‘La Cifra’ (Foyer / Oud Huis Stekelbees) Foto Jan Simoen

Erwin Jans

Leestijd 3 — 6 minuten

La Cifra

Stekelbees, Brussel

Over zijn voorstelling Tête vue de dos merkte Guy Cassiers op dat ze niet meer beoogde dan dat je na het zien van de voorstelling het aansteken van een lucifer als een klein vuurwerkje zou beschouwen. In zijn laatste voorstelling La Cifra zegt één van de jonge acteurs ongeveer hetzelfde. Het is een vers uit een gedicht van Borges. De uitspraak illustreert in alle eenvoud Cassiers’ poëtica van de verwondering. Het is niet toevallig dat Guy Cassiers, artistiek leider van Oud Huis Stekelbees, graag met kinderen en jongeren werkt, bij wie de verwondering, de intuïtie, het emotionele engagement zich nog niet al te erg stoort aan wat ‘men’ van hen verwacht.

La Cifra is een initiatief van de Foyer te Brussel, een onthaalcentrum voor migranten. Guy Cassiers regisseert in deze voorstelling een groep van twintig jongeren tussen tien en dertien jaar van verschillende nationaliteiten : Turken, Spanjaarden, Italianen, Marokkanen, Colombianen en Belgen. La Cifra is eveneens de titel van een gedichtenbundel van de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges. Zijn Nederlandse vertaler Robert Lemm schrijft hierover : “Cifra komt van dezelfde stam als het Nederlandse woord ‘cijfer’ en staat in het Spaans voor ‘teken’, Tetter’, karakter’, ‘symbool’, ‘nummer’, ‘code’. Cifra is iets versluierends, iets dat om ontraadseling vraagt. Cifra betekent ook een combinatie van karakters voor het ontcijferen waarvoor een sleutel nodig is. Het geheimschrift leek me in het Nederlands de mooiste, volste vertaling.”

De tekst van de voorstelling (afgedrukt in dit Etcetera-nummer) is een collage, een montage van fragmenten uit Borges’ gedichten en van teksten, verhaaltjes, uitspraken, anekdotes die van de kinderen zelf komen. Er is een wonderlijke samenhang tussen de teksten van de kinderen en de poëzie van Borges. Borges’ gedichten zijn vaak lange opsommingen, zonder enige logische samenhang, volgens eenzelfde syntactische structuur : “Ik droom de maan en droom mijn ogen die de maan waarnemen./ Ik heb de avond gedroomd en de legioenen die Carthago verwoesten./ Ik heb Vergilius gedroomd./ (…)” Het zijn opsommingen die getuigen van een verlangen om alles te zeggen zonder een bepaalde hiërarchie aan te brengen. Een manier van denken en zien die eveneens eigen is aan kinderen voor wie de de volwassen orde van belangrijk tegenover niet belangrijk, juist tegenover fout, eigen tegenover vreemd, … nog geen betekenis heeft. De opsommingen en nevenschikkingen zijn de twee belangrijkste stijlfiguren van Cassiers’ mise en scène.

Bij de aanvang vertelt ieder van de kinderen zijn verhaaltje in een lichtcirkel vooraan op de scène. Maar ieder verhaaltje moet ophouden als de muziek begint te spelen : geen volledige vertelseltjes, maar fragmenten, brokstukken van toekomstdromen, grappige voorvallen, het leven thuis, op school en de voorbereiding van de produktie. Een kleurrijk palet van frisheid, onschuld en enthousiasme. Dan gaat het doek op om de volgende vijf minuten nog enkele keren op en neer te gaan op aanwijzing van een van de jongens. Hier wordt theater gespeeld, maar paradoxalerwijze niet of nauwelijks gedaan alsof. Als er ‘gespeeld’ wordt dan zoals kinderen spelen op de speelplaats, op straat, thuis. Met een persoonlijke, geen opgelegde fictie. Als achtergrond verschijnt een groot beschilderd doek met een zuiders natuurlandschap. Dit is een generatie van immigrantenkinderen voor wie het land van oorsprong (voorlopig ?) alleen maar als verhaal, als plaatje bestaat. Hoeveel van zijn al in het land van hun ouders geweest ? Wellicht niemand zal er ooit wonen. De tekstmontage zit vol van verwijzingen naar zuiderse landen, naar iets dat bekend en tegelijk vreemd is : “Ik herinner me de woorden van mijn ouders die ik niet begreep. Wie mijn woorden hoort bedenkt ze. Wie mijn woorden niet verstaat moet ze maar verzinnen”, zegt één van de jongens en verder als een soort van variant hierop : “Wie zijn ouders niet verstaat, verstaat zichzelf niet. Wie mijn woorden niet verstaat, moet ze maar verzinnen.” Zoals in de gedichten van Borges is het de verbeelding, het spel die de bovenhand krijgen in deze voorstelling. En die verbeelding en dat spel krijgen precies gestalte in de overweldigende présence van de jongeren op de scène. Veel meer dan door de teksten wordt de voorstelling gedragen door de fysieke aanwezigheid van het twintigtal. Er wordt gedanst, gesprongen, gezongen. Ieder doet naar best vermogen. Het spektakel ‘ontaardt’. In de tweede helft nemen de kinderen over. Het wordt chaotisch en tegelijk wordt het een feest. Een feest voor het oor en vooral het oog : een werveling van prachtige exotische klederen kleuren. De regisseur verdwijnt hier volledig op de achtergrond. Blijft alleen zijn hommage aan de kinderen op de scène. Met hun lichaam schrijven de jongeren het geheim van hun jeugd op de scène, uitbundig, spontaan, vitaal, uniek.

Een initiatief van Foyer/Oud Huis Stekelbees;

regie : Guy Cassiers;

assistentie : Greet Vissers;

muziekadvies : Patrick De Grootte;

vormgeving en techniek : Guy Cassiers, Herman De Roover en Philippe Digneffe;

spel : kinderen van verschillende nationaliteiten.

Gezien in de Beursschouwburg te Brussel op 5 januari 1991

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

Erwin Jans

Erwin Jans is dramaturg bij het Toneelhuis (Antwerpen). Tevens publiceert hij over theater, literatuur en cultuur in onder andere De Morgen, De Tijd, Eutopia, Etcetera, DW B, rekto:verso, nY, De Reactor, De Leeswolf en Theatermaker.

recensie