Katrien Darras

Leestijd 14 — 17 minuten

Bart Caron: “We denken niet in termen van ruimtelijke ordening”

Over het verschil tussen een publieke voorziening en een kunstorganisatie

De eerste versie van het ontwerp van decreet op de culturele centra en het gemeentelijk cultuurbeleid zorgde voor nogal wat opschudding. Zowel journalisten als cultuurwerkers verbaasden zich over de nieuwe indeling van de culturele centra, waarbij het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als grondslag gebruikt wordt. De huidige artistieke werking van een aantal centra wordt daarbij genegeerd. In de vorige Etcetera kon u lezen over de technische aspecten van het decreet. Over de achterliggende gedachten liet Etcetera Bart Caron aan het woord. Caron is kabinetsmedewerker van minister van Cultuur Bert Anciaux en stond mee aan de wieg van het nieuwe decreet.

Bart Caron: Je moet een fundamenteel onderscheid maken tussen een ‘kunstenhuis’ in brede zin en een cultureel centrum. Een ‘kunstenhuis’ gaat uit van de artistieke visie van de artistiek leider, die een tijdlang een inhoudelijk project uitzet. Zo’n ‘kunstenhuis’ beoordeel je op artistieke gronden; de fysieke plek is op zich niet belangrijk. Je voedt als beleidsmaker hierin de kunstproductie, de creatie, het ‘privé-initiatief’ van de kunstenaars. De culturele centra daarentegen vertrekken niet van een artistiek project, maar van het idee van een publieke voorziening, d.w.z. ze zijn een initiatief van de overheid. De decreten die er sinds 1978 geweest zijn, hebben het begrip cultureel centrum altijd breed benaderd en dat heeft zijn doel niet gemist: dit is een belangrijk succesverhaal geworden, ik geloof zelfs enig in Europa. Dat aspect voorziening, en de rol van de overheid die van meet af aan heel groot was, staan in feite haaks op het idee van ‘artistieke vrijheid’ en ‘artistieke ontwikkeling’.

Het woord ‘voorziening’ geeft veel meer de ‘garageboxfunctie’ van de culturele centra aan: ze zijn ter beschikking van wie ze wil gebruiken. Voor een gemeente of stad is een cultureel centrum een publieke voorziening, zoals ook de burgerlijke stand er één is. Cultuur is daarin dan een heel breed concept: educatieve en sociaal-culturele activiteiten van welke signatuur ook, de presentatie van kunstproducten, enz. Het gaat ook om het geloof in de ‘horizontale spreiding’ van de jaren zestig en zeventig, met name dat er een groot publieksbereik kon zijn voor cultuur in de brede zin van het woord als er in iedere gemeente, in ieder dorp maar één cultureel centrum was. Het idee van Van Elslande en Van Mechelen ging daarvan uit; er zouden bij wijze van spreken duizend culturele centra gekomen zijn, een ambitieus plan dat toen mee ingegeven was door de problemen van de verzuilde infrastructuren die het hoofd niet meer boven water konden houden, en door de toenemende infrastructuurnoden van publiek en organisatoren.

De decreten waren zo gemaakt dat de gemeentebesturen die initiatieven namen, geld kregen. In het begin was dat alleen voor de infrastructuur, later ook voor de werking. In de loop van dat lange traject zijn er twee belangrijke bevindingen gemaakt. Ten eerste, met de horizontale spreiding van infrastructuur alleen krijg je niet het gewenste effect van cultuurparticipatie; er zijn meer drempels dan alleen maar de fysieke nabijheid. Ten tweede, in het landschap van de culturele centra heb je een ontwikkeling gehad van interessante mensen, ‘trekkers’ (soms zijn dat directeurs of staffunctionarissen, soms schepenen of voorzitters van de raad van beheer) die ervoor gezorgd hebben dat er in hun cultureel centrum een ongelooflijke dynamiek kwam en een bepaald profiel. Met andere woorden: de voorzieningen blijven dezelfde, maar daarbinnen krijg je gezichten.

Breed sporen

Etcetera: De Warande in Turnhout is waarschijnlijk het voorbeeld bij uitstek: een heel breed sporend centrum, maar wel met een gezicht en een dominantie in dat deel van Vlaanderen.

Caron: Er is een belangrijke knik richting kunsten op plekken waar zich geen andere ‘kunstenhuizen’ (ensembles, kunstencentra, enz.) aandienen, of waar kunstenaars de facto moesten terugvallen op het cultureel centrum. Ook daarvan is De Warande het perfecte voorbeeld: denk maar aan Het Gevolg, Theater Stap, maar nu ook aan Focus op het Zuiden. Dat zijn voorbeelden van hoe zo’n groot huis een aantrekkingskracht genereert voor artiesten. Nu is er een merkwaardige vaststelling: hoe stedelijker een context, hoe meer artistieke en culturele actoren zich er ontwikkelen. De stad is nog steeds de voedingsbodem voor artistieke vernieuwing. Dat heeft vreemde gevolgen: in Antwerpen b.v. zie je dat de culturele centra een relatief marginale rol spelen. Je hebt immers het aanbod van Het Toneelhuis, Monty, noem maar op. Antwerpen is qua culturele actoren zowat de best gesubsidieerde stad. De culturele centra zijn daar dus geen opvangkanaal voor artistieke ontwikkeling; met hun ‘breedsporigheid’ lopen de culturele centra zelfs een beetje verdwaald in die stad met een groot aanbod specifiek voor elke discipline. Je merkt tegelijkertijd ook dat de culturele centra die zich wel profileren er toch in slagen om er een beetje bovenuit te steken. CC Berchem b.v. slaagt er toch in met hun theaterwerking en met de link tussen de lokale migrantengemeenschappen en de hedendaagse dans hun cultureel centrum op de kaart te zetten. In een kleinstedelijke context heb je minder ‘concurrenten’, waardoor de rol van de culturele centra sterker wordt.

Turnhout b.v. is de kleinste regionale stad. Als je naar kleinere steden zoals Lier of Dendermonde gaat, of nog kleiner, dan kan je daar natuurlijk ook interessante culturele centra tegenkomen, maar artistieke ontwikkeling is toch vooral een stedelijke aangelegenheid. Hoe dichter je naar grote steden als Gent en Antwerpen gaat, hoe kleiner het belang van culturele centra en hoe groter dat van particuliere initiatieven. Er zijn ook tussenposities als Brugge, Mechelen, Kortrijk, waar particuliere initiatieven naast de culturele centra staan. In minder verstedelijkte gebieden heb je natuurlijk minder culturele centra, maar je hebt zeker geen andere, artistieke actoren meer. En dit geldt niet alleen voor het theater (de podiumkunsten), maar ook voor muziek en voor b.v. educatie.

Etcetera: Van het gegeven van de stedelijke inbedding van cultuur naar het huidige strakke ‘masterplan’ op basis van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is toch een grote sprong?

Caron: Mensen uit de kunstenwereld vinden dit alles vreemd. Zij vinden dat je moet kijken wat zich lokaal ontwikkelt en dat moet je ondersteunen. Wat niet ‘tof’ is moet je volgens hen afstoten. Maar zo werkt het dus niet: we werken hier niet met particuliere, wel met publieke voorzieningen. Een cultureel centrum begint met een infrastructuur. Die wordt niet gebouwd door de man of vrouw die het leidt, maar door een gemeentebestuur. Vaak wordt de directie zelfs maar aangenomen nadat het gebouw er staat, waardoor je natuurlijk problemen krijgt van een niet aangepaste infrastructuur, enz. Pas dan begint de werking, en niet omgekeerd; het gaat om de publieke voorziening en die blijft het vertrekpunt. Meer nog, dat in één of andere gemeente een interessante staf werkt, is puur toeval.

We willen op de tendensen die we vaststelden inspelen en de culturele centra die nu uitstraling hebben duidelijk blijven subsidiëren en ze meer aantrekkingskracht, meer profileringkansen aanbieden, en een groter publieksbereik, een grotere spreidingscapaciteit van professionele voorstellingen, tentoonstellingen, enz. Als je dat wil doen moet je een zekere ordening maken en tegelijk de artistieke en sociaal-culturele inventiviteit en dynamiek belonen. We willen twee dingen bereiken. Ten eerste, in de kleinste gemeenten in Vlaanderen moet er een minimale infrastructuur zijn, we noemen die ‘gemeenschapscentra’ of ‘lokale culturele centra’, waar geen specifieke professionaliteit aan vast hangt. Deze centra variëren van kleinst naar heel groot. Ten tweede, vanaf een bepaald niveau moet je extra investeren in die culturele centra, zodat die profileringkansen krijgen en een artistieke ontwikkeling mogelijk wordt. Daarvoor moet je parameters ontwikkelen. En op een bepaald punt moet je een keuze maken.

Op de schaal van één inwoner tot de allergrootste stad hebben we cesuren aangebracht: tot hier spreken we over ‘gemeenschapscentra’ of ‘lokale culturele centra’, zoals ze in de definitieve tekst van het decreet zullen heten; de grotere zijn ‘regionale culturele centra’. Het ontwikkelen van parameters voor het vastleggen van die cesuren was het moeilijkste, omdat er in Vlaanderen weinig of geen wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn die publieksstromen, aantrekkingskrachten, motieven voor deelname en motieven voor niet-deelname op bepaalde plekken en ten aanzien van een bepaald aanbod in kaart brengt. Er is enkel het onderzoek geweest van Jan Colpaert en Miek De Kepperen er is de indelingsgrond in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Die hebben we gebruikt bij gebrek aan beter. Er loopt nu trouwens een onderzoek van Rudi Laermans, Jan Colpaert en Hans Waege rond culturele regiovorming, dat ons misschien een aantal andere parameters kan aanreiken om in de toekomst correcties aan te brengen.

Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is mee tot stand gekomen op basis van een vooronderzoek van professor Van Hecke, sociaal geograaf aan de KU Leuven, die een stedelijke hiërarchie opgesteld heeft gebaseerd op allerlei factoren. Dat is ons vertrekpunt: we denken niet in termen van ruimtelijke ordening, maar van stedelijke hiërarchie en culturele centrumfuncties. Hij heeft op basis van zes criteria die stedelijkheid gerangschikt: één van die zes was cultuur en het heeft uiteindelijk zelfs een dubbel statistisch gewicht gekregen. Hij heeft daarvoor het aantal bioscopen, theaters, bibliotheekvoorzieningen enz. in kaart gebracht. Andere criteria zijn de openbare dienstverlening (b.v. de aanwezigheid van justitie) of de kleinhandel, overigens de enige echte economische parameter. Daar bovenop heeft hij rekening gehouden met de fluxen van het publiek. Waarom gaan de mensen van punt a naar punt b? Waarom gaan de mensen naar de stad voor een bepaalde school? Omdat er een specifiek aanbod is. Hij heeft richtingen en densiteiten van de bewegingen van het publiek naar de centrumsteden onderzocht en in kaart gebracht. Op basis van beide elementen heeft Van Hecke een rangschikking gemaakt.

Nu, wij zijn er ook van overtuigd dat cultuur in de stad geen alleenstaand gegeven is. Cultuur is in al zijn facetten logischerwijze verbonden met andere fenomenen: de aanwezigheid van leuke cafés en restaurants b.v.; denk ook aan het rechtstreeks verband tussen kunstonderwijs en artistieke aanwezigheid. Er zijn heel wat van die interferenties, en die samenhang van stedelijkheid en culturele ontwikkeling heeft ons doen besluiten het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als grondslag te gebruiken. Bovendien is er een heel grote correlatie tussen de resultaten van Van Hecke en de analyse die Colpaert en De Kepper gemaakt hadden van het cultuurspreidend aanbod in Vlaanderen. Als je van een indeling op louter culturele/artistieke criteria vertrekt, dan knip je namelijk het verband met de stedelijkheid in al die andere facetten door.

Wij zijn van dat structuurplan uitgegaan, maar je moet dat relativeren: we zeggen niet dat steden met een bepaalde stedelijkheid een bepaald type cultureel centrum moéten hebben. We vinden wel dat ze een cultureel centrum in een bepaalde categorie kunnen hebben.

Oostende kan volgens haar stedelijkheid in de A-categorie geraken, maar Oostende heeft geen cultureel centrum -op termijn kunnen ze natuurlijk wel een groot regionaal cultureel centrum uitbouwen. De indeling van de steden in categorieën in het ontwerpdecreet bepaalt m.a.w. een soort van ‘potentie’. We willen daarnaast ook de uitstraling en de inventiviteit van bepaalde centra erkennen. Daarom hebben we nu voor het eerst in de context van de culturele centra een kwaliteitsbeoordeling ingebracht. Een vierde van het budget wordt bepaald op basis van de kwaliteit, door een beoordelingscommissie, op basis van een beleidsplan. Dat kan resulteren in een aantal heel belangrijke correcties op de formele indeling in categorieën. Een centrum als De Warande zal op basis van zijn werking vermoedelijk onmiddellijk al een aanzienlijke variabele subsidie krijgen. De variabele subsidie is nu vastgelegd op een vierde, maar als we er in de toekomst in slagen om meer krediet vast te krijgen, dan zou ik het extra krediet liefst in de variabele pot stoppen. De cijfers zijn nu wel al van dien aard dat kleine centra met een uitstekende werking in de eindafrekening een stuk meer subsidie kunnen krijgen dan een groter cultureel centrum met een slechte werking.

Vangnet

Etcetera: In de hoogste categorie verandert er structureel niet zoveel; in bijna alle grote steden is er een goed uitgerust cultureel centrum. De nieuwe categorieën zullen toch vooral onder aan de ladder voor ernstige verschuivingen zorgen.

Caron: Aan de onderkant van de categorieën heb je natuurlijk altijd een probleem. Als je de lat op 1m80 legt en ik spring 1m81 en jij 1m79, dan verschilt dat niet veel, maar jij valt er wel uit. En dat is een probleem. Daarom is er een vangnet gecreëerd. Elke gemeente kan een infrastructuur hebben; ze kunnen er via de cultuurbeleidscoördinator en het cultuurbeleidsplan van de gemeente ook een subsidie voor krijgen. In de laatste ontwerpteksten hebben we nu ook een extra budget voorzien voor variabele subsidie, om de leukste projecten van de lokale centra te kunnen honoreren. Dan kunnen we zo in de kritische zone nog corrigeren; want als je de lat een beetje lager legt, dan zijn er natuurlijk weer andere mensen die er nipt uitvallen. Je moet als beleidsmaker nu eenmaal een keuze maken, en die is onvermijdelijk arbitrair.

Bovendien hebben een aantal historische elementen meegespeeld. Denk maar aan centra als CC Strombeek (Grimbergen) en Westrand in Dilbeek. Zij zouden in de hiërarchie van de steden uit de boot vallen, terwijl het al twintig jaar een optie geweest is om in de Vlaamse Rand rond Brussel de ‘Gordel van Smaragd’ uit te bouwen. Die culturele centra, die toen vaak met geld van de Vlaamse Gemeenschap zijn gebouwd, hebben ondertussen een positie verworven -ze halen tussen haakjes zelfs een deel publiek uit Brussel weg- en dus hebben we ook daar een correctie toegepast. We gooien het niet weg. En je moet eerlijk zijn: in Brussel missen we het klassieke spreidingshuis. De Brusselse Gemeenschapscentra hebben niet de infrastructuur om b.v. het Vrije circuit’ zoals Kommil Foo en De Nieuwe Snaar te presenteren. Als we dat in Brusselzouden hebben, dan zouden we nu misschien anders zijn omgegaan met Grimbergen en Dilbeek. Maar het is natuurlijk de VGC die initiatief moet nemen in het beleid qua culturele centra in Brussel. Wij maken een decreet dat een kader schept en een aantal grenzen afbakent en daardoor indirect stimuli geeft, Voorwaardenscheppend’ is en niet rechtstreeks ingrijpt. Wij hebben al bij al relatief genereus correctiemechanismen ingebouwd in een vrij strak basisschema.

Eén van de anomalieën in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, met betrekking tot cultuur althans, is dat men binnen een gebied altijd de kernstad heeft gedefinieerd. Indien rond de kernstad allemaal kleine kernen liggen, dan is ook dat een logische samenhang. Als sommige randgemeenten groot zijn, is de samenhang al niet meer zo logisch. Die vaak grotere gemeenten worden door het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen meestal toch als het ‘buitengebied’ beschouwd. En daar heb je cultureel gezien een vreemde situatie. Want je hebt enerzijds gemeenten met 30.000 inwoners in een randgebied, en dan anderzijds ook gemeenten met 15.000 inwoners die zelf kernstad zijn. Zo heb je in de Vlaamse Rand grote gemeenten als Dilbeek en Grimbergen, in het Antwerpse Brasschaat en Schoten, in het Gentse Evergem, enz.

Omwille van deze scheeftrekkingen zijn wij vragende partij voor het onderzoek naar culturele regio’s: het in kaart brengen van de fluxen, uitwisseling van publiek, zodat we een aantal dingen kunnen oplossen. Want nu is alles strikt vanuit de gemeente gedacht. Je zou natuurlijk ook stadsgewestelijk kunnen denken, of culturele regio’s afbakenen en een geïntegreerd cultuurbeleid ontwikkelen voor die hele regio. Je hebt dan geen verhaal meer van steden, maar van interferenties. Je hebt b.v. Gent, Waregem en Kortrijk. Wellicht is de flux van Waregem naar Gent groter dan de flux naar Kortrijk, zelfs al ligt het verder weg. Dat weten we nu dus niet. Of misschien is Waregem een cultureel gebied op zichzelf. Of de gebieden van Waregem en Gent lopen ergens in elkaar over. En afhankelijk van hoe hoog je de lat legt kan je Vlaanderen indelen in 15, maar ook in 50 of 75 culturele regio’s. Alleen hebben we momenteel niet de ‘tools’ om dat te doen.

Etcetera: Het ontwerp van decreet moet dus tegelijkertijd de spreiding (geografisch en economisch) optimaliseren én een geïntegreerd gecoördineerd cultuurbeleid in de gemeenten stimuleren én kwaliteitsnormen invoeren, maar een nieuw decreet is altijd een bijsturing van, een ingreep in een bestaande situatie. De centra die nu groot geworden zijn (zowel in infrastructuur als in artistieke werking) hebben daar een lange tijd over gedaan. Kleinere of recentere culturele centra hebben een kleiner parcours afgelegd en misschien minder adelbrieven voor te leggen. Zullen zij niet vastlopen in het formele karakter van de spreidingsparameters? Worden ze niet op voorhand al de vleugels ingeknipt?

Caron: Ja en nee. Het feit dat wij hun een zekere rol toebedelen, lokaal of regionaal, d.w.z. met of zonder spreidende opdracht, mag hen niet beletten om dingen te doen.

‘Feel free.’ Als ze ruimte hebben, dat ze die dan benutten en er fantastische dingen doen. Maar ze kunnen niet verwachten dat de overheid die fantastische dingen ook een voor een gaat subsidiëren. Wij subsidiëren hun rol, en als ze vinden dat de rol die ze moeten spelen groter is, dan is dat geen enkel probleem, maar daarvoor moeten ze niet bij de Vlaamse Gemeenschap zijn. Tenzij onder de vorm van de variabele subsidie. Dat zaait misschien onduidelijkheid: dat we wel een stevige variabele subsidie in het vooruitzicht stellen, maar toch duidelijk rollen afbakenen en de centra categoriseren. Totnogtoe is het altijd omgekeerd geweest: de overheid subsidieerde wat men lokaal deed. En als men lokaal reusachtige ambities had, dan kon men relatief veel geld krijgen. Maar er zijn grenzen aan zo’n systeem. Als je ziet dat we nu amper 400 miljoen aan de culturele centra kunnen besteden -zo’n 10 à 12 procent van de omzet van de culturele centra- dan begrijp je dat de lokale ambitie nooit in verhouding gestaan heeft tot de subsidie. De lokale beleidsruimte was groot en blijft groot.

De hele discussie over de categorieën is erg relatief, want de subsidie die wij aan de culturele centra geven is, zoals gezegd, slechts een fractie van hun omzet en door het nieuwe geïntegreerde gemeentelijk cultuurbeleid zullen ze finaal meer middelen krijgen dan nu. Het is niet dat ze niet kunnen blijven werken of zo. Het gaat enkel om de status: run je een lokaal cultureel centrum of een regionaal? En dat is psychologisch wel moeilijk, maar het illustreert wel een ander punt. Bijvoorbeeld: je werkt in een klein cultureel centrum en je doet er fantastische dingen, maar je loopt met je kop tegen de muur, omdat je raad van bestuur of je politiek bestuur je niet wil volgen, of omdat je te hoog mikt. Wat doe je dan? Je zoekt een andere job, een plek waar je je creativiteit wel kwijt kunt. Als je in een kunstencentrum zou werken, dan zou je een eigen subsidiedossier indienen om op die plek te doen wat jij wilt. Ook daarin ligt het verschil tussen een publieke voorziening en een kunstorganisatie. Want, als jij in een kleine gemeente werkt, zoals bijvoorbeeld Lint of Opglabbeek, moet dat gemeentebestuur dan 10 miljoen krijgen omdat jij daar werkt? Of moet jij je creativiteit ontwikkelen op een plek waar dat het juiste publiek vindt, waar je veel meer contact hebt met artiesten, m.a.w. in een verstedelijkte context? Dat is de cruciale vraag.

Wat het ontwerpdecreet eigenlijk doet, is de hardheid van die vraag in een indelingsgrond omzetten en er tegelijkertijd een kwaliteitsbeoordeling aan koppelen. Iedereen in de sector is daar bang van; zij willen hard geld en rechtszekerheid. Wij blijven hen prikkelen want ondanks het aspect ‘publieke dienst’ of ‘voorziening’ moet er een kwaliteitsverschil gedefinieerd kunnen worden. Het zijn culturele centra, maar van mij mogen de goede mensen er ook uitspringen. Dienstverlenend zijn staat niet noodzakelijk haaks op een artistieke ontwikkeling.

Coördinatoren

Etcetera: Een sleutelrol daarin is weggelegd voor de nieuwe ‘cultuurbeleidscoördinatoren’. Is er al duidelijkheid over het profiel van die mensen?

Caron: Afhankelijk van de grootte van de gemeenten heb je natuurlijk wel verschillende rollen. In de steden heb je iemand die vooral coördineert, en die maakt dat er een geïntegreerd beleid tot stand komt. In kleine gemeenten zal het veeleer iemand zijn die het gemeenschapscentrum exploiteert en een kleine aanvullende programmering maakt, die zich bezighoudt met de problematieken van het verenigingsleven en de infrastructuur. Het wordt ook een contactpersoon voor de particuliere initiatieven, iemand die ‘on speaking terms’ kan zijn met de kunstenaars, waardoor er ook een spanning kan ontstaan tussen die twee soorten culturele aanwezigheid in de stad. Eigenlijk willen we gewoon dat er discussie komt, dat er ruzie gemaakt wordt. De cultuurcoördinator moet iemand zijn met voldoende autoriteit. Hij of zij moet op hetzelfde niveau kunnen staan als de hoofdbibliothecaris en de directeur van de muziekschool. Als je daar de jongste en minst ervaren persoon bent, dan lukt dat dus niet. Je moet er wel staan.

Het moet ook iemand zijn die de rode draad weeft, die ervoor zorgt dat de mensen samen rond de tafel zitten, zodat hun werkingen op elkaar afgestemd worden, en die een vertrouwenspersoon is tussen de politiek en het veld. Het is een vrij delicate positie, maar dat heeft allemaal veel te maken met het feit dat er vroeger veel eilandjes gecreëerd zijn door al die aparte decreten. En dat die opnieuw samengebracht worden zal zeker spanning en discussie teweegbrengen. Hoe kan je cultuur nu belangrijk maken, tenzij je erover begint te discussiëren? De coördinator is geen compromisfiguur, maar iemand die de aandacht voor cultuur in de gemeente aanzwengelt. Verroeste structuren van cultuurraden moeten doorbroken worden voor nieuwe vormen van overleg, plaatsen waar gediscussieerd kan worden over het cultuurbeleidsplan. En wij weten ook wel dat het op een aantal plaatsen oude wijn in nieuwe zakken zal zijn, of dat er gewoon niets zal gebeuren. Maar in andere zal er veel vernieuwing zijn. Met dat nieuwe beleid geven we tegelijkertijd ook nieuwe ‘tools’ aan schepenen, zodat de schepen van Cultuur niet meer de laatste schepen is. Dat beeld is al een tijdje aan het veranderen, maar er is nog veel werk. En ons ontwerp van decreet wil daarvoor een instrumentarium aanreiken. Als de schepen geld wil, dan moet hij een plan maken, en nadenken over wat hij wil gaan doen en wat niet. In het uitvoeringsbesluit gaan we bovendien vastleggen dat de coördinator de redactie van het plan voor zijn rekening moet nemen, zodat we zeker geen bureaus krijgen die hun diensten aanbieden. Vandaar dat het niveau van de coördinator hoog moet zijn. Bovendien zijn de criteria om subsidie te krijgen redelijk streng: je moet een plan schrijven en indienen dat over alle terreinen van de cultuur gaat, je moet een infrastructuur hebben. Je krijgt een behoorlijke subsidie, maar je moet er echt voor gaan. We mikken dan ook niet op 100% participatie op korte termijn; ik denk dat er op relatief korte termijn 150 à 200 gemeenten zullen meedoen. En we zullen ook streng toezien.

Op zich kost het nieuwe decreet weinig aan de gemeenten. Er is relatief veel financiële ruimte: cultuur is al met 2,5 miljard BEF (dat is 25%) gestegen sinds het begin van de legislatuur. Wij investeren nu in totaal 1,2 miljard BEF nieuw geld in de gemeenten. De kosten voor een cultuurbeleidscoördinator worden quasi integraal door ons betaald; daar bovenop krijgt men 40 BEF per inwoner, die men vrij kan besteden. Het budget voor de culturele centra zelf stijgt gering, maar dan wel voor 40 à 50 centra minder. Maar wanneer het opmaken van het beleidsplan ongelooflijke ideeën losmaakt, dan zal dat wel iets kosten. En daar is het ons ook om te doen, laat ons eerlijk zijn. Als je aandacht wil voor cultuur, dan gaat dat iets kosten; en ook op gemeentelijk vlak gaat het dan om een strijd tussen beleidsterreinen. Met het decreet zoals het er nu ligt jagen we niemand op kosten, maar gaan ze ver mee, dan zal het hen extra geld kosten. Wij willen gewoon dat cultuur stijgt op de rangorde van de gemeentelijke beleidsterreinen. En het is toch gewoon leuk dat je op landelijk niveau de dingen kan dynamiseren, zonder het lokale beleid al in te vullen.

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

gesprek
Leestijd 14 — 17 minuten

#77

15.06.2001

14.09.2001

Katrien Darras

Katrien Darras, redacteur van Etcetera, is licenciate in de Kunstwetenschappen en behaalde het aanvullend diploma Culturele Studies aan de K.U.Leuven.