Caroline Derycke

Leestijd 3 — 6 minuten

Hervormingen Hoger Kunstonderwijs

Even hing men aan de alarmbel, toen in december duidelijk werd dat op het kabinet Coens nog een nieuw decreet in de maak was, nl. één dat orde op zaken wil stellen in het Hoger Kunstonderwijs. In Etcetera 32 werden de grote lijnen van dit ontwerpdecreet geschetst en een aantal knelpunten uit de doeken gedaan. Op dat ogenblik lag het in de bedoelingen van minister Coens de hervormingen reeds vanaf volgend academiejaar in voege te laten treden, maar de besluitvorming loopt via kronkelwegen.

Vele pogingen om informatie over de plannen te verkrijgen mislukten, op het kabinet werd het voorbarig geacht het publiek in te lichten vermits de besprekingen in volle gang waren en de beslissingen nog niet genomen. Men werd verondersteld een blind vertrouwen te hebben in de ministeriële plannen, voor problemen die men reeds twintig jaar tracht op te lossen.

Ondertussen is duidelijk geworden dat het niet zo een vaart zal lopen. Zolang het dossier omtrent het universitair decreet niet opgelost is, kan dat over het Hoger Kunstonderwijs niet worden doorgevoerd. Ten tweede zou de hele operatie op dit ogenblik te duur uitvallen.

Op maandag 18 februari organiseerde het V.T.I. een debat over de hervormingen met als panelleden Johan Huys (directeur Koninklijk Muziekconservatorium Gent), Kamiel Cooremans (directeur Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium Antwerpen), Herman Mariën (leraar conservatorium Antwerpen), Luc De Smet (directeur De Kleine Academie) en Steven Maes (student H.R.I.T.C.S.). Johan Van Assche (acteur bij De Tijd en leraar op het conservatorium Antwerpen) en Peter Rouffaer (leraar conservatorium Brussel) hadden in laatste instantie afgezegd.

Op het debat bleek dat iedereen het eens was over een aantal positieve elementen uit het decreet, zoals het gelijkschakelen van diploma’s en statuten en het invullen van ambten. Tevens heerste er een grote eensgezindheid over belangrijke ingrepen, die als totaal onaanvaardbaar werden bestempeld.

In eerste instantie reageert men tegen het invoeren van de verzuiling : men heeft het gevoel dat vooral het vrije net, i.c. het Lemmensinstituut te Leuven, meer ruimte krijgt.

Ook de manier waarop men het – op zich niet oninteressante – idee van de artistieke campus wil vormgeven, nl. door het creëren van één groot instituut per net en per provincie, stuit op afwijzing. Dat houdt namelijk, vooral in de provincie Antwerpen, de fusie van een aantal bestaande instituten in, met boven de verschillende artistiek-pedagogische directies een financieel-administratief directeur. Garanties omtrent de financiële en artistiek-pedagogische vrijheid van de deelinstituten ontbreken. Trouwens, ook de financiering zelf roept vragen op.

Een laatste belangrijk knelpunt is de werking van de ARGO, de in 1988 opgerichte inrichtende macht van het Gemeenschapsonderwijs. In tegenstelling tot de vlotte samenwerking in het vrije net tussen inrichtende macht en directie, komen de directies van instellingen uit het Gemeenschapsonderwijs vaak in conflict met hun inrichtende macht, wat remmend werkt op de functionering van deze instellingen.

Uit de discussie over deze organisatorische en structurele problemen bleek alleszins dat het kunstonderwijs met een aantal belangrijke en verreikende problemen te kampen heeft.

De laagconjunctuur in het hele cultuurbeleid van de overheid – fusioneren of afschaffen van orkesten, schrappen van de dansafdelingen van de opera’s, het magere subsidiebeleid – lokt de vraag uit waarvoor men zijn studenten nog opleidt. Voor musici biedt het onderwijs vaak nog een alternatief. Maar zowel in het Lemmensinstituut als in de conservatoria heeft men het leraren- en assistentencorps pas uitgebreid en ook het secundair onderwijs biedt nauwelijks nog ruimte. Bovendien lijkt het niet gezond dat de pedagogische carrière bij het definiëren van een ‘afzetmarkt’ voor de studenten de overhand zou halen op het artistieke.

Een ander verschijnsel is het on-staan van alternatieve opleidingen (de Kleine Academie, de Dansacademie, het schooltje van Jan Decorte) en er is het fenomeen dat regisseurs graag met ongeschoolde acteurs werken. Dit laat vermoeden dat er noden bestaan waaraan de conservatoria niet kunnen voldoen.

Op het debat stelde Johan Huys dat zolang de conservatoria functioneren zoals nu, de alternatieve opleidingen maar best vrij en onafhankelijk hun gang blijven gaan. Het ‘nieuwe’ conservatorium waarvan hij droomde, heeft hij op het debat spijtig genoeg niet gepresenteerd. Maar iedereen was het er met hem over eens dat men met het jongste ontwerpdecreet de boot gemist heeft voor een specifieke en noodzakelijke wetgeving voor het Hoger Kunstonderwijs. Of nog markanter : als de discussie over het kunstonderwijs niet frontaal en in al zijn aspecten wordt aangegaan, dan zou het bestaande onderwijs wel eens kunnen wegzakken in een malaise die nog jaren kan aanhouden.

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

Caroline Derycke

artikel