© Olympe Tits

Leestijd 14 — 17 minuten

State of the Future 2026 – Kristien De Proost

“Wat als wij een staat waren, een land?”

Op 2 september 2026 sprak Kristien De Proost haar State of the Future uit tijdens de openingsceremonie van het TheaterFestival in KVS in Brussel. “Wat als wij een staat waren, een land? Hoe kunnen we die verbeelden? Hoe kunnen we de harde letters die we met het woord staat associëren verbuigen, verzachten en laten uitdijen?”

Goedenavond,

Hoe te beginnen, dat is de vraag, na deze wake-upcall van een zomer. Handleidingen voor speeches raden allemaal een lichte start aan. Een mopje, een kwinkslag. Ik hou absoluut van mopjes. Iets met scheten of zo. Maar het lijkt mij allemaal naast de kwestie.  Hoe dus te beginnen. 

Bij de woorden.  Ik krijg vanavond het woord. Als je iets krijgt is het maar zo beleefd om iets terug te geven, zegt mijn moeder altijd, ook als iets graag gegeven is. Ik zal jullie woorden teruggeven.

Words words words, zei Shakespeare bij monde van Hamlet, bij monde van Laurence Olivier, Kenneth Branagh, Mel Gibson, Abke Haring, Sarah Bernhardt, Zainab Jah, Florian Myer, Amaka Umeh, Stefaan Degand … 

Words words words in het Oud-Engels, vertaald in het Spaans en het Arabisch, het Fins en het Hindi, in het Wolof, in braille, in het Japans, het Limburgs, in gebarentaal.

Words words words. Gedanst en gezongen. Geboerd en gelachen. In het zand geschreven. In sneeuw gepist. 

Words create reality, een zin uit de voorstelling Three times left is right. Woorden scheppen een werkelijkheid. In het Fins bijvoorbeeld, bestaat er maar één persoonlijk voornaamwoord enkelvoud. Eén woord voor hij/zij/die: hän. Een mens, een woord. Zo eenvoudig kan het zijn. Words create reality.

“Elke staat staat of valt met grondstoffen. Beste mensen, WIJ. ZIJN. RIJK. Wij hebben een immense grondlaag aan ideeën, bodems vol brainstorms, works in progress, wilde plannen, los-vaste allianties, volgekrabbelde oude restaurantrekeningen, stapels bierkaartjes en post-its. Welke gezonde staat laat na om al haar grondstoffen in te zetten?”

Ik kwam erop uit omdat er een Finse recensie was verschenen over All Inclusive. Ik wou die lezen en haalde ze door Google Translate. Overal waar het over mij ging, verscheen er hij op mijn scherm. Raar, dacht ik. Dus ik ging op onderzoek en ontdekte hän. Dat Google Translate quasi automatisch het mannelijke equivalent kiest, zegt dan weer veel. Over Google. Over de wereld. Over de plaats van Google en de tech bro’s in de wereld. En over woorden. Yo bro.

Soms zijn woorden zo duidelijk dat het pijn doet. Soms lijken ze alleen maar te willen verhullen. Soms veranderen ze van betekenis naargelang degene die ze uitspreekt, gebruikt, misbruikt. Soms zeggen ze overduidelijk wat ze zeggen en doet men toch alsof men ze niet goed verstaat. Klimaatcrisis, genocide …  Soms is iets zonder woorden zoveel duidelijker dan met. Woorden verhelderen, verbinden, omfloersen, beknellen. Ze zijn zelden neutraal. Words create reality.

Waar zit de ruimte? Hoe leggen we bloot wat achter, onder, tussen, rond de woorden zit? Hoe blijven we ze oprekken, herkneden, herinterpreteren? Hoe verhinderen we met andere woorden dat we vast komen te zitten in woorden?

De woorden dus, voor deze State of the Future. 

State

Wat als wij een staat waren, een land? Vaak zeggen we veld, landschap of ecosysteem als we het over onze sector hebben. Adequate woorden. Ze dragen een verlangen naar gemeenschap in zich. Naar samenwerking, wederzijdse beïnvloeding, naar bloeien en woekeren. Naar veel geuren en kleuren samen. Naar snoeien, ook, helaas.

“Rijkdom is niet hetzelfde als oogst. Net als composteren is kunst maken geen project met een einddatum. Het is een houding: wroeten, omkeren, wachten, niet ingrijpen wanneer het nog niet zover is, vertrouwen dat rotting een vorm van vooruitgang is die geen enkele voortgangsrapportage kan vatten.”

Landschap, ecosysteem, veld. Die woorden hebben we al. We kennen ze, we gebruiken en misbruiken ze.

Wat als de sector een staat was. Hoe kunnen we die verbeelden, hoe kunnen we die vormgeven? Hoe kunnen we de harde letters die we met het woord staat associëren verbuigen, verzachten en laten uitdijen? 

A state of the future. 

Future.

De toekomst. 

Utopie of doemscenario. 

Vroeger leek de toekomst beter. Ik ben er niet uit of dat komt omdat ík toen anders, jonger, meer onbezonnen was, of de tijd. De toekomst was vooruit, in de toekomst werd het beter, de toekomst kwam eraan en dan zou je wat zien. 

Toekomst leek vooruitgang. Al ben ik iets te jong om die schaamteloos optimistische tijd mee te hebben gemaakt. Die van Expo 58 en nooit meer oorlog, die van de man op de maan en love en peace voor iedereen van goeie wil, enfin, toch degenen met een wieg op de juiste plek.

Toekomst. Vooruitgang. Twee woorden als kameleons. 

Nu lijkt het soms alsof het enkel nog bergaf kan gaan.

Toch houdt de toekomst nog altijd een mogelijkheid in zich. Dingen kunnen zijn, kunnen worden. Laat ons het woord toekomst terugclaimen en proberen te modelleren. Kom op, we mogen, we moeten, we kunnen nog altijd dromen. Waar ligt onze toekomst? Wat is onze ideale toekomstige staat?

Our State of the Future.

Een oefening. 

Eén: GRONDSTOFFEN.

Elke staat staat of valt met grondstoffen. 

Beste mensen, WIJ. ZIJN. RIJK. Wij zijn Saudi-Arabië, het Congo van het Noorden, of het Noorwegen van de non-profitsector voor degenen die het per se binnen de Europese grenzen willen houden. 

Wij hebben een immense grondlaag aan ideeën, bodems vol brainstorms en aanzetten, works in progress, wilde plannen, los-vaste allianties, volgekrabbelde oude restaurantrekeningen, stapels bierkaartjes en post-its met notities. Immense wortelnetwerken met daartussenin immer voortschimmelende restjes weggegooid materiaal, beerputten vol uitgekakte, slechte ideeën als humus voor velden en velden residuen uit residenties. Grote mesthopen van alles wat ooit gedaan en gezien is liggen te wachten om hergebruikt te worden. In de lucht trekken massa’s mogelijke concepten voorbij, beweeglijk nog als wolken. En overal waar je kijkt: hakkers, plukkers, gravers, lavers, gritselaars, herkauwers, bijters, slapers, gapers, et cetera et cetera. Dat alles samen maakt kunst, of men dat nu wil of niet, koppig, uit noodzaak of gewoon omdat, in de spotlight én in de luwte, onder de grond en in de lucht, in de kieren van het beton, tussen het zand, overal te lande. Elk van die krabbels, elk vergeten idee op een bierkaartje: geen wachtkamer, maar al een begin. Nataliteit, zou Hannah Arendt zeggen: het vermogen om iets ongehoords de wereld in te brengen, aanwezig in élk begin, hoe klein of verkruimeld ook.

Het is er. Het is bezig. Ssst.

“Laten we voor onze toekomstige staat ook werk maken van een risico-shift. Geen taxshift. Een risico-shift. Zodat in moeilijke tijden niet alle lasten door kunstenaars worden gedragen.”

Welke gezonde staat laat na om al haar grondstoffen in te zetten? Ze zijn er. En ze willen. Ze hebben daarenboven geen water- en energieverslindende datacenters nodig. Gewoon een bestaan. Er zijn. Mogen zijn.

In onze sector kunnen we de prijs per kilo grondstof helaas niet opdrijven door schaarste te veinzen, laat ons het dus simpel houden, laat ons gewoon al die grondstoffen inzetten en de tijd geven die ze vragen.

Twee: FINANCIËN

Geld of geen geld, dat is de vraag. In welke toekomstige staat kan het eens niet over geld gaan? Want het gaat niet over geld. We weten het. Wat wij doen, wat we willen zijn, wat we willen betekenen gaat niet over geld. 

Oké, laten we niet doen alsof. We hebben geld nodig. Als middel. Geld is tijd: tijd om te ploeteren, te vechten, opnieuw te beginnen, iets weg te gooien en te herbeginnen zonder dat er iemand meekijkt met een deadline. Wie zegt dat het niet over geld gaat, heeft meestal genoeg geld om zoiets te kunnen zeggen. 

Maar toch wil ik het hier niet over geld hebben, maar over de woorden. De woorden die  doorgegroeid zijn tot in onze kern en zich daar hebben genesteld: efficiëntie, financieringsmix, maximalisatie, break-even, winst, (economisch) nut …

Als koekoeksjongen hebben ze andere woorden uit het nest gestampt. Tijd. Risico. Avontuur. Morsigheid. Zorg. Solidariteit. Belangeloosheid. Wederkerigheid. Grenzeloosheid.

Laat ons aan een toekomstige staat werken die dat herziet.

“Hoe ons verdedigen? Never obey in advance, schrijft Timothy Snyder over totalitarisme. Dus nee, we gaan niet minder maken. We gaan niet minder spelen. Laat ons niet op voorhand geloven dat er vandaag geen maatschappelijk draagvlak zou zijn voor cultuur.”

Ik kom even terug op onze rijkdom aan grondstoffen. Rijkdom is niet hetzelfde als oogst. Net als composteren is kunst maken geen project met een einddatum. Het is een houding: wroeten, omkeren, wachten, niet ingrijpen wanneer het nog niet zover is, vertrouwen dat rotting een vorm van vooruitgang is die geen enkele voortgangsrapportage kan vatten. De handen die dit doen zijn niet efficiënt. Ze hebben aarde onder de nagels, ze weten niet altijd wat er zal groeien. Dat is geen gebrek. Dat is landschapsonderhoud, dat is tuinieren.

Denk aan de mestkever. Die vraagt niet naar de marktwaarde van wat hij verplaatst. Hij rolt de mesthoop van grondstoffen verder de aarde in, onzichtbaar, ongevraagd. Zijn werk wordt pas jaren later zichtbaar, als er iets groeit waarvan niemand meer weet waar het vandaan kwam. Dat is geen verspilling. Zijn arbeid is geen diefstal en geen verzet. Het is zorg. Een tuin die niemand omkeert, verzuurt.

Laat ons dus aan een toekomstige staat werken die niet vraagt wat iets economisch waard is, maar meebeweegt met wat er gebeurt. We hebben al een begin. In onze staat geen perverse dynamische prijzen die mee stijgen met de vraag, maar pay what you can. We don’t need your economic systems, stupid. 

En laten we voor onze toekomstige staat ook werk maken van een risico-shift. Geen taxshift. Een risico-shift. Zodat in moeilijke tijden niet alle lasten door kunstenaars worden gedragen. Vaste kosten van de organisatie liggen vast. Creatie- en speelkansen – en dus loon voor de kunstenaar – zijn variabel en bijgevolg het eerste wat sneuvelt. Dat is de situatie op dit moment. Als dat geen alarm doet afgaan, weet ik het niet meer.

Drie: DEFENSIE

Hoe ons verdedigen? Hoe onze toekomstige staat verdedigen in een tijd waarin geld het enige synoniem van waarde lijkt. In een tijd waarin ons bestaan, onze vrijheid onder druk staat.

Ik denk hier niet aan een leger, niet aan wapens, maar aan Derek Jarman, die op een kiezelvlakte naast een kerncentrale in Dungeness een tuin bouwde uit drijfhout, oud ijzer, gevonden stenen terwijl zijn lichaam hem in de steek liet. Geen vluchtplek, geen bunker. Een tuin, zichtbaar, op de giftigste grond die er was, gebouwd door een lichaam dat wist dat het niet veel tijd meer had. Een tuin, die hem vandaag overleeft en nieuwe generaties kunstenaars tijd geeft.

Never obey in advance, schrijft Timothy Snyder over totalitarisme. Niet op voorhand gehoorzamen. En hier betekent dat niet onderduiken, maar zichtbaar, met kapotte handen, doorgaan met bouwen op grond waarvan iedereen zegt dat er niets kan groeien.

Dus nee, we gaan niet minder maken. We gaan niet minder spelen. Laat ons niet op voorhand geloven dat er vandaag geen maatschappelijk draagvlak zou zijn voor cultuur. Niet toegeven aan wie zegt dat er geen “markt” is voor doorgedreven diversiteit. Niet toegeven dat er geen publiek zou zijn voor moeilijk werk of als scholen klagen over de te gewaagde inhoud van voorstellingen.

Never obey in advance, kunstenaars, beleid, programmatoren, al gelijk.

“Wie beslist wat een kunstenaar is? Het is een vraag over grenswachters. Met naam en toenaam soms, vaker anoniem: programmatoren die steeds minder ruimte hebben voor werk zonder break-even, mecenaat dat kiest naar smaak en prestige, medelijden dat zich vermomt als residentie zonder budget. In al die systemen hangt de kunstenaar af van wie aan de poort staat.”

En als de aanval de beste verdediging is, laat ons dan zacht aanvallen met waaromvragen en scherpe humor. Zacht maar beslist aanvallen met kijk, dit is wie wij zijn, dit is hoe je het zou kunnen zien, je mag gewoon meekijken, je moet het er niet mee eens zijn, gewoon kijken, door je vingers als het moet. 

Laat ons niet toegeven op eigenheid, maar ook zelf blijven kijken, spreken, zien. Laat ons het oneens zijn, discussiëren, debatteren, bevlogen ruzie maken en dan weer moppen tappen. 

Laten we ons wapenen met wat we maken en de koppigheid om te blijven doen wat we doen, no matter what.

Vier: GRENSBELEID

De term landschap vermijdt handig over grenzen te spreken. Of drempels. Alsof ze er niet zijn. Onze huidige staat heeft grenzen, helaas. Grenzen en procedures, incrowd en outlaws.

Dezelfde taal die mensen toelaat en verwelkomt, sluit mensen uit.

Ook bij ons.

Wie beslist wat een kunstenaar is? Moet iemand bewijzen dat die kunstenaar is? Organiseren we een cursus? Een inburgeringstraject? Een test? Wie kunst maakt is kunstenaar? Of niet?

Het is een vraag over grenswachters. Met naam en toenaam soms, vaker anoniem: programmatoren die steeds minder ruimte hebben voor werk zonder break-even, mecenaat dat kiest naar smaak en prestige, medelijden dat zich vermomt als residentie zonder budget. In al die systemen hangt de kunstenaar af van wie aan de poort staat. 

Ik weet wel, de mensen aan de poort staan ook zelf vaak in de tocht. Maar ik wil vanavond focussen op ons binnenlands beleid. Op de woorden die we zelf gebruiken.

Dezelfde argumenten om voorstellingen niet te tonen kan je gebruiken om ze wel te tonen. Dezelfde argumenten om geen subsidie te geven, kan je gebruiken om wel subsidie te geven. Ik pleit hier niet voor duidelijker taal of criteria, integendeel. Eerder om niet voortdurend te vragen naar een duidelijk plan of verkoopbaar profiel. En om te proberen om grilligheid, uitdijen, buigzaamheid, onduidelijkheid als een kwaliteit te zien. 

Misschien maken we zo onze staatsstructuur zachter, kneedbaar, waterdoorlatend, te doorboren met wortels en schimmels. Misschien maken we zo onze grenzen poreus. Niet door de muur op te blazen, maar door hem zo lang te laten begroeien tot niemand nog kan zeggen waar de ene tuin ophoudt en de andere begint. Een muur kan ook composteren. Steen wordt, over genoeg tijd, ook grond.

Vijf: WERKGELEGENHEID

Wijlen Jan Blommaert pleitte ooit voor een omkering van de betekenis van de woorden werknemer en werkgever. Moeten we degene die het werk levert niet als een werkgever zien? En degene die het werk in ontvangst neemt, afneemt, als werknemer? Een denkoefening die ook in onze sector prikkelt.

By the way, welke staatsvorm zal onze toekomstige staat hebben? Bedenken we een nieuwe vorm of blijven we binnen de lijnen die we kennen? Democratie? Oligarchie? Koninkrijk? Koninkrijkjes? Een verzameling stadstaatjes met of zonder ophaalbruggen? 

“Wijlen Jan Blommaert pleitte ooit voor een omkering van de betekenis van de woorden werknemer en werkgever. Moeten we degene die het werk levert niet als een werkgever zien? En degene die het werk in ontvangst neemt, afneemt, als werknemer? Een denkoefening die ook in onze sector prikkelt.”

De afgelopen maanden leek het wel een voetbalcompetitie, met al die transfers. Naast het feit dat de ene club van het hart soms wel heel snel werd ingeruild voor de andere – je vraagt je soms af hoeveel harten iemand kan hebben – is het het gebrek aan transparantie wat mij het meest raakt. Of eerder, wat mij verbaast, als een van diegenen die in elk gesprek, bij elke koffie, elke respons op een open call, in elk dossier open en bloot plannen beschrijft, quasi de ziel ervan blootlegt, de ambities en de twijfels, de goesting en de mogelijke obstakels, dat alles een voor een zo secuur en oprecht mogelijk omschrijft. De verbazing dus dat aan de andere kant mensen kunnen zitten waarvan je nooit meer weet of ze tijdens het gesprek dat je met hen hebt niet al lang bezig zijn aan een andere deal, geheim nog voor wie het eigenlijk het meest aanbelangt: die zo onontbeerlijke grondstof waarvan elke deal, hoe spannend en lucratief ook, afhankelijk is: de kunstenaar en diens project.

Ik wil hier dus pleiten voor meer openheid. Sommigen zullen dat naïef vinden. Laat dat nu net zo’n woordje zijn dat ik graag uit het verdomhoekje van de losers wil trekken. 

Ik had het nog over buitenlandbeleid willen hebben, want we zijn natuurlijk geen eiland, over ruimtelijke ordening, over dienstplicht. 

Wees gerust.

Ik ga niet, ik wil niet volledig zijn. Ik wil aanzetten en niet afmaken, een begin door woorden te openen, vastroestende termen verschuiven en naar de pissebedden kijken die eronder wegschieten. Waar schieten zij naartoe? Wat ligt er daar? Waar zijn de mogelijkheden?

Om te eindigen, een toekomstbeeld. Ik citeer daarvoor uit Corpus Britney van Dominique De Groen. Omdat ik het zelf niet beter kan zeggen.

Halmen vol vel,

zeg je

het tintelen van dieren in het natte gras en het vormeloze schitteren van kwallen. De roze schimmel op kantoren van concerns blijkt eetbaar. Werelden wriemelen in een hoekje van het contract, de woorden breken makkelijk, de duistere magie is precair en instabiel. Gestolen lapjes ruimte, gesprokkeld en aaneengeregen tot een dons voor mens en dier. Hoekjes geschaafd van de uren, die schilfers omgesmolten, en opnieuw en opnieuw geboetseerd, afhankelijk van de vorm die het moment vereist. Het gutsen komt nooit uit het midden maar net uit de naden, de rafels, de braakliggende wereld. In een peilloze oceaan van onbetaalde arbeid bewegen zich miljoenen onderstromen zo klein dat de apparatuur ze niet registreert; op een dag overschrijden ze een kritieke drempel, bundelen zich tot een vloed die dit alles doet kantelen. In de schokgolf vallen muren, hekken, torens. Het verlangen ligt eindeloos en onuitputtelijk voor ons. Er ligt niets achter de barsten in de glamour, het zijn de barsten zelf waaruit wij groeien, als dat groeien een zwellen en een spreiden in de breedte is, een strikken, ontglippen en verstrengelen. Rijke machtige mannen breken overal als glazen poppen in de wind. De toekomst glinsterend bemest. Daar, op de berooide grond, valt voor het eerst sinds jaren regen. Daar groeien de bloemen die zich steeds verder openplooien, zelfs wanneer je denkt dat het binnenste is bereikt. Daar gloeit, gloeit van binnenuit, straalt met dat vreemde licht, een lichaam dat steeds van zichzelf afdruipt en een nieuwe vorm onthult. Het is nooit af, nooit compleet. Het betekent niets. Het danst in het maanlicht, het stribbelt tegen, het bundelt de vuisten, het balsemt. Elke dag opnieuw werpt het het profiel omver, dat werd gemaakt om de ziel tot in de kleinste hoekjes te bedwelmen, en op zijn graf plant het tarwe en rozen. Het betekent niet, het werkt.


Lees hier ook de State van Frederico Araujo.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

statement
Leestijd 14 — 17 minuten

#182

15.04.2026

07.09.2026

Kristien De Proost

Kristien De Proost is actrice en theatermaker. Van 2004 tot 2017 maakte ze deel uit van de artistieke kern van het Brusselse theatercollectief Tristero. Binnen Tristero creëerde ze in 2013 haar eerste solovoorstelling: Toestand, een theatraal zelfportret op de loopband. In 2017 verliet ze Tristero om zich te concentreren op schrijven, solowerk en ontmoetingen met nieuwe kunstenaars. Ze werkte als performer mee aan verschillende voorstellingen van Julian Hetzel en was te zien in werk van o.a. Luk Perceval, Josse De Pauw en Milo Rau, en in tal van series en films. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!