Océanisé-e-s – de Roovers & Bl!ndman
Alles loopt door elkaar
Natalie Gielen
© Celine Pourveur
Volgens de Thaise filmmaker Apichatpong Weerasethakul zitten we gevangen in de tijd, in ons geheugen en onze drang naar continuïteit. In zijn nieuwe installatie voor het Kunstenfestivaldesarts, een samenwerking met zijn vaste artistieke partners Rueangrith Suntisuk, Pornpan Arayaveerasid, Akritchalerm Kalayanamitr en Koichi Shimizu, houdt hij een zintuiglijk pleidooi voor het vergeten, om de wereld opnieuw met een onbevangen blik te ervaren.
Wanneer ik binnenwandel in de historische Brigitinnenkapel waar de filminstallatie zich bevindt, is het licht al daar. Het zet zich neer op het projectiescherm, bundelt zich in vormen en kleuren die ik herken. Een vrouw, een bloem, een hand die schrijft. Fragmenten die misschien ooit een verhaal vormden of dat hier zullen worden, zorg en liefde voor momenten die zich ergens in het leven van iemand hebben afgespeeld. Het publiek verzamelt zich voor het scherm gelijkaardig aan de manier waarop we dat doen in een cinemazaal, met het verschil dat de film bij het binnenkomen al speelt – er is iets gaande waarvan we het ontstaan niet hebben meegemaakt.
Op de grond ligt een groot, rechthoekig, wit doek, met aan de vier uiteindes onzichtbare kabels die de hoogte in schieten en ankerpunten vinden in het plafond van de kapel. Er staat iets te gebeuren, maar voor nu gaat mijn oog uit naar het scherm dat voor mij hangt, iets hoger dan gewoonlijk, waardoor we met z’n allen schuin naar boven kijken alsof we op zoek zijn naar sterrenconstellaties. In een vluchtige montage krijg ik weinig grip op de beelden die we zien, maar ingezet door deze sterrenkijkende houding gaat mijn aandacht voornamelijk uit naar fragmenten die het luchtvlak als onderwerp hebben. De zon zit achter de wolken, spat uit elkaar in kleuren, wordt terug een oranje brandende bol en trekt het filmbeeld vervolgens deels naar een wit vlak, totale overbelichting, de pixels verzadigd en uitgebrand. De camera worstelt met de registratie van het felle zonlicht, valt in onvoorspelbare schokjes van een neutrale belichting in een overbelichting. Pogingen om iets vast te grijpen die kristalliseren in witte pixels, verlies, loslaten. Kort word ik in het detail gezogen van wat daar gebeurt, van waar kleur en licht elkaar in het filmbeeld ontmoeten. De camera haalt iets naar voor dat we met het blote oog niet zien, flitsen van kleur die er enkel zijn omwille van de overbelichting. Het machtige en tijdelijk overheersende van de zon, om na de verblinding gelaten terug in het landschap te belanden. Houvast: bergen, planten, de grond.
Het doek begint zich richting het publiek te bewegen, dat uitwijkt en plaats maakt voor deze spookachtige verschijning die zich een weg baant door menigte en ruimte. Vlak voor mijn voeten houdt het halt. Ik zie geen mensen meer, enkel nog de witte stof en daarboven het projectiescherm waarop de woorden “a conversation with” overvloeien in een beeld van een witte, ronde, pulserende vorm. Ik maak de zin af – a conversation with the sun. Vanuit mijn standpunt komen alle elementen van de performance samen op zo’n harmonieuze wijze dat het geheel gecomponeerd lijkt voor die exacte positie in de kapel. Heel even lijken de beelden enkel aan mij gericht.
“De camera worstelt met de registratie van het felle zonlicht, valt in onvoorspelbare schokjes van een neutrale belichting in een overbelichting. Pogingen om iets vast te grijpen die kristalliseren in witte pixels, verlies, loslaten.”
Toch verlaat ik mijn centrale positie en begin ik te bewegen. Op het scherm rechts van mij ontstaat, volgens een gelijkaardig zoeken als het eerdere spel met de zon, de afbeelding van een vrouw: uit een wit, overbelicht vlak komt een oog tevoorschijn, kleuren zetten lijnen die stilaan opbouwen tot een gezicht, een blik die ons halvelings aankijkt en dan weer weg flitst. Alles is constant in wording, denk ik, er is geen finale vorm. “We change all the time, we are never the same person at any moment”, zei Weerasethakul daarover in een interview. We kolken in spiraalvormige bewegingen in en uit onszelf, vanuit verschillende momenten in de tijd, vanuit een eindeloos spectrum aan wisselende en verrijkende gemoedstoestanden. In het heden zien we onszelf niet altijd even helder staan, gelukkig maar.
Volgens Weerasethakul heeft onze verhouding tot tijd iets beklemmends. “We are trapped by time”, zegt hij, “the problem of humanity is linked to memory, to thought.” We worden geconditioneerd door ons verleden, dat invloed heeft op het heden en doorspeelt in onze toekomst. Het probleem ontstaat echter wanneer we daar met ons denken een verhaal van trachten te maken en wanneer we in een poging om dat verhaal rond te maken tijd gebruiken als narratief element. De logica stuurt aan en de tijdslijn is van belang: we plooien gedachten rond het gebeurde, verbinden woorden aan onze ervaringen en voor we het goed en wel door hebben staat ons leven beschreven in één duidelijke rechtlijnige beweging, oorzaak-gevolg. Tijdelijk lijkt het een kader en houvast te bieden, maar lang houdt dat gevoel niet stand want de eerstvolgende confrontatie met de chaos, discontinuïteit en inconsequenties die onvermijdelijk deel uitmaken van het leven haalt het wankele systeem moeiteloos onderuit. Die lineaire fixatie met tijd kunnen we volgens de makers van A Flower of Forgetfulness dus beter opbergen. Herinneringen zijn een valstrik, het zijn er bovendien zo eindeloos veel en eens je jezelf toelaat om terug te denken aan gebeurtenissen uit het verleden introduceer je het begrip tijd in je zijn, en net daar loopt het volgens Weerasethakul mis. Toch is het moeilijk om hieraan te weerstaan, hij noemt het onze verslaving aan continuïteit.
“Volgens Weerasethakul heeft onze verhouding tot tijd iets beklemmends. We worden geconditioneerd door ons verleden, dat invloed heeft op het heden en doorspeelt in onze toekomst.”
A Flower of Forgetfulness stelt dan ook voor om te vergeten en doet dat niet door weg te kijken van herinneringen, maar door ze vast te pakken en in eenzelfde beweging los te koppelen van de mensen aan wie ze ooit toebehoorden. Die ontkoppeling op zich is eigen aan het artistieke gebaar – eens een werk uit de handen van de maker vertrekt en zich in de wereld zet, onthecht het zich deels van de persoonlijke geschiedenis waar het mogelijks zijn oorsprong in kende. Wat ooit toebehoorde aan één persoon fungeert vervolgens als circulerend gegeven dat een dialoog aangaat met het lichaam en het bewustzijn van de mensen die het werk in zich opnemen. A Flower of Forgetfulness voegt echter een extra nuance toe aan deze beweging door de herinneringen van vijf verschillende makers, die ze de afgelopen jaren afzonderlijk van elkaar in beeld en geluid verzamelden, door elkaar te laten lopen.
Daar waar het idee van een stabiele “ik” vanwaaruit een coherent verleden verteld zou kunnen worden sowieso al stevig bevraagd wordt doorheen het werk van Weerasethakul, verliezen herinneringen in A Flower of Forgetfulness hun functie als bouwstenen van een individuele levenslijn volledig. Via het proces van collectief maken weten de kunstenaars zich los te weken van de volgens Weerasethakul zo nefaste installatie van tijd in ons wezen. De poreuze grenzen tussen het zelf en de ander worden een middel om de wereld opnieuw en met een onbevangen blik te ervaren en zo komen we aan bij de titel van het werk, ontleend aan een verhaal over een bloem die, nadat je eraan hebt geroken, de magische werking heeft dat je alles vergeet en je de dingen om je heen terug voor het eerst kunt gewaarworden.
In het nagesprek leggen de makers uit hoe ze vertrokken vanuit wat ze de “verticale ambitie” van de mens noemen, ons verlangen om naar boven te gaan, om daar een eigen paradijs te bouwen afgesneden van de orde op aarde, een nieuwe thuis. Het publiek kan deze aspiratie fysiek verkennen door via een stelling de kapel tot boven te beklimmen en, als omkering van de sterrenkijkende houding, van daaruit de diepte in te turen. Ook in de filmbeelden zien we mensen gevolg geven aan het verlangen omhoog te gaan, wanneer ze de mythische Sigiriya berg in Sri Lanka beklimmen om er vervolgens terug van af te dalen. De hoogte als een plek van dromen, van ambitie. Trap per trap schuiven hun handen op de leuning geduldig steeds een stukje verder omhoog en omlaag. Dat stijgen en dalen is een belangrijk motief doorheen de hele performance, doorgetrokken in de soundscape die zich in golvende bewegingen over het geheel legt en in de ruimtelijke ervaring die voortdurend met kijkrichting speelt. Vanuit de positie waar ik ondertussen sta, zie ik hoe het doek een ovaalvormige schaduw werpt op één van de schermen waar een wolkendek op geprojecteerd wordt. Het geheel geeft de suggestie van een vliegtuigraam: vanuit mijn standpunt kijk ik nu niet langer omhoog naar de wolken, maar zweef ik erboven en kijk ik van daaruit naar beneden.
Naast mij staan twee mensen die niet langer naar de projecties kijken maar naar de lichtbron zelf. Ze lijken recht in het felle licht van de projector te staren en ik vraag mij af of ze genoeg hebben van het concrete en wereldse waar de filmbeelden ons stilaan toch naartoe gidsen en of ze net als ik terug beginnen verlangen naar die momenten van verblinding die voor mij het begin van de performance bepaalden. Ik volg hen en merk dat gradueel de rest van het publiek hetzelfde doet. Het licht beweegt zich in kleurrijke lijnen door de ruimte en deze omslag naar abstractie lijkt iets te doen met de aandacht en concentratie van het publiek. Een gefocust kijken dat ons terugbrengt naar wat cinema primair is: licht, dat ons – vluchtig als het is – plotsklaps ook weer terug wordt ontnomen. Een black-out werpt ons van het ene moment op het andere in zwart. Pupillen wijd open, vol aanwezig, ontvankelijk voor elk detail dat het duister ons wil tonen.
Ik kijk omhoog, daglicht wringt zich door de spleten van het oude gebouw, halve cirkels die zich boven ons aan het plafond van de kapel aftekenen. Naar analogie met het eerdere kijken naar de beelden van de zon, met het turen in de zonachtige witte kern van de projector, denk ik bij het aanzicht van deze halve cirkels aan de maan. “De zon heeft van alles te zeggen, maar maanlicht is een luisterend licht”, zegt Marjolijn Van Heemstra in Nachtgids. De maan geeft geen eigen licht, ze antwoordt. In het licht van de maan zit een relatie vervat. En hoewel ik weerstand voel op de versleten dichotomie tussen hart en hoofd, lichaam en geest, voelen en denken, is er iets in de overgang van licht naar donker dat daar toch mee te maken heeft. Op en neer, stijgen en dalen, de beweging die het afgelopen halfuur beeld, geluid en ruimtelijke compositie bepaalde, wordt nu ook voelbaar in mijn eigen lijf dat ademt, inkrimpt en uitzet samen met alle andere lichamen in de ruimte.
Het doek komt nu dreigend dichterbij en iets koppigs manifesteert zich in mij. Ik wil niet wijken, stel me voor hoe het zou zijn om opgeslorpt te worden door het gigantische doek – een gevoel van verdwijning, zelfverlies, een verlangen dat alles te maken heeft met vergeten. De naderende witte stof neemt stilaan mijn hele gezichtsveld in. Toch nog een laatste stuiptrekking van het denken, mijn hoofd reist naar de woorden van psychiater Jim Van Os die spreekt over het duale van het bewustzijn: we lopen vast omdat we iets denken, voelen en daar iets over willen zeggen maar er tegelijkertijd op een metaniveau ook iets van kunnen vinden. In die interne dialoog met onszelf, in de ervaring dat we aan het ervaren zijn, zou volgens hem de kern van psychisch lijden vervat zitten. Geconfronteerd met het witte doek vlak voor mijn ogen komt deze gedachte in mij op. Ik voel een verband met Weerasethakuls inzichten rond tijd, bots op mijn eigen limieten en maak mijn redenering niet helemaal af. “The problem of humanity is linked to thought”, en ik bemerk dat ik het tot nu toe hier ook deed, dat toevoegen van die extra laag aan beschouwing boven op de ervaring, waar ik mijzelf zo graag meer van zou willen ontslaan.
“Ik wil niet wijken, stel me voor hoe het zou zijn om opgeslorpt te worden door het gigantische doek – een gevoel van verdwijning, zelfverlies, een verlangen dat alles te maken heeft met vergeten.”
Hoe fragmentarisch, intuïtief en gevoelsmatig de videobeelden in het eerste deel van de performance ook samengebracht werden, mijn hoofd bleef razen, op zoek naar verbanden. Hier aangekomen wordt het mij duidelijk: ik worstel met de paradox betekenis te zoeken in iets dat zich net daarvan probeert te onttrekken. Vergeten houdt natuurlijk ook in dat je die zelfopgelegde interne tijdslijn die je met momenten denkt nodig te hebben om je identiteit vorm te geven, kunt loslaten. Aan de andere kant van het doek hoor ik een operastem, een geluidsbaken dat mij in beweging brengt en ik weet mij los te wringen van de taal en van het denken.
Lichtstralen zetten zich in duidelijk gedefinieerde lijnen neer in de kapel. Verschijnen, verdwijnen, halve bogen, lijnen, strakke tekeningen met licht, rook die wolkformaties doet ontstaan – ruimtelijke echo’s van de eerder geprojecteerde filmbeelden. Elektronische muziek neemt de soundscape over en mocht ik niet op enige sociale schroom gebotst zijn was dansen een feit geweest. Rondom mij bemerk ik enkele ingehouden dansbewegingen, voldoende om mij verbonden te voelen en mee te stappen in de vervoering.
Op het doek wordt van bovenuit een beeld geprojecteerd. Abstract, niet meteen leesbaar, kleurvlakken. Het geheel wordt de lucht in getrokken. Het geprojecteerde licht lijkt een gewicht te krijgen. Materie, een volume aan licht dat zwaar oogt en het massieve van herinneringen verbeeldt, de veelheid van de dingen, om vervolgens weer in het niets te verdwijnen. Een absoluut zwart dat onmiddellijk terug doorbroken wordt door een volgende lichtstraal. Ik kijk in de lichtbron, zie de witte kern openspatten in een meervoud van lichtlijnen die ik volg tot aan het projectiescherm, waar de woorden A Flower of Forgetfulness zich vormen. Overeenkomstig met de lichtpartikels die op het scherm definitie vinden in de omlijning van de letters, betekenis in de volledigheid van het woord, cadans in het ritme van de frasering, voel ik de partikels in mijn eigen lijf zich terug rond een kern plaatsen. Het lichaam, de eerste materie waarmee we interageren met de wereld. In het donker ontstond een vorm van denken die niet tegenover voelen staat maar eruit voortvloeit, een toestemming onduidelijk te mogen zijn voor mijzelf.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.