Elke Van Campenhout

Leestijd 15 — 18 minuten

Liefde zonder mededogen

Een publieke tête-à-tête tussen Ana Vujanovic en Igor Stromajer

De Sloveense kunstenaar Igor Stromajer omschrijft zichzelf als een intimate mobile communicator. Zijn performances op het web onderzoeken thema’s als emotie en trauma met uitgekiende low-tech technologie. ‘Nettheaterwetenschapper’ Ana Vujanovic praatte met hem over intimiteit en het publieke, over het lichaam, en over het internet als instrument tot verzet. Stromajers werk is te bekijken op www.intima.org.

‘Ik geloof in intimiteit, individualisme, emoties, frustraties, trauma’s, kunstmatigheid, communicatie, onmogelijkheid, mobiliteit, montage, radicaliteit, gevoeligheid, stilte, strategie, tactiek, tranen, orgasme, concept, plezier, fantasie, filosofie, transfer, utopie en engelen. Ik geloof niet in media, toerisme of het einde.’ (Igor Stromajer)

Belgrado-Ljubljana juni/juli 2004

Igor Stromajer Wanneer ik de laatste tijd word gevraagd om mijzelf voor te stellen, zeg ik dat ik een intieme mobiele communicator ben. Wat ik de laatste zeven jaar op het net heb gedaan, en ervoor zo’n viertal jaar in het theater, is intieme communicatie. Van mezelf als kunstenaar, met de ontvangers aan de andere kant. Het woord ‘mobiel’ heb ik er vier jaar geleden aan toegevoegd, omdat ik me toen ben gaan toeleggen op een artistiek onderzoek naar mobiele digitale technologie (GSM, WAP, GPS). Sinds ik in het theater ben beginnen werken in ’89, heb ik samen met Bojana Kunst heel wat theaterexperimenten uitgewerkt, die we zelf’installaties’ noemden. We onderzochten de relatie tussen het lichaam van de acteur, de danser en de toeschouwer, maar ook de fysieke energievelden en de intieme verbanden, en het private onderzoek van de acteur in de publieke (theater)ruimte. Sinds ’96 werk ik op het internet. Ik begon met de zogenaamde klassieke virtuele net-art, en daarna ben ik overgestapt op multimediale emotionele mobiele en communicatieve projecten. Op dit ogenblik concentreer ik me op intermediale guerilla en de politieke aspecten van mobiele intieme digitale communicatie, wat met andere woorden betekent: netperformance. Ik heb mijn eigen productiehuis: Intima Virtual Base. Daar werk ik aan eenvoudige technologische toepassingen van tactiele kunst en emotionele strategieën. De belangrijkste nadruk van mijn internetwerk ligt op de vloeiende communicatiekanalen en -structuren, binnen de ‘gevaarlijke zones’ van de intieme communicatie.

Ana Vujanovic Laat ik meteen al maar de moeilijkste theoretische vraag stellen over je werk: die naar het concept van intimiteit, dat wordt opgevoerd in de context van een massaal en open medium als het internet. Ik zou graag beginnen met de vraag hoe jij deze 2 concepten en praktijken -het intieme en het publieke- in je werk samenbrengt. Misschien is het verhelderend eerst deze thema’s en problemen en de belangrijkste media die je gebruikt, in een bredere context te plaatsen.

Stromajer Er bestaat geen grotere intimiteit dan de publieke en omgekeerd. Wanneer het intieme en het publieke worden begrepen in hun meest radicale, totale vorm, zijn het enkel twee kanten van eenzelfde feit, ze delen hetzelfde plezier. Daarom denk ik dat het internet het intiemste medium is dat ooit heeft bestaan. Net omwille van die quasi totale openheid die het publiek reduceert tot complete intimiteit en deze projecteert binnen de publieke ruimte. Een voorbeeld van de inperking waar ik het over had kan ik makkelijk bij mij thuis vinden. Ik zit hier alleen voor de computer, in mijn intimiteit, en kijk naar een pornofilm die duizenden anderen min of meer op hetzelfde moment bekijken. Maar precies dat ‘min of meer hetzelfde moment’ is erg belangrijk, omdat het elk van ons zo’n fantastisch gevoel van individualiteit geeft. Het is niet zoals bij televisie, waar je op exact hetzelfde moment voor het scherm moet zitten, ‘net als iedereen’. We zitten niet in een voetbalstadion. Nee, we bevinden ons in onze eigen kamer, in onze eigen intimiteit, zodat dat ‘min of meer hetzelfde moment’ een geïndividualiseerd Utopia wordt, waarin het publiek wordt gereduceerd. Je zou kunnen zeggen dat het publiek wordt geïndividualiseerd, waardoor er een uitgelezen genot vrijkomt. En het voorbeeld van de projectie of het openbreken van de intieme ruimte naar een breder publiek, hoeft eigenlijk zelfs niet verder te worden uitgelegd. Iedereen kent het massale gebruik van goedkope webcamera’s die mensen in hun appartementen installeren, om voor een breed publiek de deuren te openen op hun bizarre intimiteit. Wat hier wel vermeld dient te worden, is dat in de nieuwe media de relatie tussen het intieme en het publieke afhankelijk is van een ander belangrijk element: de vraag naar identiteit. Het internet maakt fantastische verschuivingen en veranderingen in je identiteit mogelijk, zodat verschillende persoonlijkheden een temporele dimensie krijgen en kunnen opduiken en functioneren in zeer kleine tijdseenheden, net zoals de tijd sneller en sneller begint te lopen in de analoge wereld. Deze mogelijkheid om te wisselen van identiteit is belangrijk als we de relatie tussen intimiteit en het publieke willen begrijpen. Sterker nog, dat is precies wat de vloeiende relatie van het intieme en het publieke op het internet mogelijk maakt. Als ik bijvoorbeeld op het ene moment de verleidelijke Kroatische zangeres Severina ben (en als ilc haar identiteit aanneem op het internet, bén ik dat ook werkelijk), dan ben ik één seconde later een compleet andere persoon, misschien zelfs geen persoon, maar een code, een byte, een stukje informatie. Het is enkel een kwestie van een druk op de knop. Alleen omwille van dat temporeel verbindende element (identiteit) dat op zo’n onherkenbare manier het intieme en het publieke met elkaar verknoopt, wordt het leven zo makkelijk, eenvoudig, onproblematisch, ideaal… Is dat geen ideale situatie voor het opduiken van terroristische tactieken, guerillastrategieën of andere radicale politieke acties?

En als ik zou zitten masturberen bij een pornofilm op mijn GSM ergens in het midden van Unter den Linden in Berlijn, zou dat een compleet ander verhaal zijn over het intieme en het publieke. Met andere woorden: we leven niet in één maar in meerdere werelden.

Vujanovic Denk je niet dat er in deze hyper-massamedia-samenleving enkel nog een spoor van intimiteit is achtergebleven? Of bestond er ooit een andere vorm van intimiteit? Net als een andere individualiteit? Ilc laat de vraag opzettelijk open, zodat je ze kan interpreteren als compleet onnozel, of ongelofelijk leep. Je mag zelf je sleutel kiezen…

Stromajer Voor mij is dit een erg belangrijke vraag, omdat ze voor een groot stuk bepaalt hoe ik in de samenleving sta. Er was een tijd toen we de illusie koesterden van intimiteit, vrije liefde en een gericht Utopia. Ik zeg niet dat dat beter was dan de open commercialisatie en het directe kapitaal van vandaag dat zich nergens voor schaamt en geen morele dillemma’s heeft over intimiteit en individualiteit. In de hippiejaren ’70 en de activistische late jaren ’80 (toen het massale gebruik van het internet ingang vond) waren intimiteit en individualiteit gratis. Vandaag kosten ze een fortuin. Multinationals bieden ons individualiteit en vrijheid aan voor een zeer hoge prijs en enkel voor een afgebakende korte duur -tot er een ander product op de markt komt. Gebruik ons maandverband en voel je Vrij! Koop onze mobiele telefoon en voel je ‘anders’! Koop onze voorgedragen jeans en ‘wees jezelf! Dus als we onafhankelijk, anders, en vrij willen zijn, moeten we daarvoor betalen. Een paar jaren geleden waren slogans over individualiteit, radicaliteit, verschil enzovoort gereserveerd voor de kunsten. Vandaag zijn ze de belangrijkste slogan voor het kapitaal.

Het tweede belangrijke punt is dat, wanneer we die vrijheid en individualiteit in het winkelcentrum kopen, we ook iets aanschaffen dat we eigenlijk al hebben en waarvan we op de één of andere manier veronderstelden dat we het niet opnieuw zouden moeten kopen. Daaruit spreekt een hoge graad van verwarring, berusting en zelfs catastrofe in onze samenleving.

Ik ben gek op winkelen en soms geeft het me een orgastische bevrediging. Maar toch, omdat ik ook een beetje een romantische cyber-communist ben, rouw ik in mijn intimiteit om de kosteloze vrijheid en zou ik onder de juiste omstandigheden misschien zelf naar één of ander bos trekken om een paar dode idealen te bevechten. Intimiteit speelt vandaag een zeer specifieke -en voor mij een zeer belangrijke en essentiële- rol in de hyper-massamedia-samenleving. Dat is politiek verzet. De meest intieme handeling is degene die we zonder doel stellen. Je kan een paar bommen en onstekingsmechanismen op je lijf bevestigen en naar het centrum van Tel Aviv gaan, jezelf opblazen en twintig mensen vermoorden. Dat is een vervelende politieke actie die zelfs voor de media niet langer interessant is. Of je kan diezelfde bommen omsnoeren en ergens ver weg in de bossen van Lapland dezelfde actie uitvoeren, jezelf opblazen. Maar in die omstandigheden verliest je handeling zijn mediacomponent en wordt die volledig intiem, privaat en een serieuze politieke verzetsdaad. Ikzelf werk intensief aan concepten zonder de bedoeling die in mijn recente projecten ook zichtbaar te maken. (Ballettikka Internettikka, S.HTML, security, Wefinns, we don’t use chains!, MomEnt.16: Orgasmus im Berlin, enzovoort.) In deze omstandigheden zou de beste vraag op je antwoord kunnen zijn: nee, intimiteit verwatert nooit tot een louter spoor; de hyper-massamadia-samenleving kan haar niet vernietigen, enkel transformeren. ‘Intimacy without a cause‘ is vandaag de meest radicale weerstand tegen het kapitaal. Zoals in communistisch Praag -zoals Milan Kundera ons in herinnering brengt- waar groepsorgieën van intellectuelen in privé-appartementen het hoogtepunt waren van de oppositie tegen de politieke eenmaking. Dus: het orgasme is de hoogte manifestatie van politieke participatie. Op dat vlak is er niks veranderd.

Vujanovic Hoewel, de wereld is onbeschrijfelijk veranderd… Je sprak net over een heel belangrijk aspect van je werk, en ik stel voor dat we dit proberen te ontwikkelen en je netperformances trachten in te passen in de huidige macrosociale, economische en politieke context. Digitale technologie, in het bijzonder het internet, met zijn zwakbegrens-de informatiestroom, vertoont opvallende gelijkenissen met het globale zwakbegrensde kapitaal. Voor het internet en het kapitaal is alles in zekere zin hetzelfde. Ze gaan beiden uit van een eigen logica, die niet echt afhankelijk is van wie er aan deelneemt. Ze zijn allebei compleet ge-de-politiseerd. Het doet er niet toe of je Chinees, Indisch of Amerikaans bent, man of vrouw, wit of zwart, hetero of homo of biseksueel,…

Als ik die notie verbind met het nettheater en jouw werk, ben ik geïnteresseerd in één ding: denk je dat het internet (en dus ook het globale kapitaal) opnieuw kan gepolitiseerd worden door de kunstpraktijk? En als dat zo is, hoe dan? Door guerilla-acties? Of door intieme interventies in de onverschillige publieke ruimte van het internet? En hoe kan je vermijden vast te lopen in een herbevestiging van de structuren van het web waarin je functioneert? Ik ga akkoord met je opmerking over de Tsjechische intellectuelen op het moment dat het real-socialisme nog de plak zwaaide, maar de macro-context is intussen veranderd, en vandaag zou dit soort politieke act misschien net een gepaste way of life zijn, zelfs in de Tsjechische Republiek.

Stromajer Mijn antwoord is betekenisloos. Ik ben geen net-activist, en ben dat ook nooit geweest. In het midden van de jaren ’90, toen de net-activistische initiatieven, die het internet politiseerden en connecties aangingen met artistieke net-initiatieven (Net time, Syndicate, enzovoort) begonnen op te duiken, heb ik hen uitgelachen (hoewel ik zelf een actieve deelnemer was), en ben ik zelf doorgegaan met de masturbatie van mijn gesloten, claustrofobische, zinloze intimiteit. Ik geef toe (en ik zal dat nooit ontkennen) dat het internet volledig gecommercialiseerd is, en nog nooit zo erg als vandaag. Het loopt inderdaad compleet parallel met het kapitaal en het consumentisme. Daarom deprimeert je vraag me ook zo, en ontwapent ze me, en maakt ze me triest en hulpeloos. Dus laten we even pauzeren en een koffie drinken…

(Later…) Welnu, mijn kopje is leeg, maar ik heb geen oplossing gevonden. In mijn opinie is alles zinloos, niets helpt, noch de guerilla-acties, noch de politieke propaganda of filosofie. En als filosofie niet helpt, dan is de situatie echt hopeloos. Zelfs als ik ergens in geloofde, zou ik nog altijd vooral voor het trauma leven, voor het onmogelijke, de fantasie, de stilte, de utopie en de filosofie. Maar als ik kan lachen (in positieve zin) en ik lees Žižeks analyse van de hedendaagse westerse politiek, dan is alles echt verdoemd. Het enige wat ons rest is ironie. Maar het probleem is dat ironie ons altijd maar bitterder maakt. Alles wat ons omringt is alleen maar ‘interessant’ en niet ‘veranderbaar’. We kunnen onszelf distantiëren van zowat alles. Er zijn enkel tactieken en strategieën; niks is echt of tastbaar. Elk van onze handelingen -hoe gevaarlijk of onwettelijk ook- is enkel een ‘gepaste way of life‘ die geen waarde heeft omdat ze alleen binnen een bepaalde tijd functioneert. Het volgende moment zijn de regels en de manier waarop je in het leven staat alweer veranderd. Het binnenbreken in de intimiteit, hoe radicaal en direct die ook mag zijn, is zinloos in die context. Het is zelfs geen duidelijke ‘storing’, het is niets meer dan een spel zonder waarden, met uitzondering van mijn persoonlijk engagement, dat geen waarde heeft, niks betekent, en totaal auto-religieus is. Dat geldt ook voor die Tsjechen in die orgie: misschien vermaken ze zich, maar vandaag zien ze er stom uit als ze het gratis doen, of erger nog – zonder enige reden. In dat perspectief is internet slechts één van de actieve elementen in het functioneren van het kapitaal, het is een deel van de samenleving en verschilt er in geen enkel opzicht van. Het is compleet gelimiteerd, gedefinieerd en gecontroleerd. Het fascisme van het internet dat zelfs niet door virussen kan worden doorbroken is een uitstekend beeld, niet alleen van de moderne hegemonie van het kapitaal, maar ook van de hedendaagse kunst, het systeem van curatoren en van de kunstmarkt. Als in het midden van de jaren ’90 Mladen Stilinovic zei dat ‘een artiest die geen Engels spreekt geen artiest is’, betekent dat vandaag specifiek dat ‘een artiest die geen persbericht (in het Engels) kan zenden, geen artiest is’. Niets kan ge-re-politiseerd worden, omdat alles al gekapitaliseerd is. Zelfs de democratie is ge-de-politiseerd. Het is niet langer een filosofisch concept, het is een compleet economisch concept geworden. Anders zijn (Chinees, biseksueel, politieke opposant, invalide, terrorist of wat dan ook) is alleen een nieuwe marketingniche of een nieuw aan te boren afzetmarkt. In die zin klinkt de Elfde Thesis van Feuerbach vandaag als een stomme reclame voor tandpasta: ‘Die Philosophen haben die Welt nur verschieden interpretiert; es kommt aber darauf an sie zu verändern.’ (Filosofen hebben de wereld enkel anders geïnterpreteerd, het komt er echter op aan hem te veranderen). Het enige wat die stelling nog kan betekenen is: koop een nieuwe tandpasta, gebruik ons merk, niet het hunne, want het onze is het beste, tot we deze namiddag een ander op de markt brengen. Volgens de statistieken bezoeken gemiddeld 10.000 mensen per maand mijn projecten op het net. Wat zoeken ze daar? Tewerkstelling? Een dak boven hun hoofd? Een vluchtelingenstatus of burgerrechten? Seks? Democratie? Tandpasta? Liefde zonder medelijden?

Vujanovic Of theater? Hoe zou jij netperformance (en dan vooral jouw werk) in de context van de traditie en geschiedenis van het westerse theater plaatsen? Dan denk ik vooral aan je projecten als Ballettikka Internettikka en Oppera Teorettikka Internettikka. Beschouw je je werk als een breekpunt, weg van de geschiedenis? Of als een stap in een evolutie? Als je bedenkt dat nettheater de eerste (gekende) theaterpraktijk is die niet op live-performance en aanwezigheid is gebaseerd en dus het concept live performance opnieuw definieert? Als we stellen dat nettheater zich ook realiseert doorheen live performance – en zo wordt het vaak begrepen – dan moeten we nieuwe criteria vastleggen, omdat de oude niet meer werken. En ook, Lev Manovich noemt digitale media meta-media omdat ze zijn gebaseerd op het gebruik en de herdefiniëring van elementen uit voorgaande media. Zou jij je theater in die zin meta-thater noemen (meta-opera, meta-ballet, meta-performance)?

Stromajer Ik zie de kunstgeschiedenis niet als een breukveld. Elke breuk komt voort uit een voorgaande conditie en distilleert daar concepten en anti-concepten uit. Zelfs al trek ik automatisch mijn wapen als ik het woord ‘theater’ hoor, omdat ik grote problemen heb om dit idee te begrijpen, en zeker als ik het probeer toe te passen op mijn werk. Ik voel me een stuk beter en vrijer wanneer we het over communicatieve kunst hebben, in plaats van theater. Het is waar dat theater, op een gestoorde manier, een allesomvattende kunst is (hetgeen ook verklaart waarom het altijd zo gewelddadig is omgesprongen met andere media en de kunst zelf). Dus op die manier kunnen we theater, zelfs in zijn meest klassieke vorm, op een perverse manier ‘multimediaal’ noemen, of zelfs een ‘intermediaal’ gebeuren. Maar als we over netperformance praten, gaat het niet zozeer om theater en theatrale elementen, dan wel om communicatieve regels, die zowel hedendaagse visuele kunstpraktrijken als postdramatische performances sturen, maar waar de communicatie toch steeds op de voorgrond staat. Aangezien die communicatieve regelgeving gebruik maakt van verschillende technologische, temporele en andere gespecialiseerde niveaus, zou het zeer moeilijk zijn die allemaal tot het theater te reduceren. Meer nog: het is onmogelijk om ze te verklaren vanuit de theatertheorie, hoe postdramatisch of hedendaags die ook mag zijn. Daarom is Manovich’ theorie over de meta-media zo gelijklopend met de mijne, en kan ik mijn werk makkelijk identificeren met meta-opera en meta-ballet. Zeker omdat Manovich zijn stelling verbindt met theorie op basis van de data, hetgeen ongelimiteerde gevaarlijke combinatiemogelijkheden oplevert. Die mogelijkheden zijn tevens de voorwaarden voor het functioneren van meta-media, en ook één van de belangrijkste structurele punten van mijn politieke strategieën en intieme tactieken.

Vujanovic Om af te sluiten nog de volgende vraag. Hoe zie en positioneer jij jezelf in de praktijk van het net-theater? Laten we zeggen dat je als auteur moet omgaan met tegelijkertijd je ‘subjectiviteit’ (de auteur als subject, als de hedendaagse Sloveense netperformance kunstenaar Igor Stromajer) en daarnaast je ‘fysicaliteit’ (het materieel fysieke individu Igor Stromajer, met zijn eigen verlangens en verwachtingen). Met andere woorden, ik ben geïnteresseerd in twee gemeenschappelijke – en volgens mij fundamentele- relaties. De eerste is die van het grote Auteurssubject van het westerse modernisme, en de in het postmodernisme en poststructuralisme ge-decentreerde en versplinterde subjectieve auteur na Barthes en Foucault, in verhouding tot het virtuele auteur -simulacrum van net-art en nettheater, dat op hetzelfde moment opereert met een betekenisgevend netwerk dat al in beweging is, maar tegelijkertijd steeds een creatie ex nihili genereert. (In de digitale technologie wordt immers steeds dezelfde realiteit geschapen, die niets uitdrukt, niets laat zien, en niets teweeg brengt.) De tweede relatie die mij interesseert is die tussen mijn unieke, ‘beleefde’, fragiele en resistente lichaam tegenover de realiteit en haar sociale en institutionele regelgeving die doorsijpelt in mijn kunstpraktijk, en mijn arbitraire en feitelijke lichaam in de virtuele wereld met zijn zelf-regulering, dat binnenkomt in de digitale of netkunstwereld.

Stromajer Ik zal beginnen bij mezelf. Mijn lichaam houdt zich voor dat het sterk en hard is. Het heeft een fietstocht gemaakt van Ljubljana tot de kust, het heeft in de Sahara geslapen, het wandelde in de winter ver over de bevroren zee in Finland, het genoot van de wind in de Rocky Mountains, en overleefde de tropische hitte van Singapore. Maar het overleefde nauwelijks een serieuze virusinfectie in de Parijse metro vorig jaar, om dan nog van mijn bloederig gekwetste handen door het pas ineengeknutselde bed te zwijgen. Vrouwenborsten en de computermuis hebben mijn lichaam vergiftigd (het Engelse ‘spoilt’ heeft de dubbele betekenis van ‘verpest’ en ‘vertroeteld’, nvdr). Zijn meest courante toestand is er één van snelle, voortdurende schommelingen tussen eenzaamheid en genot. En zijn enige auteursstatus is – om het met Bataille te zeggen- die tijdens dat moment van stilte na het orgasme, de diepe intieme uitdrukking van de auteur: als de broze toestand van de onzekere liefde, die ondanks de oppervlakkigheid en de eenvoud van het moment even een fascinerende blik werpt op het rijk van complete verlorenheid. Ik kijk niet neer op de postmoderne versplinterde auteur, omdat ik hem fysiek heb beleefd in de romans van Robbe-Grillet. Maar ik ben auto-religieus genoeg om op belangrijke momenten mijn eigen fragmentering te overstijgen, met mijn vuist op tafel te slaan en een autonome, en niet-politieke beslissing te maken. Erotiek is stilte. En in die stilte zet ik – als hedendaagse verplinterde subject-auteur en stadsguerillero-zonder-doel, die zich bewust is van zijn zwakte – baanbrekende, kolossale, pathetische, spectaculaire, napoleontische bewegingen uit. Die dualiteit is een voortdurende vernietiging, die me fascineert en verzwakt.

En laten we het ten slotte over jou hebben. Ik weet niets over jouw lichaam, over jouw kwetsbaarheid. In mijn verbeelding ben je een intelligente en onafhankelijke vrouw die zichzelf compleet controleert en in de hand heeft, als het op kunst aankomt, of op deelname aan de parlementaire verkiezingen, of in de keuze van haar seksuele genoegens. Je ervaring van digitale of nef-arf-werken is niet virtueel. Het is altijd fysiek, zelfs als het over informatie, codes of machines gaat. Machines kennen plezier en ze zijn ook heel mooi. Door ermee te communiceren – en laten we dat dan kunst noemen – kan je zelf ook mooi worden. Dat is waarom ik je oneindig graag zie.

Het is nu aan u, lezer, om te beslissen of u naar uw revolver grijpt als u het woord ‘nettheater’ hoort of, om het op Godard-Žižekiaanse wijze uit te drukken, ‘naar nettheater grijpt als u het woord “revolver” hoort’.

Vertaald uit het Engels door Elke Van Campenhout

Five Finger Exercisel

Op 18 januari 2005 lichtte minister Bert Anciaux in Brussel in de grote zaal van het Kaaitheater zijn beleidsnota toe. Enkele dagen voordien had hij al de voorzitters van de beoordelingscommissies van het Kunstendecreet toegesproken. De tekst van deze toespraak was te lezen op de website van het ministerie van Cultuur. Uit de vele bedenkingen die dergelijke toelichtingen van het beleid oproepen, lichten we er één. Punt 2 uit bovenvermelde tekst draagt als titel: ‘Een eigen structuur – of juist niet?’ Het opengooien van de deuren van de grote kunsthuizen waardoor jonge mensen ook in deze voorheen ondoordringbare burchten met hun werk een onderdak kunnen vinden is het resultaat van een lange -en mijns inziens nog steeds onvoltooidestrijd waaraan heel wat mensen uit de theatersector gedurende jaren hun beste krachten hebben gewijd. De inzet van die strijd was niet meer of niet minder dan: ‘het opnieuw binnenbrengen van artistiek risico’ in die grote structuren.

Dit gevecht heeft positieve resultaten opgeleverd, maar daaruit besluiten dat het nu niet meer nodig is dat jonge mensen nog aparte eigen structuren opbouwen, zou volgens mij voorbarig en niet realistisch zijn. We weten het al sinds Thomas Bernhard: jonge kunstenaars zijn niet te helpen, jonge kunstenaars kunnen enkel zichzelf helpen-Het begrip ‘artistieke vrijheid’ wordt vandaag maar al te vaak beladen met allerlei verwarringscheppende betekenissen. In essentie blijft artistieke vrijheid voor mij: het zelfbeschikkingsrecht van de kunstenaar over zijn artistiek project. En aangezien vorm en inhoud van een kunstwerk in hoge mate bepaald worden door de omstandigheden waarin dat geproduceerd wordt, maakt de manier waarop een kunstenaar zijn werk organiseert intrinsiek deel uit van zijn artistieke vrijheid. Hij/zij ontwikkelt tijdens het creëren een werkcultuur die onlosmakelijk met het werk zelf verbonden is. Al wat tijdens de wordingsgeschiedenis van een project gebeurt, zit mee in het eindresultaat. Dat geldt in zelfs hogere mate voor jonge kunstenaars die hun methode, de weg waarlangs zij willen gaan, nog volop aan het zoeken zijn.

Vooropstellen dat het ontwikkelen van een eigen structuur van nu af aan voor jonge kunstenaars uit den boze zou zijn, omdat zij hun ei ook kwijt kunnen in de grote structuren (met hun aan hun omvang beantwoordende werkcultuur), is een kortzichtige opvatting die aan het fragiele jonge werk schade kan berokkenen. In tegenstelling tot wat misschien in beleidskringen

gedacht wordt, zijn jonge kunstenaars er absoluut niet op uit om per se een eigen structuur uit te bouwen. Vaak voeren zij eerder een gevecht om klein te blijven dan om groot te worden. Zij willen in de eerste plaats met hun werk bezig zijn: precies vanuit die behoefte zoeken zij naar verwante zielen, die met de grootste getrouwheid tegenover dat creatieve werk op kleine schaal oplossingen proberen te bedenken voor productionele, promotionele en verkoopsproblemen. Dat is het onontbeerlijke begin van een kleine organisatie. Wie subsidie wil aanvragen moet bovendien een vzw oprichten: daarvoor moet je al met z’n drieën zijn. Ook dat is al de facto een kleine ‘eigen structuur’. De flexibiliteit die de kunstencentra vroeger hadden om aan de behoeften van dat zeer jonge werk te voldoen, hebben ze nu vaak niet meer. En ook de stadstheaters hebben een te grote en daardoor te dwingende structuur én infrastructuur om jonge makers te helpen zonder hen al meteen – met de beste bedoelingen- te usurperen. De enige organisaties waar jonge makers vandaag een echte kans hebben om zich thuis te voelen, zijn wellicht de werkplaatsen. Binnen de gesettelde structuren en binnen de overheid is men  zich er te weinig van bewust wat een enorme opdracht het voor jonge makers is om bijvoorbeeld een dossier klaar te maken en daarbij aan alle administratieve vereisten te voldoen. Er zijn jonge makers -en zeker niet de minst talentrijke- die er in de voorbije weken, geconfronteerd met de berg aan papierwerk, voor gekozen hebben om géén subsidiedossier in te dienen: dat zou hen te veel tijd kosten, dat veronderstelt dat zij zich investeren in een materie die zij niet kennen, terwijl ze zich eigenlijk alleen in hun creatieve werk willen investeren.

Het is mijn insziens een verkeerde inschatting te denken dat met de invoering van het Kunstendecreet ‘alles eens en voor altijd geregeld’ is en dat iedereen die nu de kop boven de grond steekt zich maar moet inpassen in het geschapen kader. Structuren binnen de kunstsector moeten zich telkens en telkens weer aanpassen aan de creatie en niet omgekeerd. Niks is ‘eens en voor altijd geregeld’. Alles moet altijd opnieuw begonnen worden. De spanning tussen kunstpraktijk en beleid zal er altijd zijn. En dat is goed zo. Dat is vruchtbaar. Dat is een ‘wrijving’ waaruit veel warmte kan voortkomen.

[ MVK ]

gesprek
Leestijd 15 — 18 minuten

#96

15.04.2005

14.07.2005

Elke Van Campenhout

Elke Van Campenhout is redacteur van Etcetera, is freelance publicist voor diverse kunsttijdschriften, en werkt als curator en dramaturg.

gesprek