‘Lulu’ – regie Peter Zadek – Foto: Roswitha Hecke

Alex Mallems

Leestijd 4 — 7 minuten

Festival d’Automne

Parijs

In het vorige nummer van Etcetera had Luk Van den Dries het over de noodzaak van festivals en ook de realiteit op de zomerfestivalpodia werd uitgebreid gecommentarieerd. Met het begin van het reguliere theaterseizoen valt die intense festivalactiviteit echter niet stil, al worden, net zoals in het wisselende kleurenpalet van de herfstbladeren, de accenten toch wel elders gelegd: het theater ruilt de zuiderse wijdse openlucht voor de intimiteit van de vertrouwde schouwburgen; de toeschouwer ontwaakt uit de roes van de fiësta en concentreert zich weer exclusief op de voorstellingen zelf, na een werkdag, voor een volgende. Kortom, het theater nestelt zich terug in het leven van elke dag, neemt zijn sociale en maatschappelijke functie weer op. Het Festival d’Automne in Parijs is wellicht het meest representatieve, tegelijkertijd het meest spectaculaire herfstfestival en zeker niet alleen omwille van zijn naam. Een impressie van de editie ’88.

Als je naar Parijs gaat, koop je Pariscope, de handige uitgaansgids met het culturele en meer frivole aanbod in de lichtstad. Een blik op ue index leert dat er momenteel niet minder dan 150 schouwburgen bespeeld worden, met vaak meerdere produkties per zaal. Wat kan een festival daar nog aan toevoegen, vraagt men zich af? Enkele dagen Parijs volstaan voor een enthousiast antwoord: veel, zeer veel. Het festival speelt nl. op een doordachte manier in op dat ruime kwaliteitsaanbod binnen de hoofdstad, door het integreren van een aantal produkties. Dat gebeurt enerzijds puur receptief door bestaande voorstellingen in het programma op te nemen, maar anderzijds ook (co-)produktief door creatie-opdrachten te geven aan gezelschappen. In beide gevallen worden er echter wel thematische verbanden gelegd. Dit jaar was er bijvoorbeeld een project rond Franse creaties van Oostenrijkse auteurs (Thomas Bern-hard, Peter Handke, Karl Kraus), zodat het festivalprogramma ook structuur krijgt, zich profileert en niet zomaar links en rechts de krenten uit de theaterkoek pikt. Deze combinatie-formule levert naast een veel ruimere promotie van de produkties in die festivalcontext, ook meer produktiemiddelen op voor theatermakers, waardoor ook zeer sterke bezettingen mogelijk worden. De drie Thomas Bernhards op het programma (Simplement Compliqué, MinettienLe Faiseur de Théâtre) zijn stukken die telkens over het medium theater zelf gaan, over ouder wordende acteurs, en die vallen of staan als het ware met het talent en de prestatie van hun respectievelijke hoofdrolspelers. Met steracteurs als Jean-Paul Rousillon, die af en toe wel eens op de rand van zijn clichés speelt, David Warilow en Bill Freyd wordt aan die basisvoorwaarde voor een goede Bernhard alvast voldaan. Een ander voordeel van de adoptie van Franse voorstellingen is de veel bredere spreiding in de tijd van het festivalaanbod; de stukken lopen gemiddeld zo’n vijf weken waardoor het gewone publiek ook ruim de kans geboden wordt om de festivalvoorstellingen effectief te volgen. Datzelfde geldt trouwens nog in sterkere mate voor één van de absolute blikvangers tijdens dit Festival d’Automne: Le Retour au Désert, de nieuwe van Bernard-Marie Koltès in een regie van Patrice Chéreau met Jacqueline Maillan en Michel Piccoli in de hoofdrollen. Deze co-produktie met Nanterre-Amandiers werd ruim drie maanden gespeeld in het Théâtre Renaud-Barrault vlakbij de Champs-Elyssées, samen goed voor zo’n 100 voorstellingen. Om mij duistere redenen (het bourgeois-publiek, of de hele entourage van dat theater?) was er met de receptie door dat grote publiek van dit wrange stuk van Koltès wat vreemds aan de hand. De nu weer zeer actuele Algerije-problematiek kon niet verhinderen dat bepaalde scènes gewoon weggelachen werden. Jacqueline Maillan speelt een Française die terugkeert uit Algerije, en zegt de openingszin van het stuk in het Arabisch. Ondanks het heel functioneel gebruik van die vreemde taal — ze spreekt haar Algerijnse knecht aan — ligt de zaal plat van het lachen, want Maillan spreekt Arabisch. Blijkbaar is het Renaud-Barrault publiek niet vertrouwd met de codes die Koltès hanteert, het cynisme bijvoorbeeld, en interpreteert men het stuk bij momenten als een boulevard-komedie. Koltès had dit weliswaar voorspeld, maar toch bood het suggestieve en tegelijkertijd zeer vervreemdende decor van Richard Peduzzi voldoende tegengewicht tegenover de vrij naturalistische speelstijl.

Naast het rijke Franse aanbod is er binnen het Festival d’Automne ook het internationale luik met daarin vooral veel theater uit de Sovjetunie: auteurs als Tsjechov (drie maal), Abromov, en Slavkin in regies van Efremov, Dodin, Vassiliev en Eriomine. Een programma van deze omvang geeft aan dat het festival de actualiteit grondig volgt en meer doet dan louter opportunistisch op de perestrojka-golf meedrijven.

Een vaste gast in Parijs is Tadeusz Kantor die in het Centre Pompidou zijn ultieme Je ne reviendrai jamais presenteerde, een retrospectieve compilatie “in fragmenten uit zijn oeuvre: van Le Retour d’Ulyses van Wyspianski, een stuk dat hij 45 jaar geleden onder nazi-bezetting speelde met zijn klandestien theater, tot en met zijn Théâtre de la Mort-stukken. Kantor herschikt zijn hallucinante dode personages, roept oude beelden op – het klasje uit La Classe Morte bijvoorbeeld, maar wel met andere personages op de vale bankjes – en hij wordt meer dan ooit zelf acteur op de scène. Kantor speelt het personage Kantor, gekoppeld aan zijn eigen doodskist als veelzeggend object. De cirkel lijkt gesloten, de hypothese dat dit de laatste Kantor is, krijgt meer dan ooit argumenten toegespeeld, alhoewel met Kantor….

Tenslotte bood het Festival d’Automne een unieke gelegenheid om de absolute top van het Duitse repertoiretheater mee te maken met gast-voorstellingen door de Berlijnse Schaubühne Drei Schwestern van Tsjechov in een regie van Peter Stein en door het Schauspielhaus Hamburg met Lulu van Wedekind in een regie van Peter Zadek. Twee zeer representatieve produkties: “Drei Schwestern“, een herneming van een vijfjaar oude produktie, kan gelden als het ultieme voorbeeld van perfect ensemblespel, resultaat van 15 jaar ervaring en nauwe samenwerking binnen de Schaubühne onder leiding van Stein. Schitterende acteerprestaties, een harmonieus over elkaar schuiven van stemmen, van dialogen afgewisseld met liederen, het zeer juist plaatsen van de personages in de ruimte, het spectaculaire, maar ook sterk contrasterende decor (binnen- versus buitenruimte) van Karl-Ernst Herrmann. Kortom: een adembenemende voorstelling. Even sterk, zij het om heel andere redenen, werkt de Lulu-versie van Peter Zadek die een compromisloze, op de rand van het provocerende, maar tegelijkertijd ook beklemmende enscenering neerzet van deze Wedekind-klassieker. Er wordt op het scherp van het mes geacteerd, extreme emoties worden geëtaleerd in een zeer directe confrontatie met het publiek: het zaallicht blijft gedurende de hele voorstelling aan waardoor het bekijken en het bekeken worden als het ware in elkaar overlopen, een soms bevreemdende sensatie.

Als het Festival d’Automne zoveel kwaliteit kan toevoegen aan een toch al indrukwekkende theatermenu — dans, muziek, film en tentoonstellingen zorgen bovendien ook voor een globale culturele context binnen het festival — dan blijft Parijs tot nader order één van de echte, want organisch gegroeide en permanente culturele hoofdsteden van Europa. Dat daar volgend jaar nog een officieel etiket bovenop gekleefd wordt, zal dat gunstig klimaat wellicht niet zoveel kunnen beïnvloeden, zodat een succulent weekend Parijs met na elkaar grote namen als Chéreau, Kantor en Stein er dus wel blijft inzitten.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#24

15.12.1988

14.03.1989

Alex Mallems

artikel