‘Een man is alleen’ (De Vereniging) Foto C.M. Ryckeboer

Sigrid Bousset

Leestijd 5 — 8 minuten

Een man alleen is in slecht gezelschap

De Vereniging van Enthousiasten voor het Reële en het Universele Antwerpen

Het trio Van Dijck, Dehollander, Turbiasz – twee jaar geleden en groupe opgestapt bij de Needcompany -heeft in elk geval dit gemeen : het bezit de gave van het entertainen met een enthousiasme en een onstuimigheid waar je als toeschouwer onrustig van wordt.

“Ik hou niet van het zuinige, dikwijls risicoloze, standpuntloze spel. Wel extremen, van inhoudelijk gevulde karikaturen, en weer niet van holle sjablonen – wat voor mij het gezonde over-acting onderscheidt van domweg chargeren.” Dirk Van Dijck aan het woord in Etcetera 21-22, mei 1988. Zijn uitspraak is een treffende illustratie bij de tweede produktie van De Vereniging van Enthousiasten voor het Reële en het Universele, na hun succesvolle debuut Marche funèbre pour chat. Gedrevenheid kan wel eens uit de hand lopen en resulteren in chaos, die dan wel boeiende momenten oplevert, maar moeilijk te overzien is. Zo is het ook met deze Enthousiasten in Een man alleen is in slecht gezelschap. De puzzel moet door de toeschouwer zelf worden bijeen gelegd, maar de vraag is of de voorstelling voldoende aanreikt om dit zinvol te doen. Proberen maar. Ik zag twee rode draden;

1. het is een echte mannenvoorstelling : 2. de fragmenten confronteren religieuze en areligieuze houdingen.

Die twee aspecten zijn al aanwezig in het eerste fragment – hoewel, niet helemaal het eerste : Johan Dehollander staat reeds (of nog ?) zorgvuldig servetten te plooien wanneer het publiek binnenkomt. Een open decor vol tafels en vooraan een hoopje stoelen. Het eerste fragment na de openingsbuiging van de drie acteurs verwijst naar een kapsalon voor mannen waar, na een flinke inzeping, baarden worden geschoren. Die exclusieve mannensituatie wordt versterkt door een conversatie tussen Turbiasz – in Pools/Brussels Frans -en van Dijck – in keurig Algemeen Nederlands – over de Grote Dingen des Levens. Meteen wordt de hooggestemde conversatie gerelativeerd door de contrasterende taalregisters en door de doordeweekse ruimte. ‘God bestaat niet.’ zegt Van Dijck. Turbiasz gaat dit ongeloof te lijf mèt rationele argumenten : de vijf godsbewijzen, Kant, l’ordre des choses. Stel nu, illustreert hij, dat iemand op een dag een taart tussen zijn benen krijgt, heeft hij dat dan zo gewild ? Niet de mens zelf, dixit Van Dijck, maar God staat in voor de gang van zaken in de wereld. Dehollander beaamt domweg knikkend alles wat Van Dijck zegt, tot hij uitbarst in machteloze woede om al die wijsheid die hem belet zijn werk te doen : baarden scheren. Eerder dan de ongelovige, vertegenwoordigt hij de niet-weter. I’m not so stupid as you look, voegt de eigenwijze Turbiasz er als klap op de vuurpijl nog aan toe.

De willekeurige verhaaltjes die in een volgend fragment worden verteld, kunnen we met enige goede wil doen aansluiten bij de aangesneden problematiek : de landbouwer die het welslagen van zijn oogst niet in handen heeft, omdat het regent wanneer de zon zou moeten schijnen en omgekeerd; de man met het rode haar die onzichtbaar is en waarover Dehollander het dan ook niet langer wil hebben; de duizendpoot die niet meer functioneert sinds hij zich bewust is van het feit dat hij duizend poten heeft. Het intuïtieve mechanisme wordt ontregeld door het te willen reglementeren. Zo is het, vinden de acteurs, ook met de kunst. Applaudiserend en rondschietend met revolvers – alweer zo’n mannelijke bezigheid – schreeuwen ze in koor : “Geef kunst haar vrijheid terug; niet omdat het om de kunst gaat maar omdat men het onbekende niet op voorhand kan vastleggen.” De structuurloosheid wordt door die slogan goed gepraat. Vrijheid enchaos zijn voor het trio blijkbaar identiek.

Wat volgt is totale ontregeling : een amusant spektakel , ingezet door een exuberante Mars van de duizendpoot; Van Dijck met een kettingzaag van hallucinant formaat waarvan het oorverdovende motorgeronk de lawaaierige muziek overstemt; kunstjes en goocheltrucs met vallende ijs-emmers en geplooide servetten als een regenboog in de lucht. “Le temps de l’exitation“, schreeuwt de rondhotsende Turbiasz door een grote microfoon. Intussen maken zijn collega’s het te bont : Van Dijck, ontbloot bovenlijf, beweegt zich met de sierlijkheid van een travestie, Dehollander getuigt eerder van een onhandige lompheid in zijn uitlebberende witte ondergoed.

Wie het langst zonder adem kan, is, na een plotse stilte, het volgende spelletje. Daar slaagt Van Dijck duidelijk het best in, tot Dehollander haast tersluiks de broek van zijn gezel openknoopt, zijn onderbroek naar beneden snokt en Turbiasz een fractie van een seconde later een romige taart tegen zijn geslacht kwakt. Het is l’ordre des choses die zich hier voltrekt, welke voordien, bij het scheren, door een overtuigde Turbiasz werd aangekondigd. Een aankondiging echter, door het publiek al lang weer vergeten. Voor de éénmalige toeschouwer is het taartsmijten dan ook niet meer dan slapstick. En wat krijgen we, : terwijl we naar een sprakeloze Van Dijck kijken, in diepblauwe zijden kimono en met de broek tot aan de enkels, horen we -op band – een triomferende orator die een juichende menigte toeschreeuwt met “Vive le Québec libre“‘. Overwinning dus, in de politiek-ideologische wereld die alweer een mannenzaak is.

Een andere mannenzaak, en niet meteen een overwinning is het verhaal van een wachtende man. Harde muziek wordt zacht. De acteur vertelt. De zee, 10 uur. Een vrouw die afscheid neemt, richting Engeland ebt en alleen zeewier achterlaat, wrakhout en flessen zonder boodschap. Het wachten van de man heeft iets vrouwelijks (Josse De Pauw. Ward Comblez, he do the life in different voices). Voor het eerst immers, stapt één van deze drie zo mannelijke acteurs uit zijn patroon, en wordt hij écht kwetsbaar – een kwetsbaarheid die verschilt van het schieten met revolvers, het taartsmijten, het gelijkhalen in religieuze discussies. Wie weet is het de bedoeling om met dit ‘poëtische verhaal’ de overgang aan te tonen van een rationele geloofshouding naar een intuïtief inzicht in het bovennatuurlijke. Indien de titel – Een man alleen is in slecht gezelschap – verwijst naar dit verhaal over een desolate man, is het op zijn minst een tweesnijdend zwaard. Niet alleen ‘een man alleen’, maar ook ‘alleen mannen’ zijn in slecht gezelschap. Ik bedoel: bij die mannen zijn vrouwen nodig. Mannen alleen maken wel eens samen plezier en bouwen al eens slimme – hoewel vaak absurde – redeneringen op, maar zonder vrouwen functioneren ze blijkbaar niet. Misschien is de stem op band die in een exotisch Frans weginstructies geeft (waarheen ?), niet toevallig die van een vrouw.

De melancholische sfeer die Dehollander in zijn eenzame verhaal opbouwt, wordt voortgezet door het droeve accordeonspel van Turbiasz. Intussen worden tafels zorgvuldig opgestapeld in de hoogte, ongebruikte stoelen krijgen eindelijk hun bestemming. Pas nu wordt het decor gemaakt, de chaos opgeruimd. Als in een café rond sluitingstijd, met mannen zonder bestemming. Voor het gesloten rode gordijn dat totnogtoe half open was gebleven, verschijnen drie mannen in keurige obervestjes en met zorgvuldig in vorm gelegde haartooi. Blijkbaar stond Dehollander bij het begin van de voorstelling niet voor niets kundig servetten te plooien. Dit lijkt een nieuw begin en meteen ook een nieuwe fase in de discussie over God. Turbiasz doet geen beroep meer op godsbewijzen en de natuurlijke orde van de kosmos om het bestaan van God te staven, wél op de huidige evolutie in de wetenschap die uitgaat van het onzekerheidsprincipe en meer en meer mysterie veronderstelt naarmate ze de dingen tracht te vatten. “Le temps ou la science est de nouveau d’accord avec l’écriture.” Toch blijft Dehollander problemen hebben met, pakweg, het mysterie van de eucharistie. Voor hem is het ‘lichaam van Christus in een hostie vervat, zoals bijvoorbeeld de eieren in een taart.’ En hoewel Turbiasz zich nog verdedigt met de stelling ‘pas de réligion sans mystère‘, is hij plots niet meer opgewassen tegen zijn onwetendheid en stapt hoofdschuddend op.

Ik neem aan dat ook het publiek hoofdschuddend is opgestapt. Het heeft te weinig aanzetten gekregen om welke puzzel dan ook, al dan niet met gaten, te leggen. Een man alleen is in slecht gezelschap, hoewel een plezierige voorstelling, biedt de toeschouwer niet het materiaal tot ‘vele’ creatieve invullingen, maar tot geen enkele. Bovenstaande tekst is dan ook slechts een poging tot (reconstructie van een voorstelling die nauwelijks bestaat. De beelden blijven niet hangen, de taal verdampt. Er klopt iets niet in de verhouding tussen mijn gepuzzel en het materiaal dat daarvoor nodig is. Te weinig eieren in de taart. En een manifest gebrek aan regie en visie. Drie goede acteurs maken nog geen goede voorstelling.

Een man alleen is in slecht gezelschap.

Gezelschap : De Vereniging van Enthousiasten voor het Reële en het Universele;

tekst, regie, spel : Dirk Van Dijck, Ryszard Turbiasz, Johan Dehollander;

kostuums : Pynoo;

licht : Luc Geunéns;

produktie : Monty i.s.m. De Vereniging van Enthousiasten voor het Reële en het Universele.

Gezien in Monty te Antwerpen op 13 en 23 juni 1990

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

Sigrid Bousset

recensie