Bowling Buffalo – Daan Borloo/Compagnie Cecilia
Geluk onder (de)constructie
Jonas Istace
© Greetje Van Buggenhout
Ik kan niet tijdreizen. Ik kan niet teruggaan naar 2006. Of misschien wel, want Tine Van Aerschot herneemt haar eerste voorstelling. I have no thoughts and this is one of them werd vijftien jaar geleden vertolkt door Claire Marshall, en de vertaling naar het Nederlands wordt nu met verve door Sara De Roo gebracht. Een geslaagde herneming, of niet?
Ik maak me geen illusies en dit is er een van: het is de titel én de eerste zin van de Nederlandstalige voorstelling. Sara De Roo spreekt de woorden uit op een kale scène. Het podium lijkt althans leeg, op een glas water, een minuscuul wit zitblok en een tekstboekje na, onopvallend aan de zijkant. Maar bij nader inzien hangen er twee kleine metalen houders aan de bakstenen achterwand van de zaal in Monty: deze voorstelling vol subtiliteiten dwingt tot nauwkeurig kijken en luisteren, tot herdenken wat je dacht te denken, tot denken wat je niet dacht te denken.
‘Ik zal nooit vriendschap sluiten met een pinguïn.
Ik zal nooit gebeten worden door een slang.
Ik zal niet getroffen worden door de bliksem.
Ik zal nooit het licht van God zien.
Ik zal niet gekoppeld worden door een koppelaarster.
Ik moet niet geruild worden voor vee.’
Terwijl ze praat, houdt De Roo een kleine stok vast als een waterpas, en daarna, hoger en hoger, als de meetlat van een norm, of van een verwachting. Slechts af en toe zal ze het stokje neerleggen op de plankenvloer, of op de houder aan de bakstenen muur laten rusten. Meestal heeft ze de stok vast. Ze laadt die op met betekenis, net zoals ze dat doet met de tekst – even dwingend en subtiel als het eenvoudige stokje. En misschien is de stok ook een hulpmiddel, om haar door de eindeloos lijkende, dwingende opsomming te loodsen:
‘Ik zal niet gecensureerd worden.
Ik moet niet vluchten voor geweld.
Ik moet niet vluchten voor overstromingen.
Ik zal niet sterven voor mijn 45ste.’
Een uur lang laveert de monoloog – kenmerkend voor Van Aerschot – tussen kleine en grote observaties, tussen (ogenschijnlijk) banaal en politiek, filosofisch. Steeds in de ontkennende vorm. Uit die reeks ontkenningen doemen de contouren op van een personage: een vrouw die niet meer piepjong is, iemand die niet kan, niet wil, niet zal, niet heeft. Ze belichaamt wat de romantische dichter Keats de ‘Negative Capability’1 noemde: een poëtische ontvankelijkheid voor twijfels, contradicties en complexiteit in tegenstelling tot het rationele geloof in vaststaande zekerheden.
“Het is mooi om te merken hoe de rigiditeit van het format gecompenseerd wordt door de vrijheid die het biedt en de zeggenschap die het aan de speler geeft.”
Door het consequente gebruik van de ontkenning, transformeert Van Aerschot de theaterzaal tot een negatieve ruimte. Die ruimte kan je als een spiegel interpreteren voor de wereld waarin we leven, een plek voor reflectie: wat staat er tegenover de ontkenning, waarvoor maakt die plaats? In een essay in Etcetera 141 onderzoekt kunstcritica Jana Tupivic wat ‘Het theater als negatieve ruimte’ kan betekenen. Ze verwijst naar een interview met filosoof Byung-Chul Han, waarin hij het kritische potentieel van negativiteit verkiest boven ‘de terreur van het positieve’: ‘Negativity slows down and prevents a chain reaction of sameness.’ Tupivic ziet de negatieve ruimte als een plek voor reflectie en transformatie die onze – vastgeroeste – gedachten openwrikt en zo nieuwe perspectieven opent. En dat is exact wat de ontkenningen in deze voorstelling teweegbrengen.
De niet aflatende stroom aan ‘negatieve’ opsommingen door het (witte) vrouwelijke personage creëren een ruimte voor zelfreflectie- en kritiek. Zo staat de tekst letterlijk stil bij de eigen privileges, zoals daar zijn: ‘Ik zal niet mishandeld worden vanwege mijn ras, ik zal geen difterie krijgen van smerig drinkwater, ik zal niet gecensureerd worden.’ De tekst heeft een duidelijk feministische inslag, met aandacht voor de uiteenlopende maatschappelijke en culturele verwachtingen die op vrouwen worden geprojecteerd. Vanzelfsprekendheden worden in vraag gesteld. Het is interessant om te zien hoe bepaalde zaken sinds 2006 veranderd zijn, en de tekst vlot transformeert in de huidige context. Sinds de zomer van 2021 klinkt het zinnetje ‘Ik moet niet vluchten voor overstromingen’ bijvoorbeeld veel minder als een ver-van-mijn-bed-show. Of, door De Roo met veel pathos uitgesproken: ‘Ik zal niet bang zijn van virussen’. Veelbetekenende stilte, gelach in de zaal.
Ondanks de strakke format laat de tekst veel ruimte voor interpretatie. Soms valt De Roo samen met de tekst, soms spreekt ze de woorden met een bedenkelijk gezicht uit, neemt ze er een afstand van en benadrukt ze het kritische potentieel van de woorden. In tegenstelling tot het meer ingetogen spel van de oorspronkelijke Engelstalige versie (zo blijkt uit een online fragment dat ik zag), werpt De Roo af en toe een stevige dosis theatraliteit in de strijd: kolderiek werpt ze zich op de grond, met grote armgebaren brengt ze een pointe, of met een dikke vette ironische ondertoon spreekt ze een zin uit. De sterke, gelaagde tekst heeft dat op zich niet nodig, maar het is een genot om het spelplezier van De Roo te zien. Soms gaat dat haast lijken – beroepsmisvorming? – op een masterclass acteren, maar tegelijkertijd noopt de monoloog tot nederigheid: de speler moet de tekst blijven volgen. Ze mag niet, wil niet, kan niet, etc.
Het is mooi om te merken hoe de rigiditeit van het format gecompenseerd wordt door de vrijheid die het biedt en de zeggenschap die het aan de speler geeft. Van Aerschot laat in haar regie bovendien de ruimte aan De Roo om haar eigen speelstijl in te zetten. Ze ziet er allerminst uit als een kloon van Claire Marshall. Ook vormelijk kan De Roo eigen keuzes maken. Het gebruik van de stok is naar mijn smaak iets te theatraal, maar die theatraliteit balanceert ze mooi uit met een kwetsbaarheid op de momenten waarop duidelijk wordt dat het stokje haar een houvast biedt. Bijna zoals een muzikant ritme houdt door met een vinger te knippen of met een voet mee te tikken, houdt het stokje haar bij de veeleisende monoloog. Een gelijkaardig effect sorteert de vloeiende, zwarte jurk die ze draagt. Die transformeert van theatraal naar kwetsbaar, wanneer ze de jurk over haar hoofd trekt, en maar half terug aantrekt, waardoor een stuk van haar schouder ontbloot wordt, en aan de andere kant een stuk van haar beha zichtbaar wordt. Zo maakt ze expliciet wat impliciet aanwezig is: deze tekst legt ook iets bloot over haarzelf. Geen noodzakelijk gebaar, maar het zet het acteertalent van De Roo opnieuw in de verf: al ben ik het niet helemaal eens met haar keuze, toch ontroert ze me.
Wat ik schrijf is niet juist. Het is ook niet fout. Het is een interpretatie van een herinterpretatie van een theatertekst, die doorheen de tijd van betekenis verandert. Prachtig om te zien hoe een theatermaker enerzijds haar tekst als repertoire naar voren schuift, en anderzijds zoveel ruimte laat voor transformatie en voor de verbeeldingskracht van speler en publiek. Ik maak me geen illusies en dit is er een van levert daarmee een interessante, vrouwelijke (en dat laatste zet ik niet tussen haakjes) bijdrage aan het denken over de rol van hedendaags repertoire. Ik kan niet met zekerheid zeggen of ik binnen vijftien jaar opnieuw in de zaal zal zitten bij de volgende herneming van dit stuk, maar ik hoop van wel. Benieuwd wat deze gelaagde tekst ons in 2038 kan vertellen.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.