Love Doll – Lies Pauwels & Frederik Neyrinck © Fred Debrock

Leestijd 6 — 9 minuten

Ik ben 25 en weet nog steeds niet zeker of ik wel besta

Begin februari ga ik kijken naar Love Doll Playing with the Big Boys in a Different Kind of Space van Lies Pauwels en LOD Muziektheater. De promotiebeelden zien er speels, uitnodigend en luchtig uit. Mijn emoties liggen al de hele week overhoop, en ik hoop dat de voorstelling mij de afleiding brengt waar ik zo naar snak. Even lekker op de billen slaan en dan met een leeg hoofd terug naar huis (voor wie dit een naïeve verwachting vindt bij het werk van Pauwels: krijg simpelweg de klere).

In de voorstelling belichaamt Pauwels de rol van een pop, een object. Ze kijkt vanuit die positie naar de menselijke conditie, vraagt er zich vanalles over af. Deze vorm laat haar toe om met eerlijke verwondering en zonder oordeel scherpe vragen te stellen over wie wij, mensen, zijn. Hoe we het hier aanpakken en de uitdagingen die ons te wachten staan. Ze wordt omringd door een straf orkest, de iconische drag queen Veronika Deneuve, twee puberjongens en een oudere danser. Samen vormen ze een bont gezelschap dat er overal de kantjes van afloopt. De voorstelling is finger licking good. Ik geniet van het tempo waaraan beelden, informatie, personages, outfits, verhalen en onaffe aanzetten op me afgevuurd worden.

Dan de eerste messteek: Pauwels ligt een pop te wezen op scène terwijl de twee pubers om haar heen dansen en haar moeilijke vragen toefluisteren over haarzelf en haar lichaam: Wie is ze? Is ze blij met dit lichaam? Is dit dan wie ze is? Drinkt ze om zichzelf te kalmeren? Heeft ze al drugs geprobeerd in een poging gelukkig te worden? Denkt ze dat geluk elders wel te vinden zal zijn? Huilt ze? Huilt ze om haar beschamende lichaam? Terwijl ze haar toespreken veranderen ze in de jongens van mijn eigen tienerjaren, me over de afgrond van mijn verleden heengeworpen.

Later heerst op scène voornamelijk een gevoel van cryptische chaos, dat wordt gebroken door intieme monologen, gebracht door Pauwels zelf. Ze staat dan sereen, frontaal en centraal. De woorden lijken haar even hard te overvallen en verbazen als ons. In het midden van één van haar monologen volgt messteek twee. Halverwege de voorstelling vraagt de pop zich af hoe ze zou zijn als ze een mens was geweest. Hoe zou ze zich gedragen? Hoe zou ze eruit zien? Welke dingen zou ze leuk vinden en welke dingen mooi? Wat zouden andere mensen van haar vinden? Ze aanschouwt de veelzijdigheid van het menselijk bestaan en vraagt zich niet met verlangen, noch met afschuw, maar net met echte en onbevangen nieuwsgierigheid af waar ze zelf zou landen.

“Het is een heel aanwezig deel van mijn trans-ervaring, het gevoel geen lichaam te hebben.”

Tranen ontspruiten in mijn ooghoeken en mijn ademhaling stokt. Het moment duwt me een grens over. Ik word overspoeld door een heimwee die me maar al te bekend is; heimwee naar een lichaam. Het is een heel aanwezig deel van mijn trans-ervaring, het gevoel geen lichaam te hebben, of eerder: me zo hard niet kunnen herkennen in mijn ichaam dat ik ervan verwijderd ben geraakt, vervreemd. Als ik er mezelf niet bewust aan herinner, vergeet ik om zorg te dragen voor mijn lichaam, omdat het als een bijkomstigheid voelt.  

“Hoe kan ik ooit belichaamd zijn als mijn lichaam aanvoelt als een harige, met botten gevulde en bloederige vleeszak die ik met me mee moet zeulen?”

Zo herinner ik me een groot conflict met een danslerares. Ze wil van haar leerlingen graag belichaamde dansers maken, hen intuïtieve bewegingen leren kennen. Nadat ik al heel lang heel slecht met haar kan communiceren, omdat de doelen in haar les onhaalbaar zijn voor iemand zonder lichaam, besluit ik er haar op aan te spreken. Ik wil graag een gedeelde taal vinden die ook voor mij werkt, omdat belichaming voor mij aanvoelt als een onmogelijkheid — want hoe kan ik ooit belichaamd zijn als mijn lichaam aanvoelt als een harige, met botten gevulde en bloederige vleeszak die ik met me mee moet zeulen? 

In dat gesprek deelt ze me mee dat ik de slechtste leerling uit haar carrière ben. Een week later vraagt ze me om aan de rest van de groep alles te demonstreren waarvan ze weet dat ik het niet kan — dingen die de anderen al ruim een jaar onder de knie hebben, de echte basis. Wanneer het mislukt vraagt ze me om het opnieuw te doen, en opnieuw, en opnieuw. Een toeschouwer beschrijft het later als kijken naar een kleuter die van de juf moet tonen dat die nog steeds hun eigen jas niet kan toeritsen. Het beetje vertrouwen waar ‘ik’ en mijn lichaam op teren zal hierna jarenlang nergens meer te bespeuren zijn.

Ik ontdek een eerste tegengif: filmpjes van mezelf posten terwijl ik dans in een lege studio is een goede manier om dat vertrouwen toch terug op te bouwen. Het geeft me de kans om op een gecontroleerde manier een blik van buitenaf binnen te laten op mijn lichaam en bewegingspatroon. Langzaam kan ik mezelf terug tonen.

Mijn lichaam voelt als iets dat buiten mezelf staat, iets wat niet ‘ik’ is maar een ander, iets waar ik mee moet leren samenleven. Dat betekent zeker niet dat ik geen genot of plezier aan dansen kan beleven (al is ‘bewegen’ misschien een neutralere omschrijving). Op een feestje zing ik de liedjes volledig verkeerd mee, maak ik rare kronkels met mijn lange armen, draaien mijn handen alle kanten op, schud ik met mijn lange haren en voel hoe ik de wortels tegentrekken, mijn ruggengraat van links naar rechts sist en mijn voeten op mierenjacht lijken te zijn.

“De jarenlange onmogelijkheid valt als een muur op me: ik ben 25 en weet nog steeds niet eens zeker of ik wel besta.”

Het genot dat ik ervaar neemt niets weg van de complexe en gewelddadige relatie die ik heb tot mijn lichaam, het is er een onlosmakelijk deel van. Op mijn complexe Stockholm-verhouding (wie wiens gijzelaar is laat ik in het midden) zet Pauwels’ monoloog schijnwerpers. Wat als ik echt was? Wat als ik bestond? Wat zou ik doen? Hoe zou ik eruit zien als ik een lichaam had? De jarenlange onmogelijkheid valt als een muur op me: ik ben 25 en weet nog steeds niet eens zeker of ik wel besta. Tranen rollen uit mijn ogen en ik voel hoe ze zich een kille weg banen tot aan mijn navel. De ironie van die ervaring ontsnapt me niet.

Imagine this: me.
Imagine: me.
Let’s say I am real.
Let’s say I exist.
Let’s say I have a body.
Because it’s funny.
Because it’s written down.
Imagine this: me.
Imagine: my body.
Imagine: me having a body.

(HOFFMAN x Magdalena Collectief, You Are Driving)

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

column
Leestijd 6 — 9 minuten

#174

15.12.2023

14.03.2024

Madonna Lenaert

Madonna Lenaert (die/hun) studeerde eind ’23 af met een Master in Drama in Gent. Madonna is een trans non-binaire dramakunstenaar en actrice. Hun artistieke praktijk streeft er naar om te vertrekken uit queerness, intersectioneel feminisme en een zoektocht naar belonging.  Madonna werkt sinds oktober als interim coördinator van de bacheloropleiding bij KASKDrama. Die is ook deel van het feministische Magdalena Collectief en co-host van de queer podcast ‘Flikker Op’.

Dit artikel maakt deel uit van: Column Madonna Lenaert

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!