, because I somehow linked it with a possibility that was sitting between me that this would never actually happen here now, that it wasn’t possible xxx

Le silence est signe d’amour (Stendhal)

Christophe Van Gerrewey

Sommige liefdes gaan een leven mee. Zo ook ‘A thousand leaves’ van Sonic Youth, een jeugdliefde van Christophe Van Gerrewey, die de communiefeesten en puberale stormen heeft overleeft, en ook vandaag nog altijd een groen blaadje lust.

Waar het werkelijk om gaat, is altijd onzichtbaar. Het is muziek die, net als sommige architectuur, ‘door middel van aantallen en overeenkomsten tussen aantallen, het verborgen vermogen bevat om verhalen te doen ontstaan’ (Valéry).

Het begint nochtans met of bij objecten: een cd die ik in 1998 kocht in platenzaak P in S en daarnaast de (dubbele) vinylplaat die ik eind dat jaar kocht in speciaalzaak B in A. De titel van beide: A thousand leaves, de uitvoerder: Sonic Youth. Het precieze moment waarop die aankopen plaatsvonden is twee keer een onuitwisbare herinnering geworden – het zijn echter niet de momenten zelf als wel het aantal keren waarop ze in dit geval voor, tijdens of na het luisteren, worden herhaald. Ik weet nog dat A thousand leaves officieel verscheen op de verjaardag van mijn moeder – dinsdag 12 mei 1998 – twee dagen voor 14 mei, mijn verjaardag. Releases liggen traditioneel, sinds ik muziek ben gaan beluisteren althans, op dinsdag. Sonic Youth was door middel van Washing Machine (verschenen in 1995) in de lente van 1996 deel van mijn leven gaan uitmaken – maar dat is een ander verhaal. Het zorgde er wel voor dat ik de uitbater van P al weken voor de aangekondigde release-datum, telkens na schooltijd, vroeg naar A thousand leaves. Op vrijdag 8 mei was er nog steeds niets gearriveerd, behalve een kleine dosis hoop dat de cd heel misschien op zaterdagochtend zou toekomen. Die hoop werd bewaarheid. Ik zie nog steeds hoe het cd-doosje vanonder de toonbank tevoorschijn werd gehaald van zodra ik de deur van de platenwinkel opende. Ik zie ook nog steeds de etalage van de bloemenwinkel, de groene bladeren in een schaduwrijk interieur, op de verlaten straaathoek waar ik daarna een vriend ontmoette – hij fietste in de andere richting dan ik en we hielden beiden halt. Daar is het begonnen, toen ik de cd uit het plastic zakje haalde en aan hem toonde. Daar ben ik voor het eerst mijn relatie met Sonic Youth als middel voor een relatie met de wereld gaan gebruiken. De aankoop van de plaat gebeurde veel minder in een reflex: was het niet vreemd om een vinylversie te kopen van muziek die ik al op cd ‘bezat’? Het was – is er nog iets denkbaar zonder dat het een commercieel aspect heeft? – de verkoper van B die mij overhaalde. ‘Als je er goed op past,’ zei hij, ‘dan verliezen platen nooit hun waarde’. Hij heeft gelijk gekregen: de cd is veel minder waardig oud geworden, zo bleek toen ik de inhoud ervan vorig jaar wou digitaliseren in functie van een iPod – en de computer vastliep. De plaat is, samen met het beluisteren ervan, alleen maar mooier geworden. Bij het beluisteren van een elpee zie je voortdurend, net voor de naald, nieuwe beloftes aangekondigd worden terwijl voorbije beloftes zichtbaar blijven – in twee zwarte, eeuwige, massieve cirkels die garanderen dat, zoals in de wet van het behoud van energie, nooit enig verhaal verloren zal gaan. Opgeteld blijft de inhoud van een plaat altijd zichtbaar gelijk; het is de ouderdom van de plaat die ervoor zorgt dat de potentiaal van muziek niet alleen visueel en objectmatig, maar ook door akoestische ruis een verdubbelde tegenhanger krijgt.

Vervolgens is de verliefdheid ontstoken en is de kristallisatie begonnen, zoals Stendhal in De l’amour schrijft, alsof waterdamp sneeuw was geworden. (‘Laat iemand die verliefd is een etmaal lang nadenken en dit is het resultaat: In Salzburg gooien de mensen ’s winters een kale boomtak in de verlaten schachten van de zoutmijnen; twee of drie maanden later halen zij hem naar boven, bedekt met een laag schitterende kristallen: het kleinste twijgje, niet groter dan een mezepootje, is bezet met ontelbare fonkelende diamanten, die geen ogenblik dezelfde aanblik bieden; de oorspronkelijke tak is onherkenbaar geworden.’) Het was er de tijd van het jaar naar: late lente, vroege zomer – warm, zonnig, op een altijd aangename, altijd vanzelfsprekende manier, zonder dat de zon of de atmosfeer in een project ingeschakeld hoefden te worden: het lijkt alsof de twintigste eeuw de laatste is geweest waarin weer nog gewoon weer kon zijn. Er was, misschien een week, hoogstens twee weken later, een feest ter ere van een plechtige communie.

De zondag was lang, loom, lui. Ik luisterde in het gras, tussen het voetballen, het eten, het praten door, naar A thousand leaves, met behulp van de nu natuurlijk in onbruik geraakte ‘discman’. Daar, toen, in een reeks opeenvolgende ‘bloeiingen’, als zoiets bestaat, is die muziek voor het eerst helder geworden: een moment van adembenemend inzicht, van begrip, van opperste verbondenheid – er waren vijf, zes, zeven luisterbeurten aan vooraf gegaan, totdat ginds, onder een bladerdak in de tuin waar de late zon nog net doorheen kwam, over een periode van die hele middag – ik begreep dat ik voor schoonheid stond en dat die schoonheid mij zoiets als geluk opleverde. Die duur-vol-momenten, die gerekte aaneenschakeling van indrukken, reken ik tot de belangrijkste in mijn leven – ze zijn absoluut onherhaalbaar: nooit zal ik nog een eerste keer kennen waarop ik A thousand leaves perfect aanvoelde en indringend begreep. Misschien is elk contact met die plaat, en met Sonic Youth (dat sindsdien tot op de dag van vandaag oneindig vaak heeft plaatsgevonden) een poging om op het spoor te komen van de onwereldse magie van die zondagmiddag in 1998. Misschien is zelfs oneindig veel meer dan enkel de dingen omtrent Sonic Youth een poging daartoe; misschien – met een beredeneerde draai – heb ik, om duistere redenen, dat onontkoombaar en overschaduwend referentiepunt, met erg veel moeite en langzame herhaling, vooral aan mezelf opgedrongen.

Het doet in elk geval denken aan wat Walter Benjamin schreef in een beroemde passage van zijn Kleine geschiedenis van de fotografie: ‘Wat is eigenlijk aura? Een vreemd weefsel van ruimte en tijd: eenmalige verschijning van een verte, hoe nabij zij ook is. Op een zomermiddag rustend op een bergkam aan de horizon, of een tak volgen, die zijn schaduw op de beschouwer werpt, tot het ogenblik of het uur deel heeft aan hun verschijning – wil zeggen de aura van deze berg, van deze tak ademen.’ Ik heb – sindsdien – met stijgende verwondering moeten vaststellen dat onzichtbare fenomenen – liefde, verwachting, rust-na-productie, de muziek van Sonic Youth – hun onzichtbaarheid ongedaan lijken te willen maken door precies dat soort beelden op te roepen: een dichtbebladerde tak, donkergroen druppelend struikgewas na een onweer; een gigantische, eeuwenoude boomkruin die het zicht op de hemel beneemt. Waar komt dat vandaan, dat bijna pastorale verlangen dat in visioenen spreekt – in het bijzonder bij mij, opgegroeid in suburbia, wonend en werkend in de Vlaamse Ruit? Aan welk verlangen, welk verleden lijkt het te willen refereren en dat op een bijna beschamende manier? Wat zien we als we met onzichtbare schoonheid in de weer zijn, of vlak nadat zichtbare schoonheid haar werk heeft gedaan? Wat is dus, met andere woorden, de film die door geluk wordt gemaakt?

Bij de vinylversie van A thousand leaves zit een tekstvel, met op de achterzijde een zwartwitfoto van een met gras begroeide helling, en – natuurlijk – bomen zover het zicht reikt. In het midden, onder een uit stokken opgebouwde tentstructuur– het skelet van een wigwam – staan vier kleine meisjes. Op de hoes van de plaat staat een werk van Marnie Weber, Hamster girl, met op de achtergrond een meisje dat in bed ligt. Ze lijkt zich niet helemaal veilig te voelen en heeft twee oren opgeplakt gekregen. Op de voorgrond wordt een hamster als het ware omhelsd door een grote arm, waarvan de vingers van de hand zoiets als het duivelsteken lijken te vormen. In het cd-boekje staan nog meer foto’s – opnieuw bladeren, gras, meisjes– Kim Gordon, de zangeres-bassiste van Sonic Youth, die zich verbergt achter groene takken of achter iets dat wazig op een bladerdeeggebakje met poedersuiker lijkt. Op het label van het vinyl, of op de cd-schijf zelf, staat ‘mille feuille’ maar de woorden zijn doorstreept. Eronder staat ‘a thousand leaves’ – meer dan eens is er, voornamelijk op het internet, gewezen op het rechtstreekse ontlenen van concepten en woorden in de teksten van Kim Gordon aan Mille Plateaux van Deleuze en Guattari.

Ondertussen was de verliefdheid volwassen geworden: de werkelijkheid was naar binnen getreden; het onzichtbare was bestreden, niet door de verbeelding maar door de realiteit – de realiteit van het theater misschien, akkoord, de realiteit van de opvoering, het optreden, de performance. Nog in de zomer van 1998 heb ik Sonic Youth voor het eerst ‘live gezien’ in Torhout. De test van het lichaam, zelfs in een constructie – of precies net daarom. Geen weg meer hierna. Ofwel: geen weg terug. Sonic Youth begon het optreden op 3 juli 1998 met Anagrama, van de ep SYR1, uitgebracht op hun eigen label een jaar voordien. Muziek, schreef Gerard Reve, moet zich ruisend verheffen. De set eindigde met Death Valley ’69, van op Bad Moon Rising uit 1986. Daartussen: enkel nummers van A thousand leaves, dat nagenoeg volledig gespeeld werd. Ik weet nog veel, maar ik ken geen details meer van die middag, alsof het toch niet helemaal van mij was wat daar gebeurde, alsof ik er (nog) niet exclusief en exhaustief aanspraak op mocht of kon maken. Misschien heeft het er ook mee te maken dat ik ‘bootlegs’ bezit van het optreden de dag nadien in Werchter en van het optreden een week voordien in Roskilde. Zeer gelijkaardige sets maar niet hetzelfde.

De volgende keer – het cliché van de altijd betere tweede keer – was zondag 7 februari 1999 in de Ancienne Belgique in Brussel. Het sneeuwde, onterughoudend, echt, onbelemmerd door wat dan ook. Dit leek veel meer op een echte ontmoeting, zonder ongeïnteresseerde festivalgangers en mét zonder uitzondering geconcentreerde liefhebbers. En toch was er toen al van mijn kant de aanspraak op exclusiviteit: wat ik heb met Sonic Youth is onvergelijkbaar. Het is niet zo dat ik denk of meen te weten dat ik voor hen één uit de duizenden ben. Hun persoonlijkheden zijn voor mij van geen tel, hoewel er een kant van mij is (basaler, lager, losgetrokken) die alles over hen wil weten: over het huwelijk tussen Thurston Moore (zanger-gitarist) en Kim Gordon (op een oppervlakkig niveau is dat huwelijk trouwens embleem voor de ‘tekstualiteit’ van Sonic Youth – en dus voor het feit dat Kim Gordon nooit lustobject kan worden, maar eerder altijd het verlangen intensifieert), over hun dochter Coco, over de verhoudingen tussen Lee Ranaldo (de andere zanger-gitarist) en Moore, over de creatieve inbreng van de drummer Steve Shelley. Maar dat is van geen tel, dat is hoogstens slechts een bezigheid om de stilte mee op te vullen op momenten dat de muziek zwijgt – en, denk ik, tijdens meer dan de helft van de tijd dat ik de afgelopen vijftien jaar met Sonic Youth bezig ben geweest, heerste er, paradoxaal genoeg, volstrekte stilte.

i was singing to her for a bit, and then i felt a strong urge to hug her xxx

it was not at all the thing that was between me and her. It was just something that was between me and whatever. She was there and she fulfilled this. xxx

I was really touched and somehow I felt also a bit disturbed because I was so touched and lots of people were around me in a way, but she was there and she grabbed my hand and we watched each other. xxx

It’s impossible how you start giving back love to this person who you see for the 1st time. This person holds your hand so tight, and you automatically start to squeeze this hand. xxx

A thousand thoughts run through your mind, about your own life, and you apply them to this person here. At the same time you think about the people in your life and how you think they would react, and how you react. It’s impossible, that person to whom you’re giving love is a stranger. xxx

I didn’t know it was me who was creating the script, but later on, with this music and her gaze, and with a little bit of concentration, when it didn’t matter anymore what people around us were doing, then it was fabulous, I could realise that she felt a great love for me, which was great because during the whole time all my boyfriends, friends, mom and dad and all people in life who love me ran through my mind… and it’s beautiful and I’m thrilled. She had a very wet but very firm hand holding my one hand xxx

we sat there together, she kept holding my hand and smiling into my face and & I smiled into her face, & I smiled into her face and she smiled into my face, and more and more and more xxx

Dat tweede optreden van Sonic Youth reken ik tot een van de vijf beste optredens – of algemener: tot een van de vijf beste manifestaties van publieke kunst – die ik heb ervaren (mannelijke, historiografische neurose van het opstellen van lijstjes, zoals het hoofdpersonage uit High Fidelty van Nick Hornby). Ook al heb ik Sonic Youth sindsdien in 2000, 2001, 2002, 2004 (twee keer), 2006 en 2007 ‘gezien’ (in 2004, in Amsterdam, aten we zelfs in hetzelfde noedel-restaurant voorafgaand aan het optreden), die tweede keer blijft de beste. Misschien omdat toen, zoals in de lente van 1998, de relatie tot de muziek zich openbaarde, ze in de winter van 1999 versterkt en – waarom niet – eeuwig en echt is geworden.

Er zijn vervolgens een reeks bijwerkingen, eeltige uitwassen zelfs, van deze liefde; gênant en wereldvreemd, precies omdat ze vaak in alle nietsontziende hevigheid een eigen leven gaan leiden – het gaat om de gefingeerde werkelijkheid in het eigen gitaarspel enerzijds en de hebzuchtige verzamelwoede anderzijds. Wat dat laatste betreft, het is een curieuze mengeling van trots en schaamte, een combinatie die zich misschien wel vastzet op alles wat onvermijdelijk en levensnoodzakelijk is – 49 vinylobjecten, 71 cdobjecten, 8 boekobjecten, 6 dvd-objecten. Wat die andere uitwas betreft: ik kan nagenoeg elk muziekstuk van Sonic Youth naspelen op elektrische en/of akoestische gitaar – wat geen sinecure is want Sonic Youth speelt, met een paar uitzonderingen, geen enkele van hun nummers in een ‘klassieke’ stemming. En geen enkele van hun gitaren, met een paar uitzonderingen, zijn ‘onbewerkt’ gebleven. De zeldzame keren dat deze muzische activiteiten naar buiten zijn getreden, vielen ze door de mand. Het bewijs, eens te meer, dat niemand hoort wat ik hoor, niemand heeft wat ik heb, niemand houdt zoals ik houd van Sonic Youth.

Wat ik dus heb, is het volgende: Ik kan, ten eerste, nog veel meer dan ik hier heb gedaan, spreken over gestes, gebaren, geheugenplaatsen, gewoontes, gewenningen, genietingen, die rondom deze muziek zijn gaan hangen. Spreken over deze muziek zelf, zoals ik ooit in een pagina’s lang abecedarium op urbanmag heb geprobeerd, mislukt jammerlijk. Ik moet, met andere woorden, de momenten waarop de muziek zwijgt evenzeer respecteren als de momenten waarop de muziek spreekt.
Ten tweede – en dat geldt bij uitzondering voor alle kunst – is er de treurige of zelfs onheilspellende vraag waaruit deze relatie zich heeft ontwikkeld. Ik zal niet gauw, zelfs niet een heel klein beetje, de schoonheid van deze muziek in een ‘close-reading’ kunnen verklaren, analyseren of scherpstellen. Dat is misschien niet meer dan een kwestie van gebrek aan ervaring, opleiding, lectuur of de juiste referentiekaders. Maar ‘erger’ is het feit dat ik evenmin uitputtend kan zeggen waarom ik de schoonheid van deze muziek nodig heb, en waarom mijn relatie ermee zich zo wijd heeft ingeworteld en vertakt – inderdaad als een boom met duizend bladeren.
Ten derde en tot slot, weet ik dat ik, hoe oud ik ook word, nooit nog een relatie zal kunnen ontwikkelen die langer kan duren dan mijn relatie met Sonic Youth. Of dat erg is, is een zinloze vraag. Die relatie heeft een gigantische geschiedenis geconstitueerd, een geschiedenis die ik samen met een duizendtal andere geschiedenissen ben, een liefdesgeschiedenis die gul maar kieskeurig betekenissen en plaatsen uitdeelt aan alles wat haar aanraakt, en een geschiedenis die ik, tijdens momenten van stilte en lawaai, alleen maar zal zien groeien.

i felt her hand and then i tried to make it more real, more real than this… so then i started feeling her hand and said what if i give you reiki, and it was funny because i just couldn’t resist (…) it made it real in a sense, whether she was being real or not didn’t matter anymore.xxx

he was blinking fast, and i was laughing sometimes and sometimes looking away and every once in a while he looked at my hands but there came this time when we just were looking at each other’s eyes and didn’t stop.xxx

I was trying not to cry but these tears were coming in my eyes and there was just this moment that I was lost and now there was no time and I was just here, I was just here with him and there was nothingxxx

Uit het ei, in de wereld

Bram De Cock

Wie is zij? De liefde? Het theater?

Bram De Cock laat ons alle kanten van zijn passie zien: Radeis, Romeo Castelucci of Abattoir Fermé, het zijn allemaal maar verschijningsvormen van een passie die zich niet zo maar in twee woorden laat vatten…

“Liefde is blijdschap verbonden met het denkbeeld van een uitwendige oorzaak.” (Spinoza)

“Qu’est-ce qui est le plus important? ”, vroeg ze zelfverzekerd en met klem. “Comment ça? ”, vroeg ik verrast. “Qu’est-ce qui fait tourner le monde? ”, probeerde ze lichtjes geamuseerd opnieuw. Ik aarzelde en antwoordde bedachtzaam “L’amour”. Het was onze eerste ontmoeting. “Non”, klonk het. Ik begreep het niet. “Qu’est-ce qui vient avant l’amour? ” “Je ne sais pas”. Ik gaf het op. Ze keek me nogmaals diep in de ogen en zei “Eh bien, c’est le rencontre”.

Mijn eerste ontmoeting met haar, was achteraf gezien ook de meest traumatische: ik ben haar naam vergeten! Het had iets te maken met Radeis, dat weet ik nog. Ik mocht niet met haar praten, dus kon ik het ook niet vragen. Ze zei: “Je mag alleen maar kijken”. Voor een kind is dat lastig, zwijgen en kijken. Wat ik me van die ontmoeting herinner is pover, de details zijn met de jaren verdampt. Het is frustrerend. Telkens wanneer ik geestdriftig over haar begin te vertellen, merk ik dat ik snel ben uitgepraat. Wat achterbleef stolde in mijn herinnering tot één enkel beeld.

Een groot, wit, plaasteren ei. Het barst en breekt open. Een schriel, naakt en half ineengedoken ventje steekt langzaam zijn kopje uit het ei. Het mannetje richt zich op en kijkt schichtig om zich heen.

In diezelfde periode zou ik ze nog enkele keren terugzien. Ze verrast me telkens weer opnieuw. Ze spreekt in acties. Zoals die keer toen ik op straat liep, misschien aan de hand van mijn moeder, dat weet ik niet meer. Het was zomer, op een braderie ergens te lande. Iemand schiet voorbij in een duikerspak met een snorkel. Laag bij de grond, tussen de benen van de mensen. Plat op de buik op een plank met wieltjes, een groot skateboard. De duiker maakt met armen en benen grote zwembewegingen.

Een hele poos later. Ik sta in een geurige, fleurige moestuin. Het is mooi weer, de vogels fluiten. Het ruikt naar aarde en gras. De groenten hebben felle kleuren. Ik zag nog nooit zo’n giftig groene kroppen sla, zo’n bloederig rode tomaten en fel oranje wortelen. Ze zijn van plastiek.

Ik zal ze nog één keer ontmoeten. Na die rencontre fluisterde ze “Echafaudages”. Die naam is me altijd bijgebleven. Waarschijnlijk omdat ik dat woord nog nooit had gehoord. Voor zover ik mij herinner had niemand me ooit verteld wat het betekent. Totdat ik er mijn eerste Franse woordenboek op nasloeg. Mijn God, ze is van een stelling gevallen! Ik zag een bouwvakkersstelling, hoorde een hoop woordenloos gebrom en zag haar zeulen met gereedschap. Daarna verdween ze uit mijn leven.

Vele jaren later lieten volwassen mensen met goede bedoelingen me geloven dat ik ze opnieuw zou ontmoeten. Maar vooraleer ik met haar mocht praten, moest ik haar lang en nauwgezet bestuderen. Ik leerde dat ze uit een rijk en overzees geslacht kwam dat luisterde naar de naam Shakespeare. Wisten jullie wel dat Engeland zo mooi was? Ik moet veel in onbruik geraakte, Engelse woorden uit het hoofd leren om haar te leren begrijpen. Maar het lukte niet. Ze dwingen me groepstherapie te volgen. Met nog andere verloren zielen worden we aan haar voorgesteld. Ze straalt. Alle spots zijn op haar gericht, maar ze spreekt nog steeds diezelfde onverstaanbare taal en ze doet alsof we kinderen zijn. Dit was ze niet. Ze hadden me bedrogen. Ik besluit haar te vergeten.

Jaren later stort ik me op tonnen boeken. Ik bots op klinkende namen zoals Eric Devolder en Arne Sierens. Intuïtief voel ik me tot hen aangetrokken. Ik studeer hard en ontdek tot mijn grote vreugde dat ze het vaak over haar hebben. De verwantschap wordt duidelijk wanneer ik hen opzoek. Ik herken iets van haar, maar het is anders. Ze heeft veel te vertellen nu. De taal en de woorden klinken me vertrouwd in de oren. Ze zijn geestig en droevig tegelijk. Haar gebaren en lichaamstaal spreken van lijden, van grote en kleine dingen, van de kuiperijen van het leven. Ook dat herken ik. Ik ben ouder geworden, maar het voelt als thuiskomen. Er is geen ei te zien, maar toch spreekt ze van nestwarmte en geborgenheid. Ze werpt een zacht donsdekentje over het verleden.

Ik denk veel aan haar. Ik vraag me af waarom ik zo hard naar haar op zoek ben en waarom ze me met zoveel verschillende gedaanten bedriegt. Niets is wat het lijkt. De twijfel groeit. Misschien jaag ik een hersenschim na, is mijn zoektocht naar haar één grote fantasmagorie. Ze lijkt op een lichtbron zonder schakelaar die het spel met schimmen in gang zet. Ik stel me tevreden met het besluit dat ik de schijn moet leren begrijpen en dat ze misschien wel mijn trouw op de proef stelt.

Opeens bedenk ik dat ze misschien op reis is. Er duiken nieuwe filiaties op, waarin ik verwijzingen naar haar op het spoor kom. Ik moet gaan reizen, maar naar waar? In Mechelen daal ik af in de darkrooms van parenclubs. De neonreclame buiten schreeuwt “Abattoir Fermé”. Ze duwt me dieper en dieper in duistere holen. Soms verbergt een mens zich in kieren en spleten. Ik mag werkelijk geen enkele optie uitsluiten. Dat blijkt een juiste intuïtie. In de krochten van de hel ontmoet ik haar opnieuw. Ze is “moe maar op en dolend”. Ze heeft nogal wat meegemaakt: moordpogingen, perverse belagers, een verkrachting. Ik kan mijn ogen niet geloven. Ze is doofstom geslagen. Ik lijd met haar meee en ben opgelucht dat ze zich staande kan houden in deze wereld van geweld en bedrog. Ik put er troost uit. Wanneer ik aanstalten maak om op haar toe te stappen, verdwijnt ze in de nacht. Zonder omkijken.

Ik besluit de zon op te zoeken en trek naar Avignon en Rome. In zonniger oorden zal ze het wel beter hebben, denk ik. Mijn vermoeden klopt; ik loop ze enkele keren tegen het lijf. Ze is fel vermagerd, maar de zon heeft haar huid mooi en gelijkmatig gebruind. Ook al heeft ze nu wel vaker schmink op. Ze verandert vaak van naam, nu eens een zwierige “Pippo Delbono”, dan weer een lyrische “Romeo Castellucci”. Ze spreekt de taal van Dante en Céline. Ik wist niet dat ze zoveel talen sprak, noch dat ze zo mooi kon zingen. Maar haar stem slaat vaak over. Het lijkt alsof ze de pijn en de wreedheid van een heel volk op zich heeft genomen. Urlo!

In haar kreten hoor ik een pasgeboren baby, een wanhopige gevangene, de onderdrukking van de liefde, de vrijheid en het leven. Onder een boom en onder het getsjirp van duizenden krekels spreekt ze de massa toe. Haar “récits de juin” gaan over haar zoektocht en hoe die door een doodsangst wordt voortgestuwd. Ze vertelt openhartig over een ziekte die zich zo kort laat samenvatten als het leven kan zijn: A.I.D.S. Ik vraag me met haar af of het leven een straf is voor het genot en de vreugde dat het ons beloofde.

Ze herinnert ons aan de levenslust en de blijmoedigheid die een wit gaas spant tussen leven en dood. Ze is een levende dode in een droomwereld waartoe wij geen toegang krijgen. Ze is een vrouw zonder naam die de littekens wil helen van heroische steden die twijfelen tussen ondergang en heropstanding. Berlijn, Parijs, Brussel, Marseille, Rome enzoverder.

Ze stopt met praten. Enkel nog gereutel en gerochel over de zeggingskracht van de taal. Ze wil me nu –eindelijk- voorstellen aan de liefde, of liever aan de waanzin. Of hoe we enkel via het laatste iets kunnen zeggen over het eerste, dat zich niet laat uitspreken. Ik moet kijken naar hoe het anderen vergaat. Ze zegt: “Kijk naar Jan Decorte en Sigfrid Vinks en vergeet wat je in parlementen hoort, wat je op de beeldbuis ziet of wat je in de Humo over het leven leest.” Ze spreekt over de “zeldzame werken” van de geest en orakelt in Babylonische spraakverwarring. “& en Burgaudine”; “Dieu & les esprits vivants”; “Müller/Traktor”! Ik kan niet altijd meer volgen. De woorden hebben de scherpte van een zwaard en doorklieven de lucht. Wanneer alles gezegd is, biedt zij haar lichaam aan. Ik mag haar aanraken. Een doopvont, een teil water waarin ik me kan reinigen van mijn zonden. Terwijl ik het laagje vuil monster, zet ze de ruimte in vuur en vlam. Een brandend kruis waarvan de hitte mijn nat lichaam droogt.

“Wanneer men een idee vertaalt in een beeld, wordt ofwel het beeld krom ofwel explodeert de idee. Ik heb het meer voor de explosie.” (Heiner Müller)

Ik voel dat ik dichter bij haar kom. Ze verschijnt in een droom en ontdubbelt in een beeld van twee naakte mannen met weinig verheffende, Vlaamse namen. Benjamin Verdonck en Willy Thomas. Speels en krols onthult ze de dreiging die achter de onschuld schuilt. Het schuurt, schaaft en riekt naar uitwerpselen. Ze toont de wereld waarin we leven en het onrecht dat we elke dag frivool onder de mat vegen in een les globale anatomie. Ik kijk in een spiegel die voor het eerst sinds lang, opnieuw het beeld van het ei reflecteert. Dit kan geen toeval zijn. Ik begin de noodzaak en urgentie van deze laatste ontmoeting in te zien. Ze lijkt te willen zeggen dat ze bij mij wil komen wonen. Ik moet voor ons beiden een huis optrekken. Het mag gammel, pover of scheef zijn. Een simpele klapdeur volstaat om binnen van buiten te scheiden. De meeste mensen leven in krotten, maar dat zegt niets over het belang van een knus nestje en het gevoel van thuiskomen. Ik moet bij het ontwaken twee bruine Leffes achterover slaan om langzamerhand te beseffen dat zij het wel degelijk was.

De dageraad brengt helderheid. In een opengeslagen boek op mijn nachtkastje lees ik ‘s ochtends: “Het is duidelijk, dat de ethica niet uitgesproken kan worden. De ethica is transcendentaal. (Ethiek en esthetiek zijn één).” (Tractatus Logico-Philosophicus, stelling 6.421). Ludwig Wittgenstein. Op de laatste pagina sluit hij zijn betoog af met stelling 7, waaruit als een donderslag bij heldere hemel weerklinkt dat we over datgene waarover we niet kunnen spreken, moeten zwijgen. Ik begrijp nu pas dat ze me dat al die tijd al heeft willen duidelijk maken. Ze lacht. Ze weet dat ze me met namen in verwarring heeft gebracht.

it didn’t really make sense to me for anything further to go, but nowhere it could go… i guess i probably didn’t want it to go any further or anything …. xxx

I was trying not to cry and there was just a little change in his face, just a tiny muscle. And he looked just a little like, “what’s wrong?” but it was so small, it was really slight, and that just seemed really beautiful at that moment. so then I was crying more, inside. I guess I just had this feeling of… it was this notion of love that was beautiful but really tragic and really inevitably sad and beautiful at the same timexxx

The 1st part was mainly this internal energy moving vigorously, i could feel my body temperature was rising, i was sweating a bit.xxx

the person in front of me was just giving me something and i didn’t know how i could receive this love at some point it seemed that the experience was completely real but it wasn’t entirely, because it was within a formal setting and there was some sort of convention between me and the performer so in this sense it couldn’t be real but in the same time every other love experience outside somehow seemed to also rest in these conventions.xxx

it was strange because i felt that i was looking at myself in the mirror, and it’s probably the same feeling when you meet someone on the street and you open yourself because you are an object and this person is also an object, you don’t know her or him, and then something super banal can open up your heartxxx

“Het is met liefde zoals met lucht: zonder ga je dood.” (uit Liefde/Zijn Handen, van Josse De Pauw en Jan Kuijken)

i started to feel that maybe something was wrong or off somehow, i didn’t understand because everyone else was getting connected and i wasn’t connecting, and i really wanted to get connectedxxx

i was sitting like this for a while and he was kind of sitting away from me with his eyes closed and then finally he opened his eyes and turned them toward me and our eyes met and we just looked at each otherxxx

i think it’s about that time too that she stood up and we dancedxxx

Tegen weten in: verliefd op Global Anatomy

Wouter Hillaert

Waarom spreken critici zo graag over hun job in termen van liefde? Zelfs collega’s die meestal lauw blijven onder wat ze zien, nemen hun toevlucht tot net die vurige metafoor. Wat betekent hij juist? Mijn eigen relatie tot theater speelt zich te vaak in mijn hoofd af om echte liefde te heten, vrees ik. En toch blijf ik met mijn rationele mond steeds vol tanden staan bij de eeuwige buitenstaandervraag ‘wat het juist is dat ik aanzoek in die donkere zalen, tweehonderd vijftig keer per jaar’. Zou het louter die ‘hoofdse’ liefde zijn? Global Anatomy van de kvs hielp me weer een stap verder. Weg van het weten.

Ja, mijn hoofd meent te weten wat het wil van theater. Het laat zich graag verleiden door wat iets te vertellen heeft. Bij voorkeur zit dat in een fascinerend kleedje, maar het mag ook zonder. De mededeling telt. De noodzaak ervan en hoe die zich verhoudt tot wat er zich buiten onze tête-à-tête voltrekt, in wat we gemeenzaam de grote wereld noemen. Mijn ‘liefde’ gaat zelden door de maag. Niet de huwelijksdrama’s, niet de liefdesperikelen, niet de familiale ‘mama en papa zijn er niet’-situaties spelen meteen op mijn hormonen. Wel ideeënstukken die mijn linkse kant van rechts aanvallen zonder aan geloofwaardigheid in te boeten. Het interburgerlijke boven het interpersoonlijke, dicteert mijn hoofd. En humor is in zo’n verleidingsact natuurlijk de ideale ijsbreker, maar laat het ook ergens toe dienen. Waar ik de lachband er impliciet bij hoor, haak ik af. Coïtus interruptus, klaar. Mijn hoofd meent te weten wat het wil van theater: uitgedaagd worden om mijn kijk op de nieuwskolommen scherper te stellen. No nonsense, blablabla. Ja, mijn hoofd…

Laat al het bovenstaande nu net zijn wat Global Anatomy van Benjamin Verdonck en Willy Thomas niet heeft, terwijl het toch mijn laatste lievelingsvoorstelling is gebleken. In het praatje vooraf klonk het al verleidelijk, maar om totaal andere redenen. Beide heren van 313, misschien wisten zij alles hadden rond globalisering minstens geprobeerd alles te weten te komen: in het Wereldbeeldenboek van Rondas, via publicaties als Het recht van de rijkste en De stille dood van het neoliberalisme van John Vandaele en bij de voorstelling Globaal genomen, waarin Vuile Mong aan de hand van een olifant de globalisering uit de doeken doet. Dat laatste wilden ze ook, maar op hun manier. Door erin te gaan staan. Want het is als met wereldse thema’s als met de liefde: je betrokkenheid laat je geen kans om de verhoudingen scherp te analyseren zonder vals te klinken. Zo leek het dus te gaan worden: van het kleine naar het grote met als maat de mens. Een voorstelling maken als een voorstel, noemde Benjamin het nog in zijn uitleg over wat een wereldbeeld eigenlijk is. Meteen kwamen daar in mijn kop allerlei sappen bij los. Een voorstel voor de wereld, vanuit ‘alles wat mensen met elkaar doen’: meer heb ik niet nodig voor liefde op het eerste gedacht.

Maar in de arena zelf liep het allemaal anders af. Getaffel op de klapdeur kondigt de deurenkomedie aan waar Global Anatomy anderhalf uur lang mee zal flirten. Dan Benjamin trippelend, Willy als een bombardon: Laurel en Hardy in de dierenversie van Tom en Jerry. Elk met zijn eigen geneuzel: van een stroomdraad tot pakjes boter, een dennenboompje tot tomatensap. Alle plaatjes bouwen op hun materialiteit, maar het gaat niet over materialisme. Of moet ik de stapel stoelen die Willy zich op de hals haalt als ‘accumulatie’ begrijpen? Mijn hoofd laat het snel hangen. De Nike-shoes waarop de twee over de scène glijden, doen mee om hun fluo visibiliteit, niet om de icoon waar ze voor staan. Er is geen tweede laag, geen betekenis onder de dingen. Enkel de dramaturgie van absurditeit en verrassing, gespeeld op wat universeel komisch – want scatologisch – werkt: een scheetzak boven een blote kont, een drol uit een spuitzak, letterlijk met je gat in de boter gaan zitten. Nog lager valt het uit dan de hilarische trucs van het trio Vandeneededeschrijverdekoning, waar je aan moet denken als er tussen de chaos die op scène ontstaat, gerommeld wordt om de stunteligheid zelf. Disfunctionaliteit, het tegendeel van globalisme, voert de boventoon: een vijs inkloppen met een boormachine. Mislukte seks, kortom.

En toch. Toch krijg ik anderhalf uur lang die grijns niet van mijn gezicht. Ik geniet. Enkel kijken word ik. De lijnen waarlangs die blik zich gewoonlijk meteen voor overleg in verbinding stelt met de malende bovenkamer: doorgeknipt. Net als de voorstelling zelf voel ik me nog louter eerste laag, primair geprikkeld. Maar omdat Global Anatomy niet dat uur langer duurt dat het gerust had mogen nemen (overvalt me zelden), komen achteraf toch weer de vragen. Waarom hier plots die ‘onhoofdse’ liefde? En waaruit bestaat ze juist? Het is niet die stationsromantiek van liefde op het eerste gezicht, maar integendeel een oud kennen. Niet dat kennen van de acteurs zoals ze naast de scène zijn, de collegiale liefde waarin veel gegniffel op premières baadt. Wel een kennen, voor elk weten, van de goesting om te spelen. Bij mij zit die actieve fantasie ver, vergeeld als jeugdfoto’s van kampen ‘vanachter’ en de verkleedkoffer op zolder. Maar als ze zich nu op scène actualiseert in oudere mannen (of vrouwen, maar vooral mannen), wordt die goesting ineens weer gedeeld. Bij de Enthousiasten voor het Reële en Universele heb ik dat ook: die ontwapening van alle verbale uitrusting voor onnozel spelplezier. Tegen de tijd in. Terug naar pief poef paf.

De grens met gratuite aanstellerij is natuurlijk flinterdun in dit soort kinderlijke flirts. Maar de crux van Global Anatomy is dat het de makers juist niet om verleiding of bekijks draait. Er zit geen doelmatigheid achter hun pirouetten, niks ontroerend goed. Het gaat hen gewoon om naakte naturel. Niets in de handen, niets in de mouwen, het is wat het is: de materialiteit van twee schamele pieten. En wat mijn willen weten helemaal doet insluimeren, is dat die pieten niet méér weten dan ik. Ze wippen op en neer van precies dezelfde open verwondering, van dezelfde prille ontvankelijkheid bij wat gebeurt als mijn eigen eerste blik. Voor zowel Verdonck als Thomas is dat in mijn beleving nieuw. Zo vertrokken ik de eerste wel eens vond in zijn gespeelde naïviteit onder hertengeweien en met rozen tussen zijn revers, zo kunstmatig voelde de tweede soms aan als hij een verbouwereerd gezicht opzette, of de dommigheid van zijn rol in De Kersentuin. Hier niks van dat alles. Zo dit duo niet samen met mij ontdekt wat het te doen staat, dan is het in elk geval heel erg goed gespeeld. Die onschuld, dat niet bedoelde uitspelen, is de bron van elke verleiding. Zo pedo ben ik wel.

Misschien is het dan ook dat wat ik elke avond aanzoek in theater. Veeleer dan een bolwassing van mijn hoofd, is het de vervulling van die aloude droom om samen op te gaan in iets wat aan het mentale voorafgaat. Een overweldiging door ‘het eerste’, zoals K. Schippers het zou noemen. Dat is meer dan simpelweg het live karakter waarvoor theater altijd wordt geprezen boven de andere kunsten, meer ook dan die eeuwige ‘collectieve ervaring’ als surrogaat voor de vandaag zo gemiste gemeenschap. Het is een net erg individuele vlucht. Liefde voor theater is de drang naar wat je als mens nog niet beheerst, naar de kans om nog eens simpelweg verliefd te kunnen worden, om de kinderlijke ontdekking op zich. Dat zal wel niet zo bijzonder klinken, maar het is van grote waarde. Het gebeurt vijf keer op tweehonderd vijftig. En Global Anatomy was één van die vijf keren. Om zijn absurditeit dus, in de basale vorm van dat woord: het simpele bespelen van het niet begrijpen. Ooit heb ik het tegendeel beweerd, dat theatermakers het beter eens wat meer zouden weten voor ze hun publiek tegemoet traden. Nu weet ik beter. Ik weet het niet. Daarom is het liefde.

we weren’t talking and at one point, as a performer i also felt maybe some of the anxiety that he, if he was indeed a performer, might have been going through, so just to let him know that i was ok with everything i put my hand on his shoulder and we breathed together x

there was music playing and so i felt like dancing. but there was no way to go from the last thing that we did to all of a sudden dancing, even though that’s what felt right xxxxxx

it made me feel very human, it made me feel in some ways cared for xxx

with imagination i think i could think of it as love xxx

i sort of regretted that i couldn’t talk to her later, or never will perhaps xxx

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 29 — 32 minuten

#110

15.02.2008

14.05.2008

Pieter De Buysser, Christophe Van Gerrewey, Bram De Cock, Wouter Hillaert

Pieter De Buysser is filosoof, auteur en theatermaker. Hij is tevens artistiek leider van Lampe. www.lampesite.be

 

Christoph Van Gerrewey is schrijver van essays, verhalen, romans. Hij is tevens onderzoeker, docent, en criticus in het domein van Architectuur en Stedenbouw.

Bram De Cock studeerde onder andere vergelijkende cultuurwetenschap en theaterwetenschap. Hij publiceert over theater en is actief als muzikant en DJ.

 

Wouter Hillaert is cultuurjournalist. Hij werkte vijftien jaar als freelance theatercriticus voor achtereenvolgens De Morgen en De Standaard en is betrokken bij de burgerbeweging Hart boven Hard.