OPUS – Opera Ballet Vlaanderen
Precisie als affect
Rudi Laermans
© Raymond Mallentjer
De Miskenden van Stefaan Van Brabandt, waarin twee miskende kunstenaars alle rechtse en linkse (voor)oordelen over de culturele elite fileren, leunt nogal tegen het theater van Thomas Bernhard aan volgens Klaas Tindemans. De voorstelling is onderhoudend én scherp, maar theatraal wat dubbelzinnig.
Alle gelegenheden zijn goed om het nog eens over Thomas Bernhard te hebben. De Miskenden van Stefaan Van Brabandt is een stuk over klagende kunstenaars, die hun ressentiment uitbraken, op relatief beschaafde wijze en met een bescheiden theatraal decorum. Dat doet dus aan Thomas Bernhard denken. Bernhard voerde stuk na stuk verbitterde Oostenrijkers op leeftijd op, die hun oorlogsverleden – als dader, omstaander of slachtoffer – slecht verwerkt hadden en hun persoonlijke ongenoegens dan maar afreageerden op kunstenaars. Terwijl ze vaak zelf met iets artistieks of iets intellectueels meer dan hun brood verdienden.
Het hoogtepunt is Bernhards afscheidsstuk, Heldenplatz uit 1988, waarin de familie van een Joodse professor, die uit zijn appartement aan de Weense Heldenplatz de dood in was gesprongen, urenlang jeremieert over het nationaalsocialistische onderbewustzijn van de Oostenrijkers. Tot de weduwe doodvalt op het begrafenismaal, terwijl ze in haar hoofd alleen nog maar ‘Sieg Heil!’ hoort schreeuwen. Het schandaal was groot, 50 jaar na de Anschluss, toen een enthousiaste massa Hitler had toegejuicht op diezelfde Heldenplatz. Bernhard, de ultieme nestbevuiler van de Oostenrijkse natie, overleed enkele maanden na de première. Als wraak verbood hij in zijn testament elke nieuwe opvoering van zijn stukken in Oostenrijk, ten eeuwigen dage. Maar overtredingen van dit verbod worden gedoogd, en momenteel loopt in hetzelfde Burgtheater in Wenen, waar de tabloids destijds het schandaal maakten, een nieuwe enscenering van Heldenplatz in een regie Frank Castorf. Een trip van drieënhalf uur in de hel van de Euro-Amerikaanse wansmaak en hypocriet idealisme. Dit alles terzijde.
De Miskenden van Stefaan Van Brabandt leunt nogal tegen het theater van Thomas Bernhard aan, al komt de provocerende politieke lading die hij aan zijn bittere familiedrama’s meegaf hier amper aan de oppervlakte. Politiek komt eigenlijk niet eens expliciet ter sprake, op een goedkope sneer na. Maar voor de rest waart de geest van Bernhard rond: voortdurende herhalingen, wansmakelijke uitingen van hypochondrie, stemverheffingen tegen ingebeelde tegenstanders, veralgemenende veroordelingen van minstens de halve mensheid als proto-fascisten of in het beste geval hypocrieten. Een hoogst amusant universum, of het nu het Oostenrijk is van toenmalig president Kurt Waldheim, oud-SS-er in zelfontkenning, of het Vlaanderen van Jan Jambon, die probleemloos bijeenkomsten van alte Kameraden toesprak in een niet zo ver verleden.
In De Miskenden doen de kunstenaars Kris D’hondt (Greg Timmermans) en Mark Vanneste (Günther Lesage) niet zoveel onder voor de beruchte theatermaker Bruscon, titelfiguur in Der Theatermacher. Die fulmineerde zonder ophouden tegen een afwezig publiek in een landelijk achterafzaaltje, omringd door acolieten “Eigenlijk is er hier niets behalve varkensboerderijen en kerken. En nazi’s”. Deze diarree van bitterheid, rancune en frustratie is geen symptoom van een meningsverschil, de personages zijn het hartsgrondig eens over de verrotting van wereld en mensheid, er is geen drama, geen verrassing, er is al zeker geen plot. Er is alleen maar een eenzijdige situatie: twee miskende kunstenaars, de ene (Mark) comfortabel genesteld in zijn vaste benoeming aan de kunstacademie, de andere (Kris) levend van dag tot dag, nauwelijks iets verkopend, allebei zonder relaties, zonder kinderen, zonder vrienden – behalve met elkaar hebben ze een maandelijkse afspraak.
Hoe kan zo’n non-verhaal blijven boeien, anderhalf uur lang? Om te beginnen zorgt auteur Van Brabandt ervoor dat we uit de soms stinkende monden van Mark en Kris alle mogelijke linkse en rechtse (voor)oordelen over de ‘culturele elite’ te horen krijgen, en bij uitbreiding over de rest van de mensheid, het ‘klootjesvolk’ zoals dat ooit heette. Zo is artistieke waardering volgens hen helemaal gebaseerd op vriendjespolitiek, al heeft Mark zijn sculpturen op drukke rondpunten in Deinze en Overijse ook mogen maken op voorspraak van een bevriende schepen. Hij heeft een groot publiek, met de dagelijkse files, maar als Kris repliceert dat deze toeschouwers niet kiezen voor zijn werk, anders dan bij een tentoonstelling, wordt Mark even kwaad: het enige, minimale conflict tussen de vrienden. Minder anekdotisch maar daarom ook schrijnender is de klacht van Kris, over het ‘klassisme’ in de kunstwereld. Hij komt uit een milieu, uit een klasse waarin geen kunst, en amper cultuur aanwezig was, hoogstens meezingen bij Tien om te zien of een zaterdagavond naar Bart Kaëll. Zijn moeder kocht een namaak Millet-jas voor hem, een icoon van het snobisme in de jaren ’80, maar met die imitatie werd hij uitgelachen. Zijn moeder ging extra werken, kuisen in het zwart, om hem een échte Millet te kopen. Wansmaak, vernedering, uitsloverij, pestgedrag: zo kijkt de middenklasse op de onderklasse neer. En de wereld is blijven neerkijken op mensen zoals Kris.
Didier Eribon, de Franse intellectueel die ook uit de arbeidersklasse en -cultuur afkomstig is, stelt dat de indeling van de bevolking in klassen onuitroeibaar is, hoogstens tijdelijk te verdringen. Maar erger nog is de neiging van elke nieuwe generatie om die reële klassenverschillen – en de vooroordelen die er het gevolg van zijn, ten nadele van die zogenaamde onderklasse – te ontkennen: vroeger bestond dat misschien, zegt men dan, maar nu leven we in een klasseloze (en liefst ook kleurenblinde) samenleving.[1] Wat natuurlijk niet het geval is, zoals Kris op beeldende wijze aangeeft: “En nog iets dat ik nooit zal vergeten: die mensen lazen de Humo, die lag daar op tafel en ik bladerde daar toen ’s in en… ik vergeet het nooit: ik ontdekte dat wat wij thuis aanbaden dat Humo dat allemaal belachelijk maakte.” Tegenover dat ‘klassisme’ waar Kris levenslang onder lijdt, dat zijn artistiek én sociaal zelfbewustzijn heeft gefnuikt, staan de vooroordelen van Mark, veel cynischer, over vrouwen waarvan hij walgt, in een akelig seksistische tirade die volgt op zijn bekentenis dat hij impotent is na een prostaatoperatie. Ik ga het hier niet citeren, behalve de conclusie: “Enfin, niet appetijtelijk, ik zal het zo zeggen.” Waarna hij toch nog even doorgaat met zijn zielige geëmmer. De beschrijving van zijn eigen urologische problemen is trouwens nog minder ‘appetijtelijk’.
Van een plot is er in De Miskenden dus niet echt sprake, tenzij de aftakeling van beide klagers in hun verbale buikloop een ontwikkeling kan genoemd worden. Van Brabandt laat Kris eindigen met een mooi pleidooi voor de schoonheid, “da’s wat ik altijd wou: schoonheid toevoegen aan de wereld.” Waarna Mark nog even cynisch (of fatalistisch) besluit: “Moedig, ik vind het moedig van u, Kris, echt waar, moedig.” Maar een maand later zullen ze elkaar weer treffen, en dan gaan ze over dezelfde dingen zagen, af en toe onderbroken door de stopwoorden “ik ga erover ophouden.”

© Raymond Mallentjer
De voorstelling is onderhoudend én scherp, maar theatraal wat dubbelzinnig. Het gebrek aan handeling resulteert in een acteerstijl die typisch ‘front zaal’ is: Timmermans en Lesage kijken meestal de zaal in, ook in conversaties met korte zinnen, en ze reageren alert op elk kuchje en elk geschuifel. Af en toe kijken ze elkaar in de ogen, kort, om het contact niet te verliezen. De illusie van de intimiteit in het sobere appartement van de alleenstaande man – formica tafel, keukenstoelen, sterke drank die, gek genoeg, niet aangeraakt wordt – wringt met het publieke karakter van hun uitlatingen. Je begrijpt iets te snel dat ze deze klaagzangen al jarenlang tegen elkaar afsteken, elke maand opnieuw, misschien geleidelijk iets agressiever, maar nooit erover – hoewel dat ranzige seksisme, totaal humorloos, tegen de tolerantiegrens aanschurkt. Als toeschouwer weet je dus niet zo goed waar je naar zit te kijken. Voeren ze een nummertje op voor het toevallige publiek van die avond? Dat doen acteurs natuurlijk altijd, maar zijn ze zich daar als personage ook van bewust? Of geven ze een soort rondleiding in hun steeds bekrompener universum van miskende genieën, waarin alleen zij ronddwalen? Of zijn wij het, toeschouwers, kleinburgers, die hen zo irriteren? Daarvoor blijven ze veel te vriendelijk, ze durven ons niet aanvallen, zo lijkt het.
“De ergernis overstijgt de anekdote niet, of te zelden.”
Je krijgt helaas geen moment de indruk, hoogstens een beetje in de gevoeliger momenten van Kris, dat ze iets geniaals in hun mars hadden of hebben. Ze missen de radicaliteit van een Bruscon, ook een aansteller zonder achterban, die in de slotscène van Der Theatermacher vol mislukte special effects uitroept: “Maar als mensen mijn komedie begrijpen, heb ik geen zin meer om ze te spelen. (het dondert) Ons voordeel is, we beschuldigen niemand, alleen onszelf, nood aan zelfbeschuldiging, levenslang.” Dat is iets anders dan een cynisch complimentje voor de ‘moed’ van Kris, bewust armoezaaier en, mag ik hopen, begenadigd kunstenaar. Klagen over de miskenning van de kunstenaars kan een metafoor zijn voor het onbehagen in de politiek: niemand luistert nog naar ‘ons’, de ‘politiekers’ doen toch maar hun eigen zin. Dan zou de volgende vraag kunnen zijn: wie is ‘ons’? De boeren, de hardwerkende Vlamingen, de kleine pensioenen, de chemische industriëlen, de klimaatactivisten, de (anti-)wokers, de ‘culturo’s’? Maar verbindingen met de politiek ontbreken in de conversatie tussen deze miskenden, en dat maakt de jeremiades te vrijblijvend, behalve de passage over ‘klassisme’. Die uithaal raakt mij, doet mij langer nadenken, maar ook dit gesprek eindigt met een dooddoener, “maar het heeft mij uiteindelijk wel versterkt in plaats van verzwakt.” De ergernis overstijgt de anekdote niet, of te zelden.
Misschien ligt het aan de rechtlijnigheid van de tekst zelf, die weinig poëtische uitschuivers toelaat en daarmee soms wat stereotiep klinkt. Maar dit ongemakkelijke gevoel wordt flink goedgemaakt door twee virtuoze spelers: ik heb mij wel geweldig geamuseerd. Ze hadden, toen ik hen zag, niet hun beste avond (hoorde ik achteraf), maar hun métier en hun goesting zijn sterk genoeg. Elk repliek, elke herhaling is, gewild of ongewild, grappig. En de wat schaarse ontsnappingspogingen uit de logorroe – plots een tango in rood licht, een opvallende lange massage van Kris’ schouders – zijn aangename rustpunten. Toch niet alleen kommer en kwel, ook iets dat op liefde lijkt.
De speellijst van De miskenden vind je hier.
[1] Didier Eribon, La société comme verdict. Classes, identités, trajectoires, Paris : Fayard, 2013, p.154
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.