Elke Van Campenhout

Leestijd 5 — 8 minuten

Documentaire bedenkingen: Deel III

bij Jean Painlevé, Walter Benjamin, Pieter de Buysser, Wouter Hillaert, An van Dienderen en mezelf

Documentair theater kan bijgevolg niets anders dan ideologisch gekleurd zijn. De theatermaker die zijn ‘feiten’ op het podium voor zichzelf laat spreken, kan niet anders dan dit te doen met een duidelijke politieke inzet, die hij ook niet mag of kan verbergen. In dat opzicht is er nog niets veranderd sinds het revolutionaire elan van de agitprop die de ‘gewone’ man probeerde om te vormen tot rasechte kameraden in de solidaire strijd voor de goede zaak. Het grote verschil is alleen dat de ideologie achter de voorstellingen toen omlijnd was: er was een zaak om voor te strijden en medestanders en vijanden waren duidelijk onderscheiden. De wereld was georiënteerd op de duidelijke Oost-West-assen van links en rechts, van bourgeoisie en proletariaat, en de inzet was helder.

Als er op dit moment dappere stemmen opgaan in theaterland om ‘actie te ondernemen’, ‘een front te vormen’ en ‘solidair te zijn’, is de inzet heel wat moeilijker te benoemen. Johan Simons roept in een polemisch debat tijdens een ‘Koken is politiek’-sessie in het NTGent de theatercritici op om meer solidariteit te tonen met de makers en samen met hen een front te vormen tegen de verrechtsing. Nog afgezien van het woordgebruik, dat mij eerlijk gezegd koude rillingen bezorgt, kan ik mij bij een dergelijke negatieve omschrijving weinig voorstellen. Misschien kunnen we het met veel gelamenteer en debatten nog wel grofweg eens worden over datgene wat we niet willen (al lijken dezelfde lege termen gehanteerd te worden door zowel vriend als vijand), maar ik denk niet dat we ooit een gemeenschappelijk strijddoel voor ogen zullen hebben. En dat is maar goed ook. Stel je voor dat de hele culturele sector ineens aan één zeil gaat trekken. Dat iedereen het ontroerend eens wordt over de taak van een kunstenaar in de samenleving, en daar dus ook, zoals onze minister van Cultuur het zo fijntjes uitdrukt, op kan worden afgerekend. Stel je voor dat we voor het grotere heil en streven voor de goede zaak maar meteen alle verschil in positionering, verantwoordelijkheid en oriëntatie opheffen tussen kunstenaar en criticus, en terwijl we dan toch bezig zijn, tussen programmator en minister, tussen de sector en de overheid. Hoe kan een culturele sector dan in godsnaam nog enig kritisch potentieel ontwikkelen dat niet is ingebed in een smakeloos, troosteloos, naïef hoogdravend, maar politiek gerecupereerd vooruitgangsdenken? Of met andere woorden: hoe kan de culturele sector een front vormen, of solidair de rangen sluiten, zonder zijn eigen bestaansreden op te heffen (want wat hij behoort te doen, wordt een stuk efficiënter aangepakt door straathoekwerkers, verenigingsvoorzitters en vooruitziende politiekers)? Of: hoe het cordon sanitaire inderdaad, Tom Naegels, niet voor de eliminatie en uitsluiting van de ongewenste minderheid heeft gezorgd, maar voor een epidemische mimese die de hele omringende samenleving berooft van een eigen stem, smoort in ongemak en politiek conservatisme en reduceert tot eenheidsworst.

En natuurlijk is dat helemaal niet waar Johan Simons het over heeft wanneer hij koppige Einzelgängers als Michel Houellebecq een podium geeft in zijn eigenste theater, ook al injecteert hij diens onnavolgbaar wrede analytiek wel met een vleugje Hollandse troost voor bange dagen. Maar de woordkeuze (‘front’) sluit wel nauw aan bij een zich ontwikkelend discours rond gedwongen solidariteit, dat, wanneer het wordt doorgetrokken in al zijn conseguenties, schrijvers als Houellebecq compleet irrelevant maakt (ware het niet dat hij zichzelf als goed verkopend product intussen onmisbaar heeft gemaakt op de literaire markt). Cynisme wordt nog maar moeilijk getolereerd als de toestand kritiek is geworden. Er is serieus wat werk aan de winkel, klinkt het. Er moet iets gedaan worden, voor het te laat is.

Wat dat dan is, dat ding dat moet gedaan worden, de actie die moet worden ondernomen, laat zich nog het best omschrijven in de termen van een hervonden Bildungsideaal. De burger heeft een voorbeeldfunctie nodig. En een voorbeeld kan enkel worden gevolgd als het duidelijk wordt omschreven, als het kopieerbaar is en toepasbaar op de eigen situatie, als het kan uitgedrukt worden in eenvoudig af te toetsen mechanismen als feiten en cijfers. Tien procent migranten, en een scheepslading actualiteit. Voor de één een oprechte bekommernis, voor de ander niet meer dan een (cynische) manier om zichzelf als organisatie, kunstenaar, burger of politicus in het voetlicht te plaatsen. De problematiek van dit soort onderneming is dat er geen duidelijke stellingname of ideologie aan ten grondslag ligt, maar dat er wordt geopteerd voor een loopgravenoorlog, die blijft steken in reactieve bokkensprongen, en een diepgaandere analyse van het maatschappelijke veld waarin de aan te vechten anomalieën ontstaan, afdoet als elitair en onproductief. Het voorbeeld dat moet worden gevolgd, gaat dan ook niet verder dan het opstellen en navolgen van een eindeloos uit te breiden lijst van arbitraire regeltjes en quotatiesystemen. Zoals ‘ons oordeel’ in De Morgen de complexiteit van een theatervoorstelling reduceert tot haar nutsgehalte, wordt de theatermaker afgetoetst op het direct inzetbare, recupereerbare potentieel aan begrip en inzicht dat hij kan produceren tijdens de duur van een voorstelling. Of de tekstschrijver aan het polemische gehalte van zijn schrijfsels, die van het papier recht het publieke debat in kunnen worden gekatapulteerd.

Kunst is in deze context niet meer dan een middel om politieke agenda’s te stofferen. Goedbedoelde, maar vaak slecht verpakte propaganda voor een ‘nieuwe wereld’. In tegenstelling tot de agit-prop-periode is er alleen niemand die weet hoe die wereld er zou moeten uitzien. Bij gebrek aan ideologie tast de maker, net als de burger, in het duister. Bij gebrek aan een krachtiger vocabularium, wordt de kunstenaar het zoetje dat de gastritis van de verwarde burger moet verzachten. Persoonlijk heb ik het meer voor de bittere oprispingen van Houellebecq, die me genadeloos een geweten schopt, zonder zich verplicht te voelen daar een doekje voor het bloeden bij te leveren. Maar daar gaat het niet om. Waar het wel om gaat is dat het paniekerige actionisme van de kunstenaar-beleidsmaker al te vaak gefundeerd is op mul zand, op vage utopieën en een onduidelijk discours. En dat is geen basis om tot solidariteit te komen, zonder dit begrip van binnenuit uit te hollen. Er is geen front zonder voor- en tegenstanders, zonder mensen die worden afgerekend, en mensen die op de rug van wat vaag gebazeld idealisme hun slag thuishalen.

Maar vooral: er is geen democratie zonder de mogelijkheid te kunnen kiezen. Er is geen democratische samenleving die fronten bouwt, die haar culturele praktijk reduceert tot haar voorbeeldfunctie voor de burger. Er is geen democratie als er slechts één soort spreken wordt getolereerd, een geopinieerd polemisch quasi-maatschappelijk geëngageerd kathedergeneuzel, en alle andere vormen van spreken voor het gemak worden afgedaan als ‘elitair’ of ‘alleen maar’ poëtisch, of ‘veel te moeilijk’. Als we dit discours van dichtbij bekijken, zien we vaak dat het eigenlijk helemaal niet gaat om ‘te moeilijk’, maar wel om een onwenselijke aandacht voor het grote verhaal, voor de complexiteit van het gegeven. ‘Elitair’ of ‘cynisch’ is geen inhoudelijk begrip, het is een vormelijke afrekening, die de spreker veilig uit het onderonsje van gelijkgestemden weert, en hem verbant naar de marge van de politieke agenda. Het is onkies en onproductief, en bovendien geheel in tegenspraak met de sexy daadkrachtige aanpak van de ‘nieuwe kunstenaar’. (Die overigens, met lichte productiefoutjes, voorlopig nog alleen in stock is opgeslagen en de markt nog niet echt heeft overspoeld. Maar geen nood, de politiek produceert binnen de kortste keren wel een nieuwe lading hongerige wolven.)

Duidelijke uitspraken voor onzekere burgers, daadkrachtige producties voor een lamgeslagen samenleving, een sprong vooruit, al weten we niet in welke richting. Het documentaire theater (in zijn meest gelimiteerde vorm) is niet meer dan een symptoom.

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#101

15.04.2006

14.07.2006

Elke Van Campenhout

Elke Van Campenhout is redacteur van Etcetera, is freelance publicist voor diverse kunsttijdschriften, en werkt als curator en dramaturg.

artikel