‘Anatomie’, Compagnie De Brune / Michael Slobodian

Alexander Baervoets

Leestijd 5 — 8 minuten

Klassieke dans

Hedendaagse dans en klassieke dans worden vaak tegen elkaar uitgespeeld, zeker als het manna van de subsidies ter sprake komt. Voor Alexander Baervoets is zo’n opdeling onhoudbaar: klassieke dans, die naam waardig, is geen museale aangelegenheid, maar hedendaags in essentie.

De klassieke theorie

Algemeen wordt een onderscheid gemaakt tussen de klassieke dans en, laten we vereenvoudigen, de hedendaagse dans. Het is een beeld van polarisatie, in de praktijk zelfs van aparte werelden die elkaar minachten, het licht in de ogen niet gunnen. Natuurlijk is niets zo eenvoudig als het lijkt en ook deze opdeling in goed en kwaad, al naargelang de obediëntie, is na enig denkwerk onhoudbaar.

Wat is klassiek? Maken we abstractie van specifieke kunstvormen, dan worden meteen een paar zaken duidelijk. Klassiek is geen kwestie van stijl of vorm en klassiek is niet gebonden aan een tijdsperiode. De klassieke dans bestaat niet. Wat dan wel?

Klassiek is een ideologie. Het is een opvatting over wat kunst kan zijn, hoe het gedacht wordt. Het is een denksysteem met een visie op de wereld. Hoewel het klassieke model met de tijdgeest mee evolueert, blijft het zijn basisprincipes in essentie trouw. Klassieke kunst is van alle tijden – ieder tijdperk kent zijn klassieke kunst. In de praktijk wordt het klassieke denken gekenmerkt door een specifieke attitude en zijnswijze: klassieke kunst is normatief, formalistisch, historisch en idealistisch.

Klassiek is normatief waar het de kunst bindt aan regels die voorschrijven hoe goede (klassieke) kunst gemaakt wordt. Klassiek is formalistisch omdat het kunst beschouwt als meetbaar, mathematisch, vatbaar in termen van verhoudingen en beheerst door wetmatigheden. Het analyseert, schematiseert en systematiseert. De structuren van een klassiek werk zijn doordacht: wanneer iets asymmetrisch is, is het bewust en gewild asymmetrisch.

Klassiek is historisch omdat het voortbouwt op wat in het verleden gerealiseerd werd, omdat het de traditie respecteert en geen opzettelijke breuk bewerkstelligt. Klassiek is tegelijk tijdelijk en ontijdelijk: het is een eigentijds antwoord op artistieke vragen en het streeft een eeuwigheidswaarde na.

Klassiek is idealistisch, vooreerst in de zin dat er een ideaal bestaat waarvan het werk een voorstelling is, een ideaal dat de kunstenaar tracht te benaderen. Tegelijk is klassieke kunst idealistisch in de ethische zin: ze heeft een hogere roeping. Ze werkt verheffend, slaat de vleugels wijd open, onttrekt zich aan al te aardse beslommeringen. Omdat hogere doelen worden nagestreefd is de klassieke kunst ernstig en niet frivool. De klassieke kunst streeft het Schone en het Ware na. Ze wendt de blikken af van menselijk falen of gebrek. De – geïdealiseerde – mens beschouwt ze als de maat van alle dingen, maar tegelijk is teveel menselijkheid haar vreemd.

De klassieke praktijk

In het discours over klassieke dans worden doorgaans nogal wat zaken dooreengehaald. In plaats van klassiek te zien als een ideologie en een attitude, een kader waarbinnen gewerkt wordt, een vorm van gedisciplineerde denkwijze, enz., beschouwen de voorstanders van het ‘ballet’ het als verbonden aan een strikt en onveranderlijk idioom dat gevrijwaard moet blijven van al te voortvarende veranderingen, terwijl de tegenstanders van het ‘ballet’ het beschouwen als een dode kunst die artistiek niets van waarde bijbrengt aan het eigentijdse kunstbeleven.

Klassieke dans is in de eerste plaats levende kunst. Steeds opnieuw vinden choreografen een uitdaging in het toepassen van de klassieke regels op de eigentijdse kunst of, omgekeerd gesteld, in het actualiseren van het klassieke model.

Wat wij vandaag ballet noemen is in het verleden steeds begrepen als hedendaagse kunst. Giselle werd in 1841 beschouwd als een hedendaagse voorstelling en dit was meteen de reden waarom het gebruik van voorbijgestreefde scenografische technieken gecontesteerd werd. (Ironisch genoeg is wat toen als ouderwets ervaren werd deel blijven uitmaken van de standaard-uitvoeringstraditie van dit ballet). Het Zwanenmeer in de versie van Pepita en Ivanov uit 1895 weerspiegelt zonder twijfel de maatschappelijke verhoudingen in het pre-revolutionaire Rusland. Medio twintigste eeuw werd het werk van Balanchine beschouwd als zeer vooruitstrevend. Vaak wordt een werk pas klassiek in retrospectie, omdat dan de onduidelijkheid en de verwarring die werden veroorzaakt door het vernieuwende karakter van het werk zijn weggeëbd. Klassieke kunst is dus geenszins conservatief. Klassieke kunst is, zoals alle kunst die naam waardig, hedendaags in essentie.

Het zou interessant zijn te weten wanneer de term ‘klassiek’ voor het eerst is gebruikt in het kader van de dans. Waarschijnlijk pas in de twintigste eeuw, om de eenvoudige reden dat de volgens de academische beginselen gemaakte ‘kunstdans’ voorheen niet werd gecontesteerd. Van zo gauw de Fullers, Duncans en later de hele stroom modernen nieuwe denkbeelden over dans gingen verspreiden, werd de academische dans – die op dat moment in crisis verkeerde – gestigmatiseerd als burgerlijk en conservatief. Deze klap kwam in de academische middens pas met vertraging aan – en werd dan lang weggehoond – maar hij zindert nog na tot vandaag. Eens in het defensief gewrongen, wierpen zij zich voor alles op als de behoeders van wat zij de ‘klassieke’ traditie noemen.

(Het is veelbetekenend dat men het werk van George Balanchine, die vernieuwend werkte binnen de traditie, ‘neo-klassiek’ ging noemen. Meteen was er een term geboren die even onbruikbaar is als termen als ‘modern’, ‘postmodern’ en ‘post-postmodern’.)

Klassieke dans is inderdaad verankerd in de traditie en grijpt terug naar de wortels uit het verleden, maar het is een aberratie hem daarom te behandelen als een louter museale aangelegenheid. De klassieke dans mag niet als inert beschouwd worden. Klassieke kunst is een oefening die steeds opnieuw gemaakt wordt.

Hedendaagse klassiek

Slechts een klein deel van wat ooit in het verleden is gedanst, komt tot ons. Vele balletten die een overweldigend succes kenden bij hun creatie zijn volledig in de vergetelheid geraakt, en niet alleen omdat ze te tijdsgebonden waren. Het gros van de traditie – enkele tientallen stukken – heeft een soort eeuwigheidswaarde en is klassiek te noemen. Het zijn die stukken die overleven, omdat ze beantwoorden aan de wetmatigheden die inherent zijn aan klassieke kunst en dus kunnen overgeleverd worden.

Balletten worden niet alleen opnieuw gecreëerd, ze worden in de regel omzeggens opnieuw gechoreografeerd. Van het origineel blijft weinig meer dan een raamstructuur bewaard. Bij een ‘reconstructie’ gaat men in de eerste plaats uit van de muziek, zeer vaak van de kostuums (Het Zwanenmeer), zelfs van het decor (La Sylphide), maar doorgaans niet van de dans. Wat overblijft van de dans, is het rudiment, de essentie.

(De opvattingen over ‘reconstructie’ in het ballet zijn verbazend en veelzeggend en te interessant om er in het beperkte kader van deze tekst over uit te wijden.)

Een prachtig voorbeeld hiervan zijn de choreografieën van Mats Ek, leider van het Zweedse Cullbergballet. Op zijn repertoire staan klassiekers als Het Zwanenmeer – met mannen als zwanen – en Giselle – waar het meisje dat sterft van verdriet geen fee wordt maar een psychiatrische patiënte. (Mats Ek torst eveneens het epitheton ‘neo’, in zijn geval omdat hij de academische danstaal op een evenwichtige manier heeft verrijkt met wat deze eeuw aan nieuw dansmateriaal heeft voortgebracht.)

Om klassiek te zijn hoeft men zich echter geenszins te beperken tot het repertoire. Een choreograaf kan zich volkomen bekennen tot de klassieke denkwereld en geen enkel bestaand werk overnemen of herwerken. Eigenlijk zijn zij de ware herauten van het klassieke, omdat ze het klassieke denken actualiseren, omdat ze aantonen dat het klassieke antwoorden heeft op nieuwe uitdagingen en omdat ze hierdoor telkens opnieuw de waarde van het klassieke model bewijzen. Het is uit deze hoek dat de frisse wind waait die het klassieke in leven houdt. Zonder deze hedendaagse klassieke strekking stierf het klassieke model een gewisse dood, want het louter recreëren en de zuiver museale opstelling alleen kunnen de klassieke dans niet in stand houden.

Choreografen als William Forsythe, Jan Fabre en – meer en meer in haar laatste werken – Anne Teresa De Keersmaeker kunnen beschouwd worden als behorende tot de hedendaagse klassieke strekking. In hun werk getuigen zij van een klassieke visie: het verwijst naar de traditie (het historische karakter), het voldoet aan bepaalde afspraken (het normatieve karakter), het heeft een vormelijke logica (het formele karakter) en het streeft een ideaalbeeld na (het idealistische karakter). Bovendien is hun oeuvre actueel en vernieuwend.

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

Alexander Baervoets

artikel