‘Gregoria’ © Kurt Van Der Elst

Christophe Van Gerrewey

Leestijd 13 — 16 minuten

Het verwelken van de romantiek

Gregoria van KVS, Ro Theater en Bart Meuleman

Pas negen jaar na zijn overlijden verscheen van Maurice Gilliams de nooit helemaal voltooide roman Gregoria of een huwelijk op Elseneur. Meer dan veertigjaar lang had de grote Antwerpse schrijver aan dit boek over een ongelukkig huwelijk gewerkt. Bart Meuleman bewerkte het voor een productie van de KVS en het Ro Theater en legde er – zo betoogt Christophe Van Gerrewey – de onderhuidse mechanismen van bloot.

Te voir, c’est comme si je voyais une autre vie… – Paul Valéry

1

Na een lange voorbereiding is het een man gelukt te trouwen. In het interbellum treedt hij in het huwelijk met een meisje uit een voorstad van Antwerpen. De avond na de ceremonie zal het koppel zijn eerste huwelijksnacht doorbrengen in een hotel op de Keyserlei. Die nacht breekt aan, maar het huwelijk wordt niet geconsumeerd. Om onduidelijke redenen weigert de bruid zich te laten aanraken door de bruidegom. Wanneer het paar ’s ochtends met de trein naar de Ardennen vertrekt, en zich daar in een hotel installeert, wordt de kloof tussen hen niet gedicht. Na een nieuwe toenaderingspoging voor het slapengaan, spuwt de vrouw haar echtgenoot in het gezicht. Het blijkt dat zij toestemming heeft van haar biechtvader om in volledige onthouding met hem samen te leven. Dat neemt niet weg dat het haar is toegestaan zichzelf te bevredigen, en ze raadt haar man aan zich deze tijdelijke verlossing evenmin te ontzeggen. Wanneer haar partner niet tevreden blijkt met deze minnelijke schikking, worden haar moeder en zus erbij gehaald om de situatie recht te trekken. Wanneer ook dat niet helpt verhuist het gezelschap van de Ardennen naar de Belgische kust, waar de drie vrouwen zich terugtrekken op een kamer, en de man alleen achterblijft.

Iets dergelijks is de Antwerpse schrijver Maurice Gilliams (1900-1982) overkomen. Een leven lang heeft hij deze ervaringen proberen beschrijven in de roman Gregoria of een huwelijk op Elseneur, die pas negen jaar na zijn overlijden werd gepubliceerd. Gilliams maakte geen geheim van de autobiografische inslag van dit boek, noch van zijn werk in het algemeen. Tk ben,’ schreef hij in zijn dankwoord bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren in 1980, ‘een schrijver van clair-obscure zelfportretten.’ Na zijn dood heeft Gilliams-kenner Martien de Jong door studie van de nalatenschap ontdekt dat het romaneske proza van Gilliams zich in vijf etappes had moeten ontwikkelen, parallel aan de levensfasen van de auteur. Zo beschreef Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936), de bekendste roman van Gilliams, zijn kindertijd. Vier andere delen hadden de adolescentie op het internaat, het mislukte huwelijk, het leven in Antwerpen en de bloemrijke geschiedenis van de familie van Gilliams moeten weergeven. Dat Gregoria, hoewel min of meer afgewerkt, niet bij leven kon verschijnen, kwam volgens de auteur omdat nog te veel ‘personages’ in leven waren en het relaas ook door zijn verwanten als ontluisterend zou worden ervaren.

De ware reden voor het achterhouden van Gregoria was echter het leugenachtige karakter ervan. Gilliams heeft het boek niet aan de buitenwereld prijsgegeven zolang ooggetuigen de overeenkomst tussen de verteller en hemzelf zouden kunnen aanvechten. Dat blijkt uit het onderzoek dat is verricht door Annette Portegies, die aan een biografie van Gilliams werkt. ‘Op 27 augustus 1935,’ schrijft ze in een aan de auteur gewijd nummer van De Parelduiker, ‘trouwde Maurice Gilliams, in afwezigheid van zijn zieke moeder, die slechts het diner bij-woonde, met Gabriëlle Baelemans, de zesentwintigjarige dochter van een rijke bierbrouwer uit Schilde.’ Het echec van het huwelijk van Gilliams is, zo blijkt verder, niet exclusief terug te voeren op de perverse preutsheid van de bruid enerzijds, en op de bemoeienissen van haar moeder anderzijds. Minstens een even grote rol speelden de eenzelvigheid van de bruidegom, zijn bekommernis om maatschappelijke status, zijn neurotische omgang met het schrijverschap en zijn verknochtheid aan zijn moeder en aan het ouderlijk huis.

Gilliams was een onbetrouwbare historicus van het eigen leven, maar het is slechts omdat hij van Elias, de ik-figuur uit Gregoria, een onbetrouwbare verteller heeft gemaakt, dat de roman ook nu nog lezenswaard blijft. Er bestaat geen wereld buiten deze tekst omdat de banden met de echte gebeurtenissen zijn doorgeknipt, maar vooral omdat Gregoria drijft op een volstrekt autonoom standpunt. Het gaat hier om de problemen en de vragen van één individu, voor wie elk moment in het teken staat van een grote existentiële strijd – het in de ondertitel vermelde Elseneur is het kasteel waarin Hamlet zijn leven in vraag stelde en de moderniteit in het leven riep. In het boek worden geen antwoorden gegeven op vragen uit de werkelijkheid, maar het creëert een mysterieuze geslotenheid, een vervreemdend en vaak geperverteerd universum waarin de lezer naar verbanden, oorzaken, overeenkomsten, verbeeldingen, verwijzingen en verlangens kan blijven zoeken.

Die zoektocht valt samen met de zoektocht van Elias, die zich zo intens mogelijk met Gregoria wil verenigen, maar die ook op zoek is naar wat waar is en wat niet. Gregoria is het verslag van het gevecht met de eigen verlangens, maar vooral van de manier waarop die verlangens botsen met een onbegrijpelijke en angstaanjagende wereld van mensen en voorwerpen. ‘Is ooit iemand, een hij of een zij, er bij voorbaat aan het weten van gekomen waarom en, uniek, op welke wijze hij of zij bemind had willen wezen?’ vraagt Elias zich af. Tegelijkertijd kan hij niet anders dan die vraag alleen op zichzelf toepassen – en nooit op een ander. Tk wil met mathematische juistheid beseffen wat er in me omgaat, waar ik aan toe ben, wat anderen voornemens zijn van mij te maken,’ zegt hij. Maar ook: ‘Onverpoosd heb ik gepoogd het zout en de dauw van mijn persoon te ontleden. Het is overal met mij op een misverstand uitgedraaid, zodra ik me voor de nabuurschap genietbaar hoopte te maken.’

Die trage introspectie maakt van Gregoria een monolithisch en immens langdradig boek – ten goede en ten kwade. Gilliams is geregeld met Proust vergeleken, maar bij Proust gebeurt veel meer. Proust heeft in zekere zin meer te vertellen en hij heeft dat op een meer expliciete manier. Het beeldend en allegorisch vermogen van Gilliams is daarnaast (bijvoorbeeld door Stefan Hertmans in zijn essaybundel Het putje van Milete) met dat van Nabokov vergeleken, maar diens spiegelpaleizen zijn complexer, speelser en cultureler. De Elias van Gilliams heeft nooit iets gedacht dat niet in het teken van hemzelf stond; alles refereert aan de psyche van de verteller, en het is voor hem alsof alles en iedereen in dik helder water is ondergedompeld, en elke beweging traag duurt en voortduurt. Contact of gesprek is in een dergelijk klimaat niet mogelijk – nergens in de bijna vierhonderd dikbedrukte bladzijden van Gregoria komt er een flard dialoog voor. Alles is beschrijving, bespiegeling, interpretatie, verbeelding, herinnering en associatie. Nergens wordt de schedel van Elias verlaten. Deze roman heeft Bart Meuleman in samenwerking met leden van de KVS en het Ro Theater bewerkt en geregisseerd tot een theaterstuk.

2

De openingszin van het stuk is dezelfde als die van het boek: ‘Morgen trouw ik met Gregoria.’ Deze mededeling wordt uitgesproken door de zware en trage stem van Herman Gilis. Gedurende de voorstelling zal deze voice-over fragmenten uit Gregoria voorlezen, terwijl de gebeurtenissen op scène hier min of meer bij aansluiten. In dat ‘min of meer’, en dus in het verschil tussen wat Elias vertelt en wat er op het toneel gebeurt, bestaat de theatrale ingreep van Meuleman en ligt ook de waarde van het toneelstuk. Het narratief is met andere woorden niet (of niet helemaal) getheatraliseerd – het mag blijven bestaan als voorgelezen narratief, als in een hoorspel. Het theaterbeeid levert beelden bij de gedachten, de herinneringen en de interpretaties van Elias, die worden vervormd als in een klankkast. Wat uit de plechtstatige tekst van Gilliams en de gedragen frasering van Gilis resoneert, kaatst blikkerend terug tegen de theaterwanden en wordt een schampere echo die de acteurs elkaar toesnauwen. Meuleman leest Gilliams met een eigen blik: hij bekritiseert en onttovert fragmenten uit de roman door ze te laten contrasteren met wat het toneelstuk toont. De onbetrouwbaarheid van Elias wordt niet alleen verscherpt – er wordt ook gesuggereerd waarom Elias ons en zichzelf een eigen interpretatie van de feiten geeft. Zijn verstilde en onbeweeglijke droomwereld wordt wakker geschud door het gestommel en het gekrijs op het theater, alsof het ’s nachts spookt op zolder.

De scène (een ontwerp van Marc van De-nesse) wordt afgebakend door twee blinde muren die schuin naar het midden toelopen en een opening vrijlaten die als een diafragma groter en kleiner wordt, personages loslaat of opslokt. Het perspectief is symmetrisch maar nooit harmonisch: de kamer zit gewrongen in de ruimte, alsof er ofwel te weinig ofwel teveel plaats is. Schaduwen worden door de muurvlakken gevangen en monsterlijk vervormd. Het openingsbeeld onderschrijft dat gevoel: ongemakkelijk zit Elias alleen op een stoel, wachtend tot Gregoria verschijnt. Zolang hij alleen is, kringelt er kamermuziek op. De enige personen die hem te woord willen staan zijn haar moeder en haar zus – en zelfs dan laten ze hem eigenlijk links liggen. Gedurig weerklinken onheilspellende geluiden (naar een ontwerp van Senjan Jansen) die slechts deels afkomstig zijn van de voorbij denderende tram waarnaar de verteller verwijst, en die helemaal niets huiselijks hebben. De setting doet denken aan het gedicht ‘Winter te Schilde’ dat Gilliams in 1936 schreef- Schilde was de voorstad waar zijn verloofde woonde: ‘Maar wiegelieden hoort men nergens ruisen/ geen winteravonden brengen vrede./ De natte honden bassen aan hun keten;/ de bruine ratten dringen in de huizen.’

Ook met de acteurs is er iets aan de hand: los van de manier waarop ze hun rol vertolken, spreken ze tegen wat Elias over hen vertelt. Zo wordt het jonge koppel vertolkt door oudere acteurs Goeie Derick (°1962) en Herman Gilis (°i95i), wat hun (vooronderstelde) maagdelijkheid zowel verwelkt als vervreemdend maakt. De moeder van Gregoria wordt door Mark Verstraete gespeeld als een gedrongen, bonkige travestie van het op zich al niet flatteuze beeld van de bemoeizieke schoonmoeder. Op haar hoofd draagt zij een hoed met een dode vogel – een beeld dat geregeld bij Gilliams voorkomt en dat hier satirisch maar beangstigend haar praalzucht beklemtoont. Tot slot is er Vincentia, de zus van Gregoria, vertolkt door Iris Van Cauwenbergh en het enige – naar hedendaagse normen – aantrekkelijke of jonge personage op de planken. Ook haar eigenschappen worden uitvergroot ten opzichte van wat Gilliams in de roman te kennen geeft. Vincentia is in de tekst het minst geborneerd: het is niet onrealistisch om te suggereren dat Elias zich tot haar zou richten om zijn liefdesgeluk te realiseren. Van Cauwenbergh speelt Vincentia echter als een welhaast slettige puber die voortdurend op kauwgom knabbelt (op die manier een soppend element toevoegend aan de soundscape) en zich er niet voor geneert om in het bijzijn van Elias van slipje te wisselen.

In elk geval worden de drie vrouwen verbeeld als een angstaanjagend en krankzinnig trio, dat afstotelijke en aantrekkelijke eigenschappen met elkaar uitwisselt als in een spelletje kwartet. De onterecht vergeten schrijver Georges Adé heeft in een beschouwing over Gregoria, gepubliceerd in Septentrion, gewezen op de drie vrouwelijke hoofdrollen die Freud in het leven van een man onderscheidde: de moeder, de vrouw en de zus. Die triade komt geperverteerd terug in het leven van Elias. Zijn moeder is stokoud, doodziek en afwezig, ze verschijnt op scène slechts als een foto in een medaillon dat tijdens de huwelijksplechtigheid aan het plafond naast dat van zijn vader hangt. De moeder van Gregoria is op een mannelijke manier dominant, maar ze is zeker even aanwezig als de moeder van Elias dat tijdens zijn kinderjaren was; de zus van Gregoria is aantrekkelijk maar onbereikbaar, net als de zinnelijkheid waartoe ze quasi automatisch toegang lijkt te hebben; terwijl Gregoria zelf even onaanraakbaar is als de door de ban op incest beschermde zus die Elias nooit heeft gehad. Die pervertering is in de roman slechts leesbaar door gedegen interpretatieve arbeid en komt – dit is subtiele, omstandige, impliciete en onbetrouwbare literatuur – nooit aan de oppervlakte; de theatralisering van Gregoria lijkt zich echter de explicitering van die mechanismen tot doel te hebben gesteld.

Dat blijkt vooral naarmate het verhaal zich ontwikkelt – en de pogingen van Elias om de bijslaap in gang te zetten wanhopiger worden. Tijdens de eerste nacht op Antwerpse bodem klapt het tweepersoonsbed uit de linkerwand naar beneden – het valt met een dreun op de vloer, herinnerend aan het foltertuig dat Meu-leman op een gelijkaardige manier akoestisch en visueel aanwezig stelde in zijn Kafka-be-werking vorig jaar. Tijdens de bedscènes wordt de kloof tussen het verhaaltje van Elias en het gewriemel op het theater verder uitgediept om humoristische, maar daarom niet minder ontnuchterende redenen. We horen Elias vertellen over zijn tedere maar krachtdadige pogingen om Gregoria met zijn aanrakingen te ontdooien – terwijl wat hij op het podium presteert samenvalt met een verkrampt en bij voorbaat verongelijkt toekijken van op afstand, in de hoop dat de mythische en mystieke eenwording met zijn vrouw zich vanzelf zal voltrekken.

Nadat het koppel geïnstalleerd is in de Ardennen, blijkt tot de niet geringe verbazing van Elias hoe Gregoria zich uit gewoonte bevredigt in het echtelijk bed. Al gauw neemt ze zo vaak haar toevlucht tot deze ontspanning, dat het lijkt alsof ze met niets anders meer bezig is. Waar de Elias uit de roman deze problematiek omfloerst benadert en er allerlei oorzaken voor zoekt, wordt de masturbatoire activiteit op het podium een pornografische aangelegenheid, die niet wordt verklaard ofbesproken, maar zich op een machinale manier voltrekt.

Wanneer de moeder en de zus van Gregoria aankomen, wordt Elias door zijn schoonmoeder aangemaand tot voorzichtigheid en geduld ten opzichte van zijn vrouw. Er wordt gesuggereerd dat het echec deels aan hemzelf is te wijten, en hoewel hij die mogelijkheid niet afschrijft, kan hij zich niet voorstellen waarin zijn verantwoordelijkheid ligt. Rond de overpeinzingen van Elias hangt steeds een waas van zelfmedelijden, vooral in confrontatie met vrouwelijke personages. Zo vindt hij dat hij ook door de uitbaatster van het hotel – een tweede travestierol, ditmaal van Ivo Kuyl – als een m i nder waardig aanhangsel wordt behandeld. Eigenlijk is er in de gedachtewereld van Elias niemand die hem recht aandoet of naar waarde schat – behalve wanneer hij terugdenkt aan de omgang met zijn moeder in zijn kinderjaren.

Wanneer vervolgens blijkt dat geen van de drie vrouwen het nog fijn vindt in de Ardennen, rijden ze met de auto naar zee – een ritje dat grappig en hobbelend wordt uitgebeeld terwijl de vier hoofdpersonages samen op het bed zitten, en de schoonmoeder hoorbaar worstelt met haar digestie. Aan de kust verdwijnt Gregoria naar de achtergrond – het is niet langer haar relatie met Elias die op het spel staat, maar die van Elias met haar moeder en haar zus. Met Vincentia maakt Elias een wandelingetje om pepermunt te kopen. In een volkscafé komt het onverwacht tot een toenadering – een contact waarvan de ware toedracht onachterhaalbaar blijft. Volgens Elias zoekt zij troost omdat een van haar vele relaties slecht is afgelopen. In zijn beschrijving laat hij uitschijnen dat hij haar een afsluitende kus op het voorhoofd geeft. In een terugblik herinnert hij zich echter dat zij hem kuste in zijn hals. En wat we op het podium zien, is dat Vincentia op tafel kruipt, haar rok opschort, haar benen spreidt en het hoofd van Elias in de goede richting duwt. Hier spat opnieuw de onbetrouwbaarheid uit elkaar en hangt de rouwsluier van een zwart en brutaal mensbeeld over het theater. De toeschouwer vermoedt dat Vincentia medelijden heeft met Elias, die het slecht heeft getroffen met haar zus en wiens algemene constitutie naar het deerniswekkende neigt. Elias zelf weet niet wat hem overkomt en projecteert de omgang met zijn moeder – de enige vrouwelijke relatie die hem ooit bevallen is – op het incident met Vincentia. En het theaterstuk – het samenspel van acteurs, regisseur, decor en geluid – ontbloot illusieloos waar het strictu sensu om draait: de drifthuishouding van Elias en die van de mens in het algemeen, op zoek naar l’origine du monde.

In een van de laatste scènes van het stuk komt het tot een gelijkaardig treffen tussen Elias en zijn schoonmoeder. Het stormt aan zee, Gregoria is van hem weggevlucht. ‘De deur van de hotelkamer is zachtjes open- en toegegaan. Op verre na geen Rubensfiguur meer, van haar satijnen blouse en haar korset beroofd, thans in haar witte slaapjapon door de weerlicht in reliëf gebracht, een gewone klomp sneeuw geworden met bolronde, dooiende vormen; waaraan heb ik het nachtelijk bezoek van mama Balthazar te danken?’ Dat is wat Gilliams schrijft en Elias vertelt, ook in het toneelstuk. Elias verbergt zich onder de lakens en vertelt te voelen hoe de hand van de moeder op zijn schouder rust. Op scène gaat de travestiet schrijlings op hem zitten. Ze neemt haar pruik af, reveleert een kale schedel, en terwijl het buiten bliksemt rijdt ze haar bekken heen en weer. ’s Anderendaags snauwt ze Elias in het Antwerps toe: ‘Ge hebt mij serieus geaffronteerd gisteren, maatje! Zoals gij ongevoelig waart voor mijn aanraking! Ik heb heel de nacht gebleit. Spijtig!’

3

Het is een bekend beeld: in de aanloop tot de liefde trekken we verliefd de blaadjes uit een bloem, een voor een, prevelend: she loves me, she loves me not – tot ook het laatste blaadje verdwijnt en de uitkomst bekend is. Los van de historische en culturele context gaat de roman Gregoria niet zozeer over dit proces, als wel over de reconstructie ervan wanneer alles alweer is afgelopen. Die wederopbouw gaat gepaard met wat Gilliams meermaals omschreef als ‘peinzend verdriet’. De gevallen blaadjes worden opgeraapt en met de moed der wanhoop wordt er een bloem gereconstrueerd die enigszins overzichtelijk en, hoe verwelkt ook, het bekijken waard is. Literatuur is met andere woorden een persoonlijke poging om de geschiedenis van het eigen leven enige zin en grandeur te verlenen. Gilliams heeft met Gregoria de belachelijkheid en de onbegrijpelijkheid van zijn aanvaring met Gregoria en haar familie laten stollen als gesedimenteerd lijden.

Het is een zaak die het liefdesdomein overschrijdt en mens- en wereldbeelden sticht. Het gaat er om welke illusies en constructies men toestaat, en wat bij voorbaat van tafel wordt geveegd als onzin, romantiek of hooggestemde flauwekul. Het is wat dat betreft interessant om de bewerking van Gregoria door Bart Meuleman te vergelijken met de film die regisseur Jef Cornelis in 1979 draaide op basis van Vita Brevis, het reeds bij leven verzamelde werk van Gilliams (waarin Gregoria nog niet was opgenomen). Het gedroomde boek: variaties op ‘VitaBrevis’ (overigens tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de eerder vermelde Georges Adé) is een ernstige film, trouw aan het materiaal, waarin niets van of omtrent Gilliams wordt ge-ironiseerd of bekritiseerd, waarin de zwaarte niet met flatulentiegeluiden wordt verlicht, waarin de lelijkheid en de chaos van de wereld buiten de artistieke constructie worden gehouden. Ook in deze bewerking loopt een vrouw rond met een vogel op haar hoofd – maar deze vogel leeft nog, en het beeld is niet zozeer uit op de lach of de spot, als wel op de ongrijpbaarheid en de poëzie. Voor hedendaagse ogen mag dat ‘wereldvreemd’ of (zo gaat dat dan) ‘hilarisch’ lijken – het blijft gaan om een harde, autonome en comprisloze daad die zich weinig met de wereld wil inlaten.

Zowel de verfilming uit 1979 als de theatra-lisering uit 2011 tonen dat het project van Gilliams literair was en blijft. Veel van zijn beelden kunnen slechts als taal blijven bestaan en leveren – zoals in de film van Cornelis – merkwaardige scènes op die te dicht bij de realiteit komen of te specifiek worden om nog effectief te zijn. Anderzijds heeft Gilliams – zeker wat Gregoria betreft – lengte en langdradigheid nodig om zijn symfonie vol motieven en herhalingen uitputtend te kunnen ontplooien. Wanneer de vertelstem op het eind van het theaterstuk zegt: ‘Het kasteel uit mijn kinder- en jongelingsjaren bestaat niet meer’ en ‘Of mijne moeder sedert de dag van mijn huwelijk, nog in leven is?’ dan is de toeschouwer daar door al het voorafgaande onvoldoende op voorbereid. Om de volle, bijna epische draagwijdte van deze thema’s (de paradijselijke maar ontoegankelijke jeugd en de belangrijke maar verstikkende moederbinding) op een verpletterende manier te ondergaan, is er meer nodig dan de paar herinneringen en verwijzingen die nu terloops doorheen het slechts anderhalf uur durende stuk zijn gestrooid. In beide gevallen, in de film en op het theater, gaat er dus iets verloren van de oorspronkelijke kracht van het werk van Gilliams.

Toch is zowel op het scherm als op het toneel de kern van dit oeuvre overeind gebleven, zij het paradoxaal genoeg door een tegenovergestelde aanpak. Of de poëtische onkenbaarheid van de mens en zijn verlangens nu op een filmische manier wordt benadrukt (zoals door Cornelis) of net wordt bekritiseerd (zoals door Meuleman): in beide gevallen blijft het existentieel drama van Gilliams voelbaar. In de theaterbewerking van Gregoria krijgen we diens these te zien – persoonlijk, wereldvreemd, ouderwets – en tegelijkertijd komt de antithese tevoorschijn – lichtjes cynisch, spottend, hedendaags. Het is niet verwonderlijk dat Meuleman een recensie in De Witte Raaf van een boek over Gilliams in 2001 afsloot met de zin: ‘Met Gilliams verwelkt een der laatste takken van de romantiek.’ Daarom is het voor de toeschouwer van dit toneelstuk alsof Gilliams aan tafel zit, ernstig en alleen, tranen in de ogen, voorzichtig spelend met de bloemblaadjes van een verloren liefde. Het team achter het toneelstuk Gregoria zit gehurkt op de grond en blaast nu en dan spottend en gemeen lachend de blaadjes onder de ogen van Gilliams weg, zodat hij opnieuw moet beginnen. Het is de formele en conceptuele verdienste van dit toneelstuk dat beide activiteiten – en de wereldbeelden waarmee ze samenhangen – op een schrijnende manier toch naast elkaar blijven bestaan. Een oplossing komt er niet, volledig inzicht in de gebeurtenissen of de beweegredenen van de personages blijft afwezig, het leven en de liefde blijven onbegrijpelijke, vreselijke, zowel lachwekkende als treurige, maar altijd indrukwekkende mysteries. Het vers van Hölderlin, dat Gilliams zijn Elias laat citeren in Gregoria, blijft geldig: ‘Ach, wij kennen onszelf niet, want een god doet zijn werk in ons.’ Het verwelken van de romantiek is nog altijd niet voorbij.

www.kvs.be

essay
Leestijd 13 — 16 minuten

Christophe Van Gerrewey

Christoph Van Gerrewey is schrijver van essays, verhalen, romans. Hij is tevens onderzoeker, docent, en criticus in het domein van Architectuur en Stedenbouw.

essay