‘Les Noms’ © Simon Gosselin

Christophe Van Gerrewey

Leestijd 4 — 7 minuten

Joueurs / Mao II / Les Noms – Julien Gosselin & Si vous pouviez lécher mon coeur

De gevangenis van de taal

Julien Gosselin heeft met zijn gezelschap een bewerking gemaakt van drie romans van de Don DeLillo: Players (1977), The Names (1982) en Mao II (1991) – drie afzonderlijke boeken die door Gosselin tot een trilogie zijn samengevoegd. Inhoudelijk worden de romans nagevolgd: personages, woorden, gebeurtenissen en locaties blijven identiek. Poëticaal zijn er echter grote verschillen.

Zoals Marjorie Bertin schreef in Etcetera 155, werkt de Franse regisseur in de traditie van het postmoderne totaaltheater van Jan Lauwers, Guy Cassiers en Ivo Van Hove. Dat betekent: grote groepen acteurs, luide muziek, lange opvoeringen (de DeLillo-trilogie duurde van half twee ’s middags tot half elf ’s avonds), veel film, beweeglijke maar altijd stijlvolle en minimalistische scenografie, geprojecteerde teksten (ondertitels of blockbuster-achtige aankondigingen) – en vooral: theater dat de eigen codes en regels geregeld doorbreekt. Dat geldt ook voor Joueurs / Mao II / Les Noms: het scènebeeld, mutatis mutandis, lijkt op de stage set van pakweg Massive Attack: dreiging, rook, langwerpige led-screens, en vooral duisternis die door precieze belichting wordt doorbroken. Tegelijkertijd thematiseert Gosselin – bij momenten werktuiglijk en nadrukkelijk – het theatrale karakter van wat getoond wordt. Acteurs spreken met het gezicht naar de zaal; sommige scènes spelen zich af tussen vier muren en zijn zichtbaar omdat ze live gefilmd worden; bij momenten lopen er meer cameramannen dan acteurs op het podium; nog voor een scène is afgelopen komen andere acteurs meubels verplaatsen of nepbloed opvegen; en één keer valt alle technologie weg en wordt er toch weer ‘puur’ gespeeld, zonder versterkte stemmen. Het zijn klassiek geworden strategieën, en het is een beetje verwonderlijk (en tegelijkertijd niet onaangenaam) dat een regisseur als Gosselin, geboren in 1987, deze speelse, ironische, reflexieve, formele en uiteindelijk spectaculaire aanpak niet bij de vorige generatie heeft achtergelaten.

Dat Gosselin voor het werk van DeLillo heeft gekozen is evenmin evident: DeLillo is – op vormelijk vlak – de minst postmoderne van alle postmoderne Amerikaanse auteurs, en dat is zichtbaar in wat hij niet heeft gedaan: geen spelletjes met zijn biografie of met zijn macht of onmacht als auteur, geen zinnen zonder punten of woorden die worden doorstreept, geen personages die zeggen dat het tijd is om naar het vorige of het volgende hoofdstuk door te spoelen, en geen mensen met schizofrenie of een andere aandoening die hen onbetrouwbaar maakt. DeLillo houdt zich ver weg van het soort tricks dat Gosselin in het theater hanteert – hij is een lyrische modernist, en wat zijn werk uniek maakt is dat hij toch postmoderne thema’s heeft behandeld. Dat Gosselin zijn machinerie op DeLillo loslaat zonder dat hun aanpak strookt, hoeft geen probleem te zijn, maar het leidt tot een andere ervaring, en tot andere betekenis.

Het centrale probleem is dat van de taal, zeker in The Names uit 1982 – niet toevallig het slotstuk van Gosselin’s trilogie. Players, het eerste deel, gaat over een koppel in de jaren zeventig met een al te comfortabel leven als kantoorbedienden. De man komt in aanraking met een terroristische groepering, de vrouw breekt binnen in de liefdesrelatie van een bevriend homokoppel. In Mao II staat een schrijver centraal die eveneens door terrorisme wordt aangetrokken, vooral omdat hij ervan overtuigd is dat een bomaanslag meer culturele impact heeft dan een roman. The Names speelt zich af in Athene, tussen expats in de bankensector. In hun omgeving worden mensen vermoord door een terroristische sekte. De slachtoffers zijn uitgekozen omdat hun initialen samenvallen met de eerste letters van de namen van de plekken waar ze verblijven – geweld op zuiver talige basis dus, als om aan te tonen dat taal een noodzakelijk systeem is dat betekenis creëert, maar dat ook absurd blijft: waarom is bijvoorbeeld het woord koe ‘verbonden’ met een koe en niet met een hond? Dat besef – we zitten vast in the prison-house of language, om naar een boek van Fredric Jameson uit 1972 te verwijzen – heeft DeLillo uitgewerkt, bevraagd maar ook gecelebreerd, in alles wat hij heeft geschreven. Terrorisme is een thema in zijn oeuvre, maar het belang ervan is relatief. Terrorisme is fascinerend vooral omdat het doet waartoe taal nooit in staat zal zijn: het is puur, lichamelijk, definitief geweld. De personages van DeLillo, net zoals de meeste naoorlogse mensen in het rijke Westen, zijn tot taal veroordeeld – tot woorden die geen overduidelijk gevolg kennen, die geen bommen doen ontploffen, die gebabbel blijven – en wees maar zeker dat er in de boeken van DeLillo heel wat wordt gebabbeld.

In de versie van Gosselin wordt dat gepraat bijwijlen erg theatraal aangezet, en daardoor ook wat langdradig. De acteurs van Si vous pouviez lécher mon coeur schreeuwen en doen aan overacting, vooral in de eerste twee delen, alsof ze niet vertrouwen in de kracht van hun woorden. Het is wat deze bewerking kenmerkt: niet alleen wordt een literaire tekst omgezet naar aan een andere taal, maar tegelijkertijd wordt van die theatertaal voortdurend de klassieke grenzen opgezocht: het stuk duurt lang, soms lijkt het meer op film dan op theater, en de vierde wand wordt voortdurend doorbroken. De roman van DeLillo eindigt met een paar bladzijden, vol grappige taalfouten, uit een boek dat het kind van een de hoofdpersonages aan het schrijven is – het is de meest verregaande ontregeling van de taal die DeLillo zichzelf kan toestaan. De versie van Gosselin eindigt met een typisch postdramatisch half uurtje. Het lijkt wel een stukje uit een dyonisische orgie van Fabre: schreeuwen, kronkelen, nat gesproeid worden en uiteindelijk spiernaakt op het podium staan, als in een poging om aan elke taal te ontsnappen. Die poging is uiteindelijk tevergeefs: taal is – bijvoorbeeld in de vorm van theater of van literatuur – wat mensen tot mensen maakt.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Christophe Van Gerrewey

Christoph Van Gerrewey is schrijver van essays, verhalen, romans. Hij is tevens onderzoeker, docent, en criticus in het domein van Architectuur en Stedenbouw.

recensie