#183
08.09.2026
—
14.01.2027
Hildegard De Vuyst was tot 2016 dramaturg bij KVS, en werkt mee bij Les Ballets C de la B.
Het coronavirus doet niet alleen de straten, maar ook de theaterzalen leeglopen. Onder het mom ‘beter virtueel theater dan geen theater’ laten we enkele gedupeerde podiumkunstenaars aan het woord over hun afgelaste premières en de impact van corona op hun werk en leven.
NTGent verkeert in woelig water. Ingeperkte subsidies en interne strubbelingen leidden niet alleen tot het vertrek van artistiek leider Johan Simons, maar ook tot een wezenlijke identiteitscrisis. Hoe het schip weer vlot krijgen? Maar vooral: voor welke bestemming dan? Podiumtijdschrift Etcetera en cultuurmagazine rekto:verso vroegen negen uiteenlopende stemmen om het publieke debat aan te zwengelen met een eigen wervend toekomstvoorstel. Elke dag publiceren we de resultaten in duo op onze sites. De rol van het Gentse stadstheater is te belangrijk om ze alleen maar over te laten aan de raad van bestuur… Brainstorm hier rustig mee! NTGent verkeert in diepe crisis, interne disputen liggen op straat. Dat levert misschien niet altijd het fraaiste beeld op van de sector, maar op z’n minst maakt het ook publieke discussie mogelijk. Dat is volgens De Vuyst alleen maar toe te juichen. Waar moet het nu heen? Waar ze alvast niet in gelooft, is een artiest aan het roer van zo’n groot huis.
‘Oe ist oe ist oe ist? – Goe goe goe’. Een gesprek met een theatermaker die verdoken doorwerkt aan een œuvre hors des choses.
Dramaturg Hildegard De Vuyst stelt vragen over de context waarin een dramaturg ingezet wordt.
Twee kijkervaringen: Faust van Gustav Ernst door De Trust, gezien op 20 mei, en de laatste Sputnik van de Beursschouwburg, op 30 mei, een carte blanche-avond ingevuld door Toneelspelersgezelschap Stan. Op extreem verschillende wijze tonen ze iets van de worsteling van podiumkunstenaars met de werkelijkheid. Hildegard De Vuyst schrijft over de verwarring die dat bij haar als toeschouwer teweegbrengt. Buiten de fictie knaagt het onbehagen
‘Oe ist oe ist oe ist? — Goe goe goe! Hildegard De Vuyst in gesprek met een theatermaker die verdoken doorwerkt aan een œuvre hors des choses.
Het Gentse Muziek Lod is, behalve organisator van het Vertelfestival, ook een artiestenwerkplaats waar zoiets als ‘vertelmuziektheater’ wordt gemaakt. Bezieler is Hans Bruneel, huiscomponist is Dick Van der Harst. Het Muziek Lod bestaat vijf jaar. Hildegard De Vuyst tekent een portret.
Over de vrijblijvendheid van de jonge groepen en de malaise bij de kunstencentra. ‘Is dit de nog vormloze brei waaruit iets nieuws zal ontstaan?’ vraagt Hildegard De Vuyst.
Aan het begin van de jaren tachtig lijkt het Vlaamse theater opnieuw uit een lange dodenslaap te ontwaken. Een cohorte jonge, zelfbewuste en eigenzinnige theatermakers dient zich aan : voorloper Jan Decorte, Radeis, AKT, De Witte Kraai, Paul Peyskens, Guy Cassiers, Jan Fabre, Rosas, Marc Vanrunxt,… Zij konden en wilden niet langer werken binnen de gevestigde structuren. Zij vonden onderdak bij de zgn. werkplaatsen die voor hen de noodzakelijke ‘lege plek’ waren om zich te ontwikkelen.
In 1833 verschijnt in Moskou Jevgenij Onegin, een roman in verzen van Alexander Poesjkin. In mei 1877 vat Pjotr Tsjaikovski, dezelfde van Het Zwanenmeer, het plan op om op basis van Poesjkins monument, een opera te componeren. In eerste instantie wordt ene Sjilovski aangesproken om het libretto te schrijven maar later neemt Tsjaikovski deze taak grotendeels zelf ter harte. In februari 1878, op een zeer korte tijdspanne, is de partituur voltooid. Tsjaikovski wilde ze onder geen beding toevertrouwen aan de overjaarse zangers en de barokke traditie van de grote operahuizen. Het waren studenten en leraren van het Moskouse conservatorium die de opera een goed jaar na haar voltooiing voor het eerst opvoerden.
Klapstuk ’89 was voor Hildegard De Vuyst beslist een overgangseditie: een aanzet van krachtlijnen die in de toekomst moeten worden doorgetrokken, al is niet meteen duidelijk naar waar en door wie. De enige verwachtingen ter zake, worden hoe dan ook gewekt door de luciditeit waarmee dansers en choreografen met hun dansmateriaal omgaan. An-Marie Lambrechts illustreert: een greep uit de gesprekken die Ariejan Korteweg voerde met de danskunstenaars die op de affiche stonden. Als derde luik een bijdrage van Alexander Baervoets over het spokige dansonderricht in Vlaanderen.
Alize Zandwijk is van bij de start verbonden aan Toneelgroep Amsterdam waar ze steevast produkties maakt met jongeren. Na Iphigenia in Aulis, vorig seizoen, ensceneerde ze dit seizoen Voorjaarsontwaken van Wedekind. Volgend seizoen staat King Lear op het programma. Daarvoor werkte Zandwijk in het margetheater, o.a. bij Piek, Utrecht, en het kindertheater, o.a. bij De Blauwe Zebra, waarvoor ze De Beer van Tsjechov regisseerde, begin dit seizoen nog te zien op het Stekelbeesfestival.
Jan Ritsema, van opleiding docent in dramatische vorming, richtte in 1979 de International Theatre Bookshop in Amsterdam op. Zijn pedagogische theateractiviteiten ruilde hij stilaan in voor een professionele regie-arbeid. Hij ensceneerde bij het Werktheater en bij Maatschappij Discordia. Hij stichtte Mug met de Gouden Tand en was vorig seizoen verbonden aan Toneelgroep Amsterdam. Na één jaar verliet hij Amsterdams grote repertoiregezelschap o.a. om met Johan Leysen Wittgenstein Incorporated te maken binnen het Kaaitheater, Brussel en met jongeren Het heengaan te maken, een coproduktie van Stichting Cervelaat, Utrecht en De Krakeling, Amsterdam.
Ottone, Ottone vraagt op het eerste gezicht om een nieuw discours. Er wordt gewag gemaakt van een nieuw genre, de dans-opera. Betekent dat dat we geen sleutels hebben om tot deze voorstelling door te dringen? Het is een vaak gehoorde reactie. Ik weet niet. Welke sleutels heb je nodig om wanhoop te voelen, agressie, tederheid, onmacht?
Het Dossier Opleiding werd opgestart met een algemene inleiding in Etcetera 11. We concentreerden ons vervolgens op de Studio Herman Teirlinck (Etcetera 12), het RITCS (Etcetera 14), de conservatoria van Antwerpen, Gent en Brussel (Etcetera 17) en de alternatieve cursussen in de ‘vrije sector’ (Etcetera 19). Hoogste tijd inmiddels om de theorievorming over theater onder de loep te nemen: de theaterwetenschap. Hildegard De Vuyst bezocht samen met Leen Thielemans de vier universitaire kernen die de theaterwetenschap in hun curriculum opgenomen hebben. Marianne Van Kerkhoven plaatst er enkele bedenkingen bij.
Acteren kun je leren. Ontevreden over haar opleiding ging Chris Thys kijken waar dat wel kan. Van Gent trok ze naar Parma, Parijs en New York. Daar werd ze geconfronteerd met Strasbergs Method. Terloops houdt ze een pleidooi voor ensemblewerking.
“Wat is een rol spelen?” “Een papieren persoon levend maken”, zegt een meisje uit de zaal schuchter. “Heel mooi”, vindt Lutz. “Heb ik nog nooit gehoord. Bravo! (…) Toneelspelen is doen alsof, maar er wèl in geloven. Dan wordt het waar.” Ton Lutz tijdens een master-class met pupillen van de Rotterdamse Jeugdtheaterschool. Uit Shakespeare voor kinderen door Anita Löwenhardt in Trouw, maandag 30 mei 1988 (het Nederlandse dagblad was verkeerdelijk 31 mei 1988 gedateerd).
Er zijn van die voorstellingen die om één of andere reden belangwekkend zijn: omdat ze tot evenement gebombardeerd worden zoals de Aïda van Verdi, die voor het eerst in Luxor, zijn natuurlijke decor, opgevoerd wordt; omdat de thematiek die ze behandelen veel stof doet opwaaien, zoals Ghetto en De Palestijnse van Sobol; ter wille van hun historische waarde, zoals de wereldcreatie van Le Siège d’Ostende, dat zo’n vijftig jaar geleden door Michel de Ghelderode geschreven werd.
Wie Dans la solitude des champs de coton, het jongste toneelstuk van Bernard-Marie Koltès, onder handen krijgt, zou zich kunnen afvragen of deze overigens schitterende tekst wel ensceneerbaar is.
De titel die Valery Panov, artistiek directeur van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen, zijn jongste avondvullende creatie meegaf, deed vermoeden dat nieuwe paden zouden betreden worden.
De vzw Danspromotie uit Antwerpen brengt dit seizoen vier vrouwelijke “mainstream” choreografen naar België. Ginette Laurin, Elisa Monte en Jennifer Müller vertegenwoordigen de veelheid aan dansstijlen tussen klassiek en avantgarde in. Julie West, al sinds juli in België om met jonge dansers de nieuwe produktie Spatial Freeway op te zetten, vormde de voorhoede.