Jeroen Versteele

Leestijd 8 — 11 minuten

De bloedende plooi

Op het KunstenFESTIVALdesArts presenteerde de Poolse theatermaker Krzysztof Warlikowski zijn versie van Cleansed, een stuk van Sarah Kane dat in 2000 al eens in de KVS/de bottelarij werd geregisseerd door Franz Marijnen, in een vertaling van Dirk Van Bastelaere. Warlikowski’s enscenering was minstens even controversieel: sinds de première ontlokt ze hevige reacties bij toeschouwers die problemen hebben met dit weinig subtiele ‘in yer face‘-theater. Oszyszczeni is inderdaad een klap in het gezicht. Saskia de Coster schreef naar aanleiding van de voorstelling een filmscenario, waarvan we de aanvang hierbij publiceren.

In tegenstelling tot de theaterteksten die Kane schreef na dit stuk (Crave en 4.48 Psychosis), bevat Cleansed nogal wat vormelijk houvast: dialogen, de onderverdeling in twintig korte scènes, een narratief verloop. Verontrustend is echter de verschrikkelijke, atypische logica waarmee horrorscènes als vanzelfsprekend overvloeien in charmante liefdestaferelen. Flet is een ongrijpbare logica, zoals die van een nachtmerrie: personages duiken op, sterven en keren weer terug. Plots transformeert hun omgeving, of veranderen ze van geslacht en mentaliteit zonder te kunnen ontsnappen aan hun obsessies en angsten. Heerlijke fantasmen worden waargemaakt, om haast ongemerkt te verglijden in gruwelijke verkrachtingen en mutilaties.

Deze blending op narratief niveau wordt in de hand gewerkt door de enscenering van Warlikowski. Hij plaatst alle scènes in een even onveranderlijk als onbestemd decor, met één blikken en één doorzichtige zijwand. Scènes volgen elkaar in een nerveus tempo op, met telkens een fade-out van enkele seconden tussendoor waarin acteurs het speelvlak op- en afrennen. Sarah Kane voorzag haar tekst van duidelijke plaatsaanduidingen, maar Warlikowski begrijpt dat het sanatorium, de sporthal, de bibliotheek en de andere plekken in de universiteit waar Cleansed zich afspeelt eerder mindscapes zijn dan realistische locaties. Voor elke scène licht hij de nodige decordelen en attributen uit: het voorplan, een rij douches, een ziekenhuisbrancard, een gymnastiektuig, een badkuip. Naarmate het stuk vordert, worden er locaties met elkaar gecombineerd en ontstaan er vreemde werelden met samengestelde referenties. De bespeelde ruimte wordt steeds groter, en soms beslaat een scène zelfs het hele decor of baadt het hele podium in het licht van dromerige, kitscherige projecties op het achterplan en de zijwanden.

Het jachtige ritme van de opeenvolgende scènes in Warlikowski’s productie versterkt het effect dat Kanes genadeloze universum op je heeft. De van zelfsprekendheid waarmee de tekst tegengestelde emoties, zoals verlangen en gruwel of liefde en haat, in hun uiterste beleving aan elkaar weet te koppelen, is beangstigend. Op de duur verwordt het kantelmoment tussen affectie en afkeer tot een automatisme en versmelten beide extreme gevoelsladingen tot één onvatbare, krankzinnig makende gewaarwording. Het personage van Tinker is in dit opzicht heel toepasselijk. Hij is een kameleon die in vele scènes meespeelt, maar nooit juist dezelfde rol vervult. In zijn eerste twee optredens verschilt hij alvast hemelsbreed van zichzelf: in het begin is hij een dealer die Graham aanzet tot drugsgebruik (‘I’m a dealer, not a doctor‘), om in de volgende scène precies als dokter op te dagen die de overleden Graham net heeft laten cremeren. Nog later is hij een psychopatische gangleader die het gemunt heeft op homo’s (op zijn bevel wordt Carl afgetuigd, anaal verkracht en gemutileerd) en druggebruikers (hij elektrocuteert Grace). Hij is de chirurg die zich God waant en Graces borsten afsnijdt en haar een penis aannaait.

Maar Tinker is geen ééndimensionale duivel. De sadistische spelletjes waarbij hij andere personages ongestoord als proefpersonen voor zijn macabere experimenten en fantasmes gebruikt, lijken hun oorsprong te vinden in een verlangen naar liefde dat ook alle andere personages drijft. Dat wordt in deze versie van Warlikowski extra duidelijk door de proloog die hij aan het stuk toevoegt – eigenlijk een monoloog die uit het latere Crave is gelicht. Daarin bezingt een vrouw met betraande ogen en overslaande stem haar onvoorwaardelijke toewijding voor haar geliefde, in een monoloog die veel poëtischer, muzikaler en langer is dan de afgekapte en agressieve dialogen die de rest van de voorstelling kenmerken. Deze proloog zet een onderstroom in gang die de hele opvoering lang voelbaar blijft en voortdurend invloed uitoefent op de betekenis die je hecht aan wat je ziet. Het vervolg van de voorstelling krijgt de ondertoon van eenzelfde passionele overgave mee. Zo ook de daden van Tinkers verschuivende personages. Hij schippert tussen lust en medelijden voor zijn favoriete peepshow-stripteaseuse, maar ook tussen liefde en machtswellust als hij zijn onuitgesproken liefde voor Grace op de corpulente danseres projecteert. Met de geslachtsoperaties die hij uitvoert op Grace, helpt hij haar eigenlijk haar grootste verzuchting te verwezenlijken. Ook andere wreedheden bevatten een bodem van intense hartstocht. Hij ontdekt chocolaatjes die het personage Robin aan Grace wil geven in ruil voor haar leeslessen, waarop hij hem uit jaloezie alles laat opvreten en haar boeken laat kapotscheuren. Hoe afstotelijk en onvoorspelbaar Tinker ook te werk gaat, hij zet wél confrontaties en gebeurtenissen in gang die later ook louterend zullen blijken. Hij verkoopt Graham de fatale dosis drugs, maar laat Grace later toe tot het crematorium waar zij haar overleden broer ontmoet. Door haar zelfs Grahams kleren terug te geven, geeft Tinker al in een erg vroeg stadium een aanzet tot Graces geslachtsverandering, en stelt hij haar in staat de passie voor haar broer uit te vergroten. Een gelijkaardige rol speelt Tinker in de relatie tussen Rod en Carl. Hij verminkt de homo’s afschuwelijk, maar schept zo wel een situatie waarin ze elkaar eindelijk hun wederzijdse liefde kunnen bewijzen.

Tinker is een bijzondere, excessieve uitbeelding van hoe liefde zonder kanalisering de gruwelijkste meanders uitdiept, maar toch in dezelfde richting blijft stromen. Het is merkwaardig hoe elk van de onmogelijke liefdes (die van Grace voor haar broer Graham, die van Rod voor Carl, die tussen Tinker en de danseres) uiteindelijk toch in een plooi vallen, zij het een bloederig uitgesneden plooi. De danseres moet toegeven écht Grace te heten, alvorens Tinker glimlacht en haar zijn liefde verklaart. De identiteits- en geslachtswissel die Grace lichamelijk doormaakt, staat in contrast met haar zelfbewustzijn dat ze maar niet kwijtraakt (‘I look like him. Say you thought I was a man‘). De personages beleven in deze voorstelling bijgevolg niet alleen op emotioneel niveau, maar ook puur lichamelijk tegelijkertijd extase en impasse.

Leave no trace

TIMO, zoon van Walvis
JULIE, dochter van Walvis
WALVIS
498 broers
de beesten

TIMO
T:
Ik ben hier niet.
Niet bij de zee vol vreemde dieren.
Bij Walvis.
Bij Julie.
Ik ga niet met de stroom mee.
Ik ben wit als ijs. Ik spreek…
Ik spreek tegen.
Ik spreek tegen tegen mezelf…
Ze zullen kruipen.
Ze zullen alle kanten oprennen. Als kevers
wanneer je een tegel oplicht.
Kijk ik in hun ogen, plassen ze.
Zij.
Broertjes.
Zusje Julie.
En de zwarte walvis.

DE BROERS – ONWEER in de verte – NACHT
(Bij de beesten. Broers spreken om beurten)
Morsdood.
Hij was aan het praten met een ander beest op
een ander werelddeel.
Die waarschuwde hem dat de bliksem op weg
was om hier in te slaan.
Te laat.
Ik rook zwavel in de lucht…
Ik zag hem…
hij hapte naar lucht en sprong op.
Een bliksemschicht in zijn strot.
De golven knetterden.
Zijn ogen lichtten rood op in de nacht.
Het vuur kroop langs de kooien omhoog.
Nu blijft er zwart poeder achter
en loeihete stenen.
Walvis zal kwaad zijn.
Walvis slikt het onweer in.
Nauwelijks merkbaar trilt dat lichaam wanneer
de bliksem er in ronddanst.

JULIE EN WALVIS – kuip – NACHT
(Julie is Walvis aan het baden)
W: Julie! Eerst onweer, nu regen! Het is te veel.
Laat het ophouden, kleintje. En vertel, vertel wat
er overal aan het gebeuren is.
J: Regen… Een slagregen in het zeewater, zo gewelddadig
dat de vissen zullen verdrinken, ze staan net op het punt aan land te klimmen en…
W: Genoeg. Vertel me maar over iets anders. Over je dromen.
Wanneer mag ik daar eens binnen? Ik heb toch niets anders te doen. Of is er geen plaats?
Ben ik te breed om in je droom binnen te geraken, ben ik te zwaar, val ik los door je dromen
heen? En zeg eens, hoeveel uren heb ik nog te gaan? Ik tel af.
Ik heb mijn steen bijgedragen…
Vierhonderdnegenennegentig mannetjes op de wereld gezet…
En als laatste jou.
Timo is mijn lieveling. Mijn schilfertje van de maan.
Jij, jij doet me helemaal aan mezelf denken, Julie.
Vroeger was ik helemaal zoals jij.
Toen ik jouw leeftijd had
wilde ik naar het einde van de wereld gaan.
Als ik zwom, zwom ik me te pletter om aan de overkant te geraken voor het water op was.
Iedere dag draaide ik de wijzers van de klokken verder, om de tijd sneller voorbij te doen gaan.
Ik werkte zo hard om gedaan te hebben vóór ik kapot was.
Kreeg zoveel kleintjes om jong te blijven maar toch ben ik rot.

Mijn kleintjes.
Ik was er één voor één verliefd op toen ze geboren werden, op mijn jongetjes.
Het blijft niet duren.
Na een tijd gaan ze slapen wanneer jij alweer opstaat, ze spelen met woorden en kwalen die jij nooit hebt gekend en…
(tiert) Julie! Snel! Het begint binnen te regenen.

Hou de regen tegen.

Met de jaren worden de druppels zwaarder. Ze zijn loodzwaar. Loodbolletjes. Zo dadelijk slaan onze lichamen lek en worden we tot zinken gebracht.
Precies als vijfhonderd jaar geleden, ik weet het nog heel goed.
J: Vijfhonderd?
W: Dat kan niet, maar ik word langzaam gek. Waanzin komt met de jaren. Gelukkig heb ik nog maar één jaar te gaan.
Zal je trouwens wenen over een jaar? Mijn grote, harde lichaam van boven tot onder inwrijven met olie en mijn grote mond kussen en naar het trage stollen van mijn bloed luisteren?
Maar goed, ik was aan het vertellen… Tijdens een nacht, vijfhonderd jaar geleden, stak er een vreselijke storm op.
Dat lawaai van de regendruppels die in de wolken zaten te rammelen, Julie, als kasseien die ons zouden verpletteren…
J: (zij neemt over van Walvis die in slaap is gevallen
– al duizend maal heeft Julie dit verhaal gehoord)…
de hele nacht stortregens,
zodat de krabben ingedeukte schilden hadden
de oesters hun parels kwijt waren
en uw mond ‘s morgens
vol doorzeefde vissen zat.
De uitgeregende wolken zwommen nog rond in
huis.
Plots hoorde u een stem. Meegevoerd door een school vissen…
W: Hij… toen hij me hoorde gillen, ging hij weg,
maar eerst verontschuldigde hij zich.
Was hij maar verdronken in de zondvloed. Zijn stem droeg zo ver. Ik kon zijn stem onmogelijk vergeten. Over de bodem van de oceaan galmde zijn bas nog na, van de noordpool tot de zuidpool. Zijn woorden bereikten de haaien, die ze doorgaven aan de krabben, die haakten zich vast aan de walvissen
en de walvissen spoten de woorden de hoogte in. De woorden kwamen boven en vervlochten
met algen dreven ze naar mij toe.
Even later kwam hij terug, achter zijn eigen woorden aan. Hij had zichzelf teruggeroepen.
Hij bleef.
‘s Nachts lag hij met wijdopen gesperde ogen te luisteren. Hij ging bij het water zitten wanneer ik sliep. Vissen kwamen in zijn oren fluisteren. Ze zwommen voor de tijd uit.
Hij herhaalde wat de vissen hem vertelden.
Hij wees de plaats aan waar olie uit de grond zou opborrelen.
In een pasgeborene zag hij de nakomelingen al zitten.
Hij wees de hand aan die later gewurgd zou hebben.
Doodmoe werd hij er op de duur van.
De toekomst had hem al opgebrand nog voor zijn lichaam er aangekomen was. Vissen schraapten ononderbroken met hun vinnen langs de binnenkant van zijn hoofd.
Rode vissenogen staarden door de twee gaten in zijn hoofd de nacht in.
Hij heeft olie gedronken. Een lucifer aangestreken.
De lucifer ingeslikt.
…Niet krabben Julie!…
Precies op de dag waarop Timo verdwenen is. Er is niet zoiets als toeval, Julie… Kijk naar mij als ik tot je spreek.
J: Timo is terug.
W: Ziet hij er een beetje behoorlijk uit? Waar is hij? Zal hij blijven?
Kom hier, en hou nu op met eindeloos rond te rennen. Ik word er zenuwachtig van. We moeten ons opmaken. Dadelijk staat Timo hier.
(Walvis maakt Julie op)
Nu zie je er ouder uit dan je ooit zal worden. Je ziet er afschuwelijk uit.
Goed, nu kan ik je tenminste verliefd laten worden zonder dat ik mijn hart moet vasthouden.

Ocsyszceni (Cleansed)

TEKST Sarah Kane

VERTALING Krzysztof Warlikowski & Jacek Poniedzialek

REGIE Krzysztof Warlikowski

SPEL Stanislawa Celinska, Mariusz Bonaszewski, Malgorzata Hajewska-Krzysztofik, Renate Jett, Redbad Klynstra, Leon Voorberg, Thomas Schweiberer, Tomasz Tyndyk, Fabian Wlodarek

ZANG Renate Jett

LICHT Felice Ross

COPRODUCTIE Teatr Wspolczesny (Wroclaw).Teatr Rozmaitosci (Varsovie), Teatr Polski (Poznan), Hebbel Theater (Berlin),THEOREM

PREMIÈRE 15 december 2001, Teatr Wspolczesny (Wroclaw)

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#93

15.10.2004

14.01.2005

Jeroen Versteele

Jeroen Versteele (1980) werkt als dramaturg bij NTGent en
bij acteursgroep Wunderbaum. Voor De Morgen schrijft hij
interviews en boekrecensies.