Vier zusters – Luna, Winter, Toulouse en Jules De Cock
Zussen spelen
Catho De Cordt
© Wannes Cré
German Staatstheater begint met een knal. Na een eindeloze reeks trigger warnings (en we zullen alles ook effectief te zien krijgen) barst de hel los.
Op het podium zien we een kantoor met een aantal deuren. Allemaal tegelijk vliegen die open en van uit alle hoeken en kanten lijken acteurs te komen. Ze holen, gillen, slaan met de deuren, stuiven de tribune op en denderen weer naar beneden. Ze snauwen, roepen, briesen, spugen, alles in het Duits of in iets wat als Duits klinkt (“In het Hochdeutsch mit Variationen”). Eentje knalt met zijn fiets door de muur van het kantoortje. Buster Keaton in Germania. En wanneer we na vijf minuten overstuurde chaos eindelijk denken rust te hebben, gaan ze allemaal met stofvod en plumeau in de weer: krampachtig maniakaal kuist elk zijn of haar vierkante centimeter.
De toon is meteen gezet. Hier krijgen we geen half werk. German staatstheater is een consequent doorgetrokken proeve in overinvestering. Alles is overstuurd, niet alleen de hysterie maar ook het enthousiasme. “Was ein schöner Vorhang,” schreeuwt Micha Goldberg naar het publiek. Hij vindt het toneelgordijn zo mooi dat hij maar blijft schreeuwen. En ook alle anderen komen hun enthousiasme uitschreeuwen. Niks subtiliteit, leve het gebrek aan nuance. Achter het decor wordt er in stilte gebadmintond – af en toe zien we de shuttle boven het decor uit over het toneel dartelen, als een soort postbrechtiaanse knipoog.
Wie ooit al eens een voorstelling in een Duits stadstheater zag, herkent meteen de uitvergroting. Rosie Sommers en Micha Goldberg, de twee bedenkers van de voorstelling, rekken samen met hun bende performers de grote middelen van die specifieke Duitse theateresthetiek zo op dat ze grotesk worden. Alle ingrediënten worden afgevinkt: het acteren is consequent overspannen, elke emotie wordt uitgeschreeuwd, grootse theatrale momenten volgen elkaar op, steeds met een zweem van maatschappijkritiek. Er wordt expliciet naar Bochum verwezen (waar Johan Simons nog steeds intendant is), maar de punk chique van German Staatstheater lijkt vooral weggelopen uit een Volksbühne-voorstelling van Frank Castorf, inclusief haast monsterlijke, losgeslagen acteurs en live videobeelden. Via het grote scherm kan je meekijken naar het lege gedaas van de kunstwereld op een premièrefeestje dat achter het decor plaats vindt, vooraan komt de ene na de andere acteur uitjanken bij het publiek. Of hengelen om de gunst van datzelfde publiek. Beide werkelijkheden zijn even leeg en pathologisch.
In de handen van dit stelletje ongeregeld wordt het Duitse theater slapstick, eerst grappig maar dan vooral treiterig, door de scènes net te lang te laten duren of interventies consequent te herhalen. Of je krijgt een scène waarin niemand iets juists kan zeggen, wat dan weer een discussie oplevert die ook over niks gaat. Waarop Simon Van Schuylenberg hysterisch het podium op rent. “Mein arsch brandt!” schreeuwt hij. Vervolgens neemt een camera zijn anus in extreme close-up en splitst Dahlia Pessemiers de kijker een medische uitleg over de kringspier in de maag. In het “Hochdeutsch mit variationen” uiteraard.
Het Duitse theater is ook een specifiek economisch model. “’S morgens Hans en Grietje, ’s avonds Otello,” zo vat één van de spelers het samen. Duitse stadstheaters beschikken nog steeds over uitgebreide ensembles en worden top-down geleid door een intendant, samen met een of meerdere dramaturgen. Spelers zijn werknemers met een vaste aanstelling: in ruil hebben ze geen artistiek initiatiefrecht. Ze worden door de intendant en zijn staf toegewezen aan producties. Sommers en Goldberg laten een discussie tussen een denkbeeldige intendant en zijn dramaturg – de ene denkt aan de kassa, de andere aan zijn ideologische imago, maar beiden vooral aan hun ego – ontaarden in een ware veldslag. In de mallemolen van deze voorstelling wordt het ensemble een bende egocentrische patiënten, uitgeput omdat ze zich voortdurend dienen aan te passen aan de capriolen van al even wankele regisseurs.
Het lijkt wel of deze kleurrijke bende alle slechte ideeën bij elkaar heeft gebracht. De parodie is zonder meer geestig, en de bende acteurs is absoluut vermakelijk. Tegelijk slaagt de voorstelling er niet helemaal in de metatheatrale grap te overstijgen. Ze suggereert iets te willen vertellen over de werkomstandigheden in het theater en daarbuiten. Het Duitse model lijkt hier symbool te staan voor onze overspannen burn-out maatschappij. Maar die parallel is niet goed doorgedacht. Het Duitse spelersensemble is éen van de relicten van een staatsgestuurd cultureel bestel en staat dus haaks op het neoliberale organisatiemodel. Zeker, spannend theater levert die formule niet altijd op, maar die economische stabiliteit staat haaks op de kortademigheid van het Vlaamse systeem. “Wij zijn een ensemble van freelancers,” zegt een speler. Al grappend zegt de zot de waarheid. Daar ligt de sleutel van de voorstelling: onze project-economie, met korte contracten, waarbij je op elk moment ‘employable’ dient te zijn, die zorgt voor overspannenheid. Maar dat punt wordt niet goed uitgewerkt.
“Op het podium staat een prachtige bende toneelspelers, zot, genereus, met slechte en goede ideeën, maar vooral met veel goesting.”
Na de veldslag tussen intendant en dramaturg wordt een levensgroot plastic paard de Bühne opgeduwd, er is rook, bombastische muziek, en de Wagneriaanse kitsch kletst de zaal in. Vervolgens ontrolt zich een infini met een berglandschap en onderneemt de volledige cast een wandeltocht, al dan niet naakt, met wandelstokken, terwijl ze pseudo-diepzinnigheden debiteren. De scène is bevreemdend en geestig, maar ook onbevredigend en is zo symptomatisch voor de voorstelling. Uiteindelijk leidt de overinvestering tot niks. Het iconoclasme blijkt niet meer dan een stijlfiguur. En zo haalt de voorstelling de angel uit zichzelf. Want wat er achter de parodie zit, krijg je niet te zien. Uiteindelijk komt de voorstelling na veel omzwervingen uit bij haar eigen kritiek op de leegte en bij de krampachtigheid waarmee we die leegte uit de weg gaan.
Toch heb ik genoten van de voorstelling. Op het podium staat een prachtige bende toneelspelers, zot, genereus, met slechte en goede ideeën, maar vooral met veel goesting. Met branie gaan ze uit de bocht. En zo wordt German Staatstheater alsnog een daad van verzet, tegen de romantische cultus van de individuele kunstenaar in, en tegelijk een ode aan de essentie van het spelen zelf, namelijk veranderlijkheid. En dat is in tijden waarin iedereen krampachtig zichzelf probeert te zijn op een podium, een frisse, zilte bries door het landschap. Ook al moet je daarvoor ruim tien minuten de anus van Simon Van Schuylenberg inkijken.

© Wannes Cré
German Staatstheater is nog te zien in Toneelhuis (Antwerpen) en VIERNULVIER (Gent). De speeldata vind je hier.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.