‘Le Songe d’une Nuit d’Été (Théâtre National de Chaillot) Foto Georges Méran

Alex Mallems

Leestijd 7 — 10 minuten

Festival d’Avignon 1990

Sedert 1985 wordt het Festival d’Avignon geleid door Alain Crombecque. Onder zijn directeurschap heeft het festival zeer nadrukkelijk een centrale plaats opgeëist binnen het Franse theaterlandschap : Avignon verzamelt jaarlijks de vooraanstaande Franse theatergezelschappen (Théâtre des Amandiers-Nanterre, Théâtre National de Chaillot, enzovoort) en functioneert voor die gezelschappen vaak als co-producent bij het opzetten van zeer grote produkties.

De editie 1990 trok die première-lijn door met twee grote Franse produkties : Jean-Pierre Vincent, de opvolger van Patrice Chéreau als directeur van het Théâtre des Amandiers-Nanterre regisseeerde Les Fourberies de Scapin van Molière in de Cour d’Honneur du Palais des Papes ; en Jérôme Savary, sinds twee jaar directeur van het Théâtre National de Chaillot, ensceneerde Le Songe d’une Nuit d’Eté (Midsummer Night’s Dream) van William Shakespeare in de Carrière Callet te Boulbon. Van deze twee nieuwe Franse topprodukties hing zeer veel af op het vlak van de recette van het Festival d’Avignon : ruim 60.000 van de bijna 150.000 verkochte tickets. Bovendien vormden Vincent en Savary zowat de twee enige ‘namen’ onder de uitgenodigde regisseurs. Een zware verantwoordelijkheid dus, maar met Molière en Shakespeare als klassieke lokomotieven was er naar het grote publiek toe alvast een veiligheidsmarge ingebouwd.

De première-omstandigheden bij de openingsvoorstelling van het Festival d’Avignon, Les Fourberies de Scapin van Molière in de legendarische Cour d’Honneur du Palais des Papes, waren desastreus : de mistral-wind had voor de gelegenheid stormachtige proporties aangenomen met snelheden van meer dan 100 km/u. Alles behalve ideale condities dus om toneel te spelen, maar tegelijkertijd zo extreem dat de mogelijkheden en de beperkingen van het spelen ‘en plein air’ zeer duidelijk blootgelegd werden. Gelukkig had Jean-Pierre Vincent, vanuit zijn ervaring met twee vroegere Cour d’Honneur-ensceneringen, in zijn regie deze problemen geanticipeerd. Het spelen ‘en face’ was op een natuurlijke manier geïntegreerd ; de asides in het stuk werden optimaal benut om expliciet naar de toeschouwers toe te spelen ; er werd geopteerd voor een zeer vinnige, dynamische speelstijl waarin heel wat elementen uit de comedia dell’arte traditie verwerkt zaten (onder andere het spel met maskers, het akteren op de rand van de cabotinage) ; er was de noodzakelijke uitvergroting van personages waardoor de zo wie zo al dunne verhaallijn van Scapin voor het publiek te volgen was, ook voorbij de tiende rij dus, wat zeker voor de minder ver dragende vrouwenstemmen zowat de limiet was van de absolute verstaanbaarheid tijdens die stormachtige première.

Gelukkig is Les Fourberies de Scapin een farce die zich leent voor dit soort aanpak, het is voor het theater zowat het equivalent van de schelmenroman, en werd door Molière trouwens geschreven in concurrentie met het aan het 17e eeuwse Franse hof zo populaire Italiaans theater van Scaramouche. Hoewel het stuk één van de laatste stukken is van Molière, geschreven na bijvoorbeeld zijn psychologisch meer complexe komedie Le Misanthrope, is Scapin een stuk met minder pretenties, behalve het vermaken van het publiek. Molière zou weliswaar Molière niet zijn indien hij terloops niet een aantal hypocriete wantoestanden uit zijn tijd zou belachelijk maken (het uithuwelijken van kinderen ten koste van de echte liefde, de geldzucht van een paar oude vrekken, enzovoort) maar toch is Scapin niet meteen het rijkste stuk uit het Molière-oeuvre.

Jean-Pierre Vincent die als regisseur eerder al tweemaal Le Misanthrope regisseerde, heeft vanuit die Molière-ervaring Scapin dan ook binnen die proporties geregisseerd, dat wil zeggen niet als een uniek socio-psychologisch meesterwerk, maar eerder als een energieke farce. De continue aandacht en interesse bij Vincent voor het werken met jonge akteurs (die hier spelen naast een sterakteur als Daniel Auteuil in de titelrol) levert zijn Scapin daarbij een extra dosis dynamiek en werkt bovendien de geloofwaardigheid van die jonge rollen in de hand. Vincent houdt er trouwens aan – ook nu hij directeur is van het Théâtre des Amandiers – om te blijven lesgeven aan het Conservatorium, hij beschouwt het als een opdracht om mee te werken aan het doorgeven van zijn ervaring aan een jongere generatie.

Een ander essentieel element binnen het werkproces van Vincent is zijn jarenlange samenwerking met zijn vaste dramaturg-auteur Bernard Chartreux en met de schilder-scenograaf Jean-Paul Chambas. Dat soort groepswerk, los van de structuren van de verschillende gezelschappen waarbinnen Vincent geregisseerd heeft, werpt zijn vruchten af en functioneert doordat men elkaar perfect aanvoelt, artistiek op dezelfde golflengte zit, maar anderzijds ook door het feit dat zowel Vincent (met zijn docentschap aan het Conservatorium), Chartreux (met zijn schrijfprojecten als auteur), als Chambas (met zijn schildersactiviteit) elk een zelfstandige activiteit uitoefenen naast hun groepswerk aan theaterprodukties. Die krachtlijn wil Vincent in ieder geval doortrekken in Nanterre.

De tweede ‘grote’ produktie die dit jaar op het Avignon- programma stond was Le Songe d’une Nuit D’Eté, van William Shakespeare in een regie van Jérome Savary. Locatie was de Carrière Callet te Boulbon, een verlaten steengroeve aan de boorden van de Rhóne waar vijf jaar geleden Peter Brook zijn beroemde Mahabharata creëerde. Savary weet in zijn bekende spektakelstijl die imposante alternatieve ruimte te vullen en schuwt daarbij af en toe de grote middelen niet. Hij situeert Midzomernachtsdroom in het milieu van de ‘gitans’ met caravans, opvallende limousines stijl jaren ’50, moto’s en side-cars. Daartegenover plaatst Savary de feeërieke wereld van Oberon en Titania, een droomwereld waarin hij zijn rijke fantasie volop kan uitleven met daarbij een knipoog naar zijn eigen verleden, naar Le Grand Magie Circus et ses Animaux Tris-tes. Het theatergezelschap met de amateur-acteurs van Bottom dat een soort play in the play opvoert, roept met hun groteske optreden herinneringen op aan die Savary-troep van weleer.

Midsummer Night’s Dream is pas de eerste Shakespeare die Jérome Savary regisseert en die keuze verwondert niet, rekening houdend met die dubbele wereld binnen het stuk, met dat spel tussen het reëele en de fantasie. Met zijn intuïtieve aanpak, door vooral het werken met de acteurs en via de acteurs aan zijn enscenering, bereikt Savary een speelstijl die gekoppeld blijft aan de individuele capaciteiten en karakteristieken van zijn mensen. Corporele eigenschappen (een grote dikke, tegenover een dwerg) worden daarbij vaak tegenover elkaar uitgespeeld. Toch meent Savary dat van al zijn ensceneringen deze produktie het diepst graaft in de inhoud van het stuk. De anarchistische manier waarop Shakespeare – volgens anarchist Savary tenminste – de liefde benadert, speelde alvast een cruciale rol bij de keuze van precies dit stuk. De overigens schitterende nieuwe hedendaagse vertaling door Jean-Michel Déprats (uitgegeven bij Actes Sud-Papiers) helpt Savary in ieder geval een heel eind op weg om Shakespeare levendig naar vandaag toe te transponeren.

Naast Vincent en Savary bleven belangrijke theaterregisseurs dit jaar jammer genoeg afwezig op het Festival d’Avignon. De Poolse theaterlegende Tadeusz Kantor en de Oostduitse regisseur Mathias Langhoff leidden weliswaar workshops met jonge theatermakers, georganiseerd net voor het festival, maar hoe belangrijk deze initiatieven toekomstgericht ook zijn, op dit moment ontbrak die internationale dimensie vooral binnen het festival zelf. Het is duidelijk dat de jongere generatie Franse regisseurs nog vaak onvoldoende niveau haalt – Antoine Vitez is begin mei plots overleden, Patrice Chéreau regisseert nog nauwelijks – maar opvolgers zijn er nog niet meteen in zicht.

Veel produkties blijven hangen bij modieus gefriemel, bij een zeer simplificerende illustratieve manier van acteren waarbij woorden of een situatie uit de tekst letterlijk getoond worden (‘il pleut’ zegt de tekst en daar gaat het handje al naar boven om dat aan te geven). Een ander euvel binnen het jongere Franse theater is een schrijnend gebrek aan een dramaturgische begeleiding van het creatieproces. Een rijke en dramatisch interessante tekst als Rencontre van de Hongaarse auteur Peter Nadas wordt bijvoorbeeld op een schrijnende manier kapot geregisseerd door Alain Timar. Zijn opgelegde speelstijl staat haaks op de inhoud van de tekst, zijn decor blokkeert die inhoud al op voorhand, voor het stuk essentiële scènes zijn weggesneden : evenveel aanduidingen om dat gebrek aan dramaturgisch inzicht aan te geven.

Een ander voorbeeld was de produktie Un Prénom d’Archiduc, een tekstcompilatie uit het werk van Charles- Ferdinand Ramuz met als resultaat een soort getheatraliseerde biografie van de auteur Ramuz. Door zijn structuur alleen al loopt het stuk met de ogen open in de valkuil van de voorspelbaarheid : twee acteurs – een man (Ramuz) en een vrouw voor alle andere personages – spelen een opeenstapeling van zeer korte scènes uit het leven van Ramuz, de evidentste eerst (Ramuz als student, Ramuz ontmoet zijn vrouw, de eerste tekst, het eerste contact met de uitgever, enzovoort). Aan het personage van de auteur wordt op deze manier niets toegevoegd wat we al niet lang wisten. Bij de nevenpersonages kan er van enige opbouw al evenmin sprake zijn door de snelle wisseling van de opeenvolgende korte scènes. Regisseur Michel Soutter plakt die dan wel netjes naast elkaar, zorgt telkens voor een keurige mise en scène, maar het geheel blijft vrijblijvend structuurloos theater.

Wie op zijn aparte manier wel een structuur wist in te bouwen in zijn spektakel, was de jonge Franse choreograaf Philippe Decouflé die zijn nieuwste produktie Triton creëerde in Avignon. Decouflé wou oorspronkelijk clown worden, houdt nog steeds van de mengvormen zoals die in het circus bestaan en koos dan ook de opbouw van een cirkusavond als basisstructuur voor Triton. Binnen een dergelijke losse structuur ondersteund door een parallel ontwikkeld decor (een circusarena) kan de fantasie van Decouflé in beeld en beweging optimaal functioneren.

Belangrijk daarbij is toch de nadruk te leggen op het groepsverband waarbinnen Decouflé creëert, waarbij een essentiële plaats is weggelegd voor kostuumontwerper Philippe Guillotel. Zijn fantasierijke kostuums bepalen in belangrijke mate mee het bewegingsvocabularium van de dansers en bepalen door hun opvallend karakter mee de sfeer van de voorstelling. Het werk van Decouflé is dan ook in eerste instantie zeer beeldrijk, resultaat van een ongebreidelde fantasie die trouwens na de première niet afgesneden wordt. Triton kan blijven evolueren binnen de losse cirkusstructuur waarvoor geopteerd werd. Decouflé houdt in ieder geval nog een reeks kostumes en ideëen in petto om routine en verveling te voorkomen, want het maken van levende kunst staat bij Decouflé voorop.

Een balans opmaken van het Festival d’Avignon 44e editie moet genuanceerd gebeuren : de grote spektakels Molière en Shakespeare door Vincent en Savary voldeden ; het nieuwe Frans theater ontgoochelde eerder ; de hedendaagse dans bevestigde haar slagkracht en inventiviteit. Verder was er de belangrijke introductie van authentieke vormen van Aziatische podiumkunsten binnen het grote Ramayana-project met eenvoudige, maar eerlijke verhalen geïnspireerd op het 24.000 verzen lange Ramayana -epos. Alles samen leveren de verschillende genres die getoond werden (dans-opera uit Java ; masker-theater uit Bali ; marionettentheater en dans uit India ; klassiekballet uit Thailand ; of schaduwspel uit Maleisië) misschien wel een representatief beeld op van de grote verscheidenheid aan op de Ramayana geïnspireerde podiumkunsten, maar in zijn globaliteit blijven deze Aziatische kunstvormen met hun eigen tradities en codes voor ons toch vrij hermetisch.

Het meest inspirerende moment tijdens het festival vormde voor mij de tentoonstelling rond René Char waarin relaties worden gelegd tussen ,de poëzie van Char en de wereld van de plastische kunst waarmee hij nauwe contacten onderhield zoals Braque, Picasso, Miro, Giacometti, en vele anderen. Dat René Char, die twee jaar geleden overleed, in het kader van het Festival d’Avignon aan bod komt, heeft te maken met de oorsprong van het festival zelf : het was namelijk René Char die in 1947 Jean Vilar vroeg om in de rand van een grote tentoonstelling van hedendaagse kunst in het Palais des Papes, ook theatervoorstellingen te verzorgen in Avignon… het begin van wat uitgegroeid is tot het meest prestigieuse theaterfestival ter wereld.

René Char was dus een man die sporen naliet. Een centraal citaat binnen de tentoonstelling was trouwens : “Un poète doit laisser des traces de son passage, non des preuves. Seuls les traces font rêver.” Een stelling die niet alleen valabel is voor zijn poëzie, maar waar ook veel hedendaagse theatermakers beter zouden van worden, inclusief het voorbije Festival d’Avignon.

Les Fourberies de Scapin door het Théâtre des Amandiers-Nanterre komt van 29 november tot en met 9 december 1990 naar het Brusselse Théâtre National ;

Le Songe d’une Nuit d’Eté loopt vanaf 8 november tot het einde van het jaar in het Parijse Palais de Chaillot ;

Triton van Philippe Decouflé en zijn DCA is mee te maken in deSingel van 7 tot en met 10 februari 1991.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

Alex Mallems

recensie