Links: Carlos Tindemans – Foto Jan Simoen Rechts: Jaak Van Schoor – Foto Jan Simoen

Hildegard De Vuyst

Leestijd 12 — 15 minuten

De theaterwetenschapper staat niét in het programmaboekje. Of toch?

Dossier Opleiding

Het Dossier Opleiding werd opgestart met een algemene inleiding in Etcetera 11. We concentreerden ons vervolgens op de Studio Herman Teirlinck (Etcetera 12), het RITCS (Etcetera 14), de conservatoria van Antwerpen, Gent en Brussel (Etcetera 17) en de alternatieve cursussen in de ‘vrije sector’ (Etcetera 19). Hoogste tijd inmiddels om de theorievorming over theater onder de loep te nemen: de theaterwetenschap. Hildegard De Vuyst bezocht samen met Leen Thielemans de vier universitaire kernen die de theaterwetenschap in hun curriculum opgenomen hebben. Marianne Van Kerkhoven plaatst er enkele bedenkingen bij.

Anno 1988 kan men aan vier Vlaamse universiteiten theater bestuderen. In een tijdspanne van twee jaar heeft men zowel aan de Universitaire Instelling Antwerpen (UIA), de Katholieke Universiteit Leuven (KUL), de RijksuniversiteitGent (RUG) als de Vrije Universiteit Brussel (VUB) een Bijzonder Diploma of een Bijzondere Licentie in de Theaterwetenschap in het leven geroepen. Een beknopte historische schets van de theaterbestudering aan de verschillende instellingen toont aan dat deze universitaire belangstelling niet helemaal uit het luchtledige komt gevallen.

De jonge UIA die in 1972 haar deuren opent, draagt in haar vakkenpakket een cursus theaterwetenschap als keuzevak. De academische overheid zet, volgens professor Carlos Tindemans, zonder terughoudendheid het licht op groen voor de uitbouw van een sectie theaterwetenschap. In 1978 leidt dit tot een volledige opdracht voor Carlos Tindemans. Van een minorprogramma in de Licentie Germaanse Filologie wordt het pakket in 1987 verder uitgebouwd tot een Speciale Licentie in de Theaterwetenschap.

Aan de KUL vindt de theaterbestudering haar oorsprong in een lange speeltraditie. Het Leuvens Universitair Toneel onder leiding van professor Joost Florquin maakte deel uit van het Instituut voor Literatuurwetenschap. Deelname aan de theaterproduktie werd in cursusuren gehonoreerd. De inspiratie daarvoor kwam uit het Amerikaanse model van het Drama Department van de jaren ’50. Toen Joost Florquin in 1978 overleed en zijn uren ter beschikking kwamen, werd ervoor geopteerd de jaarlijkse theatervoorstelling te omringen met een theoretisch kader. Dat steunde, aldus professor Ludo Verbeeck, op een behoefte van de studenten. Vanaf 1982 kon men aan de KUL een getuigschrift dramaturgie behalen, in 1987 werd het vakkenpakket uitgebreid en het getuigschrift omgevormd tot een Bijzonder Diploma Theaterwetenschap. De deelname aan een theater-produktie blijft ook daarin een centrale rol spelen.

Aan de RUG bestonden de plannen om een sectie theaterwetenschap op te richten, volgens docent Jaak Van Schoor, al heel lang maar zijn ze steeds op verzet gestoten bij de filologen. Binnen de Literatuurwetenschap werden wel sinds jaren cursussen over theater gedoceerd. In 1987 werd de sectie Drama en Theater opgericht, mede bespoedigd doordat professor Van Spaandonck, titularis van het vak Problematiek van het Theater, decaan werd van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Het programma bestaat uit vakken die al gedoceerd werden aan verschillende richtingen maar nu samen gepresenteerd worden.

Aan de VUB kan men vanaf dit jaar inschrijven voor de Bijzondere Licentie Vrijetijdsagogiek, ondergetiteld Cultuur- en Bewegingswetenschappen, met de afstudeervarianten theater, film en dans. De impuls komt, zoals professor Dina Hellemans verklaarde, van de huidige rector Loccufier die veel belang hecht aan de functie die cultuur binnen de gemeenschap en dus ook binnen de universiteit te vervullen heeft.

We mogen hopen dat de bekommernis of de noodzaak om de kennis over het theater te verzamelen en uit te breiden aan de grondslag ligt van zoveel universitaire belangstelling. Toch werken een aantal economische factoren en universitaire belangen het ontstaan van die Bijzondere Licenties in de hand.

Grofweg geschetst kan men zeggen dat het gebrek aan afzetmogelijkheden op de arbeidsmarkt aan de basis ligt van een soort nooit-genoeg-diploma’s-op-zak-mentaliteit bij de studenten. Vooral in de faculteiten die in hun afzetgebieden traditioneel op onderwijs aangewezen zijn, ziet men de studenten na hun licentie uitwijken naar een post-graduaat economie of communicatiewetenschappen.

Het is ook in deze faculteiten dat men de laatste jaren een spectaculaire terugloop van het aantal inschrijvingen telt. Men probeert er de waarde van de afgestudeerde te verhogen en andere afzetmogelijkheden te creëren door extra vakkenpakketten aan te bieden. Naast de aggregatie kan de student kiezen voor zakelijke taalbeheersing of cultuurbeleid of vrijetijds-studies. Of theaterwetenschap. Op deze manier hoopt men de banken weer vol te krijgen.

En de ene universiteit kan daarbij niet achter blijven op de andere. Universiteiten worden immers per ingeschreven hoofd betoelaagd. Deze factoren hebben dus zeker bijgedragen tot het installeren van de Bijzondere Licenties aan de verschillende instellingen.

Waar al het voorgaande zeker meespeelt in het oprichten van de Bijzondere Licenties, werken diezelfde factoren remmend op een degelijke uitbouw ervan. Zowel financiële middelen als personeel ontbreken. In de leeglopende Letteren en Wijsbegeerte (waaronder op UIA, KUL en RUG de theaterwetenschap ondergebracht is) moet zwaar worden bezuinigd. Men zou zich dan ook kunnen afvragen hoe het sowieso mogelijk is om met de bestaande budgetten nog nieuwe richtingen te creëren, zeker als men weet dat een KB van 1982 over de financiering van de universiteiten nieuwe rich-tignen niet meer subsidieerbaar maakt. Deze wet laat zich echter omzeilen wanneer het gaat om een uitbreiding van reeds bestaande pakketten. Daarom is theaterwetenschap aan de VUB een afstudeervariant van de reeds bestaande richting Vrijetijdsagogiek, ondergebracht in het Instituut voor Lichamelijke Opvoeding, wat reeds voor de wetgeving bestond. Vaak blijkt het dan ook niet om echt nieuwe richtingen te gaan maar om het bijeenbrengen en samen presenteren van reeds bestaande vakken. Men roeit met de riemen die men heeft. Tussen droom en werkelijkheid staan beperkte budgetten en universitaire wetgevingen (op de titulatuur van vakken en het veranderen daarvan bijvoorbeeld) in de weg én het spel van beschikbare en vrijgekomen mandaten voor hoogleraren.

Een academische discipline

Hoe benadert men, ondanks alles, het fenomeen theater vanuit de universiteiten. Theaterwetenschap? Carlos Tindemans geeft zijn definitie: “Aan theaterwetenschap zitten twee aspecten vast: wetenschap en theater. Theater is een begrip dat pas recent ingang heeft gevonden in het Nederlandse taalgebied. Vroeger werd er ook gesproken van toneel en onder buitenlandse invloed geraakte ook het begrip drama verspreid. Ik hanteer bij voorkeur het begrip theater en dat omvat alles wat gebruik maakt van verschillende technieken om uitspraken over mens en wereld in een fictionele orde ter beschikking te stellen van een aanwezig publiek. Dat kan gaan van de parade op 21 juli tot de spektakelkunsten die we in de geijkte schouwburgen kunnen meemaken.

Wetenschap houdt voor mij in dat het niet gaat om intuïtieve, impressionistische, subjectieve uitspraken over theater, maar om uitspraken die altijd een veralgemeningsfactor in zich dragen. Die kunnen dan wel gebaseerd zijn op subjectieve waarneming maar het oordeel dat er uit spreekt, is controleerbaar en deelbaar door een aantal andere personen van wie het subjectieve oordeel kan verschillen. In het kader van het model dat gebruikt wordt om tot een uitspraak te komen, bereiken de verschillende individuen gelijkgerichte interesses en verworvenheden.” We zitten hier al meteen in een polemische context, zoals professor Tindemans zelf toegeeft, en die ziet hij in eerste instantie tegenover de theaterpraktijk die de theaterwetenschap ‘scheef’ bekijkt. “De theatermakers verwachten of verlangen handen spandiensten van de theaterwetenschap, een directe dienstbaarheid. Het is niet de taak van de theaterwetenschap om concrete praktische raadslagen naar de praktijk uit te dragen of bevoogding over de praktijk uit te oefenen, wel het fenomeen theater kenbaar te maken. Een loodgieter moet geen fysica studeren om een goed loodgieter te zijn, maar zonder de fysische weten kan hij geen loodgieter zijn. In die zin zie ik de theaterwetenschap. Zij heeft het niet over één voorstelling, één regisseur, over één acteur, wel over de fundamentele grondslagen van het theater. Daarover heeft zij onderzoek in te stellen, niet in prescriptieve zin (hoe het zou moeten zijn) maar in descriptieve zin (hoe het is).”

Niet alleen tegenover de theaterpraktijk neemt professor Tindemans een polemische stelling in. Zijn definitie van theaterwetenschap als een objectief-wetenschappelijke discipline hoort thuis in de veel bredere polemiek over de exactheid van de menswetenschappen of de wetenschappen tout court. Zie hiervoor Marianne Van Kerkhovens artikel verderop.

Tindemans’ stelling brengt ook onmiddellijk de vraag met zich mee naar de plaats van de praktijk in de opleiding. Aan de RUG en de VUB zijn er stagemogelijkheden voorzien, maar wordt er niet intern met practica gewerkt omdat men geen acteurs of regisseurs wil opleiden. Voor professor Tindemans is het echter geen princiepskwestie. “Vergeet niet dat het om een speciale licentie gaat, dat is een kort en gereduceerd programma. Indien we een licentie theaterwetenschap van de tweede cyclus zouden kunnen uitbouwen, wat nog altijd mijn behoefte is, zal daar een empirisch contact met het theater moeten worden ingebouwd. Door middel van stage lopen, bijvoorbeeld, alhoewel de opleidingsinstituten bij ons als de dood zijn voor wat op de universiteiten gebeurt. Dat vinden ze volledig ongeschikt. Van een interpenetratie van beide, naar Amerikaans model, zal dus wel geen sprake kunnen zijn.”

Laboratorium

Tindemans beroept zich voor de afwezigheid van de praktijk op tijdsgebrek en vooronderstelde onwil uit de praktijk zelf. Aan de KUL gaat het bijna andersom: daar ruimt men voor de praktijk 10 semesteruren in (een ‘gewoon’ vak beslaat 2 à 3 semesteruren) en ondervindt men op het eerste gezicht weinig onwil van de theaterpractici. De laatste jaren werd er samengewerkt met Herman Gilis en Pol Dehert, met Paul Peyskens, Jos Verbist en Guy Cassiers. De evolutie die de produkties sinds 1984 doorgemaakt hebben, is interessant. Ze getuigt van alert reageren zowel op de problemen die zich tijdens het maken aan de orde stellen als op wat zich in het theaterlandschap voordoet. Professor Verbeeck: “Tot 1984 werd de student bij het begin van het academiejaar geconfronteerd met een stuk, en met een regisseur die zijn ‘huis- j werk’ gemaakt had. De voorstelling deed voor de academische overheid zo’n beetje dienst als paradepaardje. Er werd van de studenten alleen verlangd dat ze zich zo goed mogelijk in het vooropgestelde concept inpasten. In 84-85 werd het hele opzet van de voorstelling, na grondige evaluatie door de studenten zelf, omgegooid. Er werden regisseurs aangetrokken die niet meer hun voorstelling kwamen maken, maar die het onderzoek dat de studenten vooraf in seminaries naar één tekst verricht hadden, kwamen begeleiden in zijn theatrale omzetting. Het aandeel van de student werd veel groter en de nadruk kwam veel meer te liggen op het werkproces dan op het eindprodukt. Zo werd gaandeweg letterlijk en figuurlijk de ruimte gecreëerd om zelf te onderzoeken welk spel en welke vorm nodig zijn om datgene wat de student leest te mediëren naar een mogelijke toeschouwer. Dat liet zich naar de academische overheid toe veel moeilijker ‘verkopen’. De vraag naar hoe of waarom iets ‘werkt’ op de scène is een stap die volgt op het ‘uitdenken’ en omzetten van een dramaturgisch concept. Dat is iets anders en gaat veel verder dan het ‘aan den lijve ondervinden’. Het gaat om de bewustmaking van de teken-waarde van alles wat gepresenteerd wordt. Iemand heeft een bepaalde fysieke verschijning maar als hij met die bepaalde fysieke verschijning op een scène verschijnt, wordt hij een teken. De bewustwording van wat alleen nog maar een fysieke verschijning aan inhouden meebrengt, is een minuscuul onderdeel van het hier verrichte onderzoek. En dat heeft niets te maken met acteurs opleiden, wel met mensen leren kijken.”

Terwijl het praktijkonderzoek steeds meer een laboratoriumkarakter krijgt en steeds detaillistischer de processen van theatrale betekenisoverdracht onderzoekt, kan men in het aangeboden vakkenpakket spreken van een steeds grotere objectivering. Professor Verbeeck: “Met de uitbreiding van het vakkenpakket voor de Bijzondere Licentie zijn we er in geslaagd de focus wat scherper te stellen op het theatrale. Bovendien wordt heel erg gewerkt aan het op elkaar instellen van vakken, zodat zich geen overlappingen of lacunes voordoen. De raakvlakken met de literatuur blijven evident. Die willen we niet wegstoppen. De hoofdbedoeling blijft tekstgeïnformeerde mensen af te leveren, een soort teksttechnicus die noties heeft van de theaterwetenschap, noties van de geschiedenis van het theater, van theatersociologie, noties van een tekst en hoe. die op een scène werkt.”

Onder filologen

In Antwerpen ligt de focus op de opvoering, in Leuven blijft de tekst centraal staan maar hij wordt er op zijn dramatische mogelijkheden onderzocht. Het Gentse programma komt voor het grootste deel uit die literatuurwetenschappelijke hoek. Alleen al de benaming ‘Drama en Theater’, zoals de nieuwe richting gedoopt werd, laat zich lezen als een academisch compromis tussen filologen en theaterwetenschappers of zoals professor Van Schoor het boude uitdrukt: “Ik ben de enige theaterwetenschapper hier, alle anderen zijn filologen.” Uit verschillende richtingen van Letteren en Wijsbegeerte zijn die vakken bijeengebracht waarvan de verschillende docenten zich bereid verklaarden studenten Drama en Theater toe te laten. Het geheel geeft de indruk van een lappendeken. Een centrale bekommernis of een centraliserende gedachte laat er zich niet in onderscheiden. Als mogelijke evolutie ziet professor Van Schoor “een langzame vergroeiing van de werkcolleges naar de cursussen toe.” Hij ziet het huidige programma als een tussenfase. “Het grote probleem is dat er niet zo maar programma-aanpassingen mogen doorgevoerd worden of uren toegevoegd. We moeten ons houden aan de wetgeving en die is niet mals. Bovendien vloeien er steeds meer mensen af dan er bijkomen”.

Het RUG-programma tekent de moeilijke (universitaire) ontvoogding van de theaterwetenschap en het onvermijdelijke achterophinken op de praktijk waar de dramatekst als legitimatie van het theatraal gebeuren al lang zijn monopoliepositie verloren heeft.

Een ander facet van de banden met de filologie is dat de bestudering van dramateksten blijft vasthangen aan de afbakening van de taalgroepen. Professor Tindemans betreurt dit: “Als je Shakespeare vandaag opvoert, doe je dat in een taal die vandaag geldig, of althans verstaanbaar is. Zowel de pro-duktie- als de receptievoorwaarden waaronder Shakespeare gepresenteerd wordt, zijn die van de actualiteit. Vandaar dat ik in de dramaturgische sector, waar het om concrete dramateksten gaat, de landsgrenzen volstrekt niks ter zake doende vind. Het is ook teleurstellend dat germanisten blijkbaar geen kennis mogen nemen van Scandinaafse of Middeleuropese auteurs of dat Tsjechov voor hen verboden terrein is. Aangezien er in fundamentele zin geen ander theater ontstaat wanneer je over de landsgrenzen gaat, zou dit zich moeten weerspiegelen in de bestudering van dramateksten.”

Interdisciplinair onderzoek

Aan de VUB is het uitgangspunt in eerste instantie het multidisciplinaire karakter van de podiumkunsten vandaag. De student kan kiezen tussen theater, film of dans. Binnen elk van deze keuzemogelijkheden kan hij opteren voor verschillende varianten die theoretisch, toegepast of managementgericht zijn. Maar in functie van de interesses van de student zijn ook combinaties mogelijk binnen of tussen de keuzemogelijkheden. De bedoeling is interdisciplinair onderzoek te stimuleren. Professor Dina Hellemans: „Ik denk dat elke poging om een definitie te geven van theaterwetenschap op dit ogenblik onmogelijk is geworden. Wat doe je met danstheater? Wat doe je met performance, wat vervat zit tussen theater en beeldende kunst? Het enige wat we kunnen zeggen is dat we het theater willen zien in zijn ruimste betekenis, ook waar dat leidt tot overlappingen met wat traditioneel andere kunsten worden genoemd.”

Dit staat diametraal tegenover de bekommernis van professor Tindemans. Volgens hem zijn de verschillende ‘uiterlijke vormen’ van alle mogelijke theatrale manifestaties terug te voeren tot één gemeenschappelijk draagvlak en precies dat moet het object van de theaterwetenschap uitmaken. Aan de verschillende verschijningsvormen kan men dan op basis van gradueel verschuivende elementen een eigen identiteit toekennen.

Bestaat ook aan de VUB niet het gevaar dat men een massa vakken samen aanbiedt zonder een centrale ruggegraat? Volgens professor Dina Hellemans is de gemeenschappelijke stam niet ver te zoeken. “Ik denk aan een vak als semiotiek dat binnen het theater, de film of de dans van belang is.” Belangrijk voor Hellemans is “dat een aantal scheidingslijnen tussen faculteiten zijn opengetrokken, wat nog veel verder zou kunnen gaan dan in de Bijzondere Licentie nu al het geval is.” Dat het programmapakket alleen maar steunt op bestaande vakken waarvan het enige kader is dat ze samen aangeboden worden, lijkt haar geen bezwaar. „Ik denk dat dat aansluit bij wat de toekomst gaat brengen. De traditionele opleidingen zijn goed als basis. Maar er zijn steeds meer mensen die zich na hun traditionele opleiding willen specialiseren of die gewoon uit een belangstelling die niet noodzakelijk aansluit bij hun beroepsleven, willen verder studeren. Die mensen kunnen dan bijna à la carte een programma samenstellen. De coördinator zorgt er dan voor dat dat programma voldoende uitgebalanceerd is. We mikken dus zeker niet alleen op extra-mogelijkheden in het beroepsleven. We willen niet voorbijgaan aan die mensen die niet bereid zijn aan te nemen dat hun opleiding op hun 22ste afgesloten is..”

Dringend gezocht

Voor de meeste instellingen is het nog te vroeg om af te lezen waar de afgestudeerden terecht komen. Wel is het opvallend dat veel van de houders van het vroegere getuigschrift dramaturgie van de KUL in het theaterveld terug te vinden zijn, als adjunct-artistiek leider bij de VLOS, bijvoorbeeld, als programmator op het STUC of public relations bij Kaaitheater en Beursschouwburg, als recensent bij De Morgen of voor occasionele opdrachten bij Oud Huis Stekelbees, RVT, Het Gevolg. Of bij de music-hall-afdeling van het Ballet van Vlaanderen. De algemene teneur aan de verschillende instellingen voor wat de arbeidsmogelijkheden betreft, formuleert Tindemans: “Het is niet zo moeilijk om te constateren dat er een aantal lacunes zijn in het optimaal functioneren van het theater als organisme. Beleidsmatig is er geen enkele poging zichtbaar om die op te vullen. In die zin creëren wij een markt. Wanneer men dan liever vroeger dan later beleidsmatig besluit die lacunes op te vullen, staan de gekwalificeerde mensen klaar.”

De vraag blijft uiteraard welke gekwalificeerde mensen? Beweert Tindemans niet zelf dat aan geen van de vier Vlaamse universiteiten een volwaardige opleiding theaterwetenschap aangeboden wordt? Misschien kunnen we het ook anders stellen. Men kan tegenover de theatrale verschijnselen vanop verschillende afstanden aankijken. De dramaturg bevindt zich met één been in het produktieproces. Hij brengt materiaal aan en is de eerste, bevoorrechte (supergeïnformeerde) toeschouwer, die zijn lezing van de theatrale tekens terugkaatst naar de makers zodat ze hun intenties aan zijn waarneming kunnen toetsen. In die zin ordent en bouwt hij mee aan een voorstelling. De criticus staat buiten de voorstelling en bekijkt haar in al haar aspecten, het licht van vorige produkties van de makers, in haar maatschappelijke implicaties, enz. De theaterwetenschapper staat nog een stap verder af en maakt abstractie van de concrete verschijningsvormen om de grondslagen van het fenomeen theater te beschrijven.

De opleiding die in Leuven aangeboden wordt zit het dichtst op het vel van de theaterpraktijk. In die zin kunnen we zeggen dat daar dramaturgen gevormd worden. In Antwerpen wordt de theaterwetenschap beoefend en ontwikkeld. In Gent zouden dan, gezien het ontbreken van praktijk en theaterwetenschappelijke ambities, critici afgeleverd worden…

In de VUB kan men nog alle kanten op. Elke student kan er een eigen ‘richting’ maken. Wel wordt daar sterk de klemtoon gelegd op management, een houding tot het theatrale veld die grondig verschilt van de hierboven geschetste. Het is in dit opzicht niet onbelangrijk om te vermelden dat ook aan de KUL sinds dit jaar een post-graduaat cultuurbeleid georganiseerd wordt, weliswaar los van de Bijzondere Licentie Theaterwetenschap.

Gedeelde kennis

Bovenstaande verdeling is en blijft theoretisch. Maar geeft wel aan in welke richting een volwaardige universitaire opleiding in theater kan evolueren. Men mag niet verwachten dat ze precies de drie bovengeschetste afstanden tot het theater zou inhouden en bovendien oog zou hebben voor beleidsmatige aspecten? Zou men dan niet beter vier door een tekort aan middelen gehandicapte opleidingen samensmelten tot één interuniversitaire opleiding? Het idee van gedeelde kennis en middelen is niet nieuw en geïnterviewden zijn er, behalve bij de RUG, naar eigen zeggen voor te vinden.

Carlos Tindemans formuleerde ooit de ‘pool-opvatting’ voor theateronderzoek. De gedachtengang was dat iedereen die daartoe bereid was, aan een centraal onderzoekproject zou meewerken. “Zodat er een soort uitleenfunctie van kennis zou ontstaan, op permanente, structurele basis. De leeropdrachten aan de eigen universiteiten zouden kunnen doorgaan, en toch zouden deze mensen voortdurend investeren in een centrale interesse. Dat zou de wetenschappelijk volwassenheid van deze richting bevorderen.” Wat dit onderzoeksproject betreft, is ondertussen, aldus nog Tindemans, weinig vooruitgang geboekt.

Hij is ook een voorstander van wat hij een “intra-Vlaamse Erasmus-gedachte over theaterwetenschap” noemt. Studenten zouden dan aan de verschillende universiteiten die vakken volgen, waarvoor de bevoegdheid ter plaatse aanwezig is.

Maar woorden zijn verduldig. De opvattingen van de verschillende tenoren terzake liggen ver uit elkaar. Bovendien zou men dan ook locaal van alle universitaire en economische belangen moeten afzien en de hegemonie van de koepels doorbreken. Dat zal niet voor morgen zijn.

Interviews werden eind vorig academiejaar afgenomen. Recente wijzigingen, informatie en programma’s zijn te verkrijgen op onderstaande adressen:

VUB

D. Hellemans en R. Geerts, Pleinlaan 2 5B411,1050 Brussel, tel 02/ 641.26.60-02/641.26.45

RUG

Jacques Van Schoor, Blandijnberg 2, lok 0.24, 9000 Gent, tel 091/ 25.75.71

KUL

Secretariaat Theaterwetenschap Blijde Inkomststraat 21, lok 4.18, 3000 Leuven, tel. 0I6/28.48.73-016/28.48.83

UIA

Carlos Tindemans, Departement Germaanse Filologie, Universiteitsplein 1, 2610 Wilrijk, tel. 03/ 820.27.61-820.27.69.

artikel
Leestijd 12 — 15 minuten

Hildegard De Vuyst

Hildegard De Vuyst was tot 2016 dramaturg bij KVS, en werkt mee bij Les Ballets C de la B.

artikel