Outside eyes uit Iran: Nasim Ahmadpour
Als macht afwezigheid performt [NL]
Nasim Ahmadpour
© Celine Pourveur Rhok
In Seppuku. De begrafenis van Mishima of het plezier van sterven houdt de Spaanse theatermaakster Angélica Liddell een requiem voor haar muze, de Japanse schrijver en zelfmoordenaar Yukio Mishima, met wie ze een obsessieve doodsdrift deelt. Misschien heeft Liddell geluk, want romantische, zelfmythologiserende kunstenaars als zij worden stilaan een uitstervend ras.
In 2010 had Angélica Liddell het plan om zichzelf van het leven te beroven. Secuur trof ze alle voorbereidingen. Ze zocht naar de juiste plek in haar appartement, een voldoende dik koord, een krukje dat net hoog genoeg was zodat ze met haar spartelende benen niet de grond zou raken en alle moeite voor niets zou zijn geweest. Ze wilde naakt sterven, met haar slip op de knieën, bijna als een soort verkrachtingsfantasie.
Bovenal wilde ze zien hoe de plaats delict er na haar overlijden zou uitzien – of moeten we het ‘een scène’ noemen, ‘een scenografie’? Op twee groezelige foto’s, die ze aan het begin van Seppuku projecteert, zien we Liddells lichaam in vuil geel licht voorover hangen, het gezicht verborgen achter haar sluike bruine haar. Het tableau is luguber, maar beheerst, de ledematen zijn nog goed doorbloed, de onderbroek nog smetteloos wit. Geen lijkverkleuring, geen ontlasting door spieren die loslaten, geen scheve doodsgrimas na de gebroken nek.
De dood als een perfect geregisseerd kunstwerk. Het orgelpunt van een oeuvre dat pas zijn ware betekenis en eeuwigheidswaarde krijgt met de roemrijke ondergang van haar creator. Die ‘ideologie’ deelt Liddell met haar muze Yukio Mishima (1925-1970), Japans schrijver, fashion dandy, decadente modernist, fitnessfanaat, schaduwgay, ultranationalist. Het zijn niet zozeer zijn romans en kortverhalen, vol morbide, erotische fantasieën, die van hem een ster hebben gemaakt. Wel zijn sensationele zelfmoord. Na een mislukte staatsgreep met zijn privémilitie in 1970 pleegde hij seppuku, de traditionele eremoord onder de samoerai: hij reet zijn buik open met een 17e-eeuws zwaard en bloedde dood.
Liddell en Mishima hebben allebei iets met bloed. Daar kan je moeilijk naast kijken: voor deze rituele séance kleurt de achterwand van het KVS-podium dieprood, er ligt een ‘sterfbed’ van rode rozen klaar, als ceremoniemeesteres draagt Liddell een rode poncho over haar naakte lijf. Later in het stuk zullen de schrijver en de theatermaker zelfs een soort bloedhuwelijk sluiten (met Masanori Kikuzawa in de rol van Mishima) waarbij ze allebei een beetje bloed laten aftappen, dat vermengen en er een wit laken mee bevlekken. Het blijft allemaal heel proper, geen morsige action painting met lichaamsvocht zoals bij Florentina Holzinger. Ondanks al haar carnale metaforen gaat schoonheid bij Liddell voor op transgressie, het symbool op het lichaam, het aura op de werkelijkheid. Zolang het beeld maar goed zit.
“Ondanks al haar carnale metaforen gaat schoonheid bij Liddell voor op transgressie, het symbool op het lichaam, het aura op de werkelijkheid. Zolang het beeld maar goed zit.”
Die voorliefde voor geësthetiseerd geweld delen Mishima en Liddell. In één van de eerste scènes in het stuk lezen twee Japanse acteurs van het Nationaal Noh-theater in Tokio een scène voor uit Patriotism (1961), volgens de bijzondere acteerconventie van Noh: zangerig, gekunsteld, vol plotse tempowissels. Dit boek, later verfilmd met Mishima in de hoofdrol, gaat over lieutenant Shinji die na een mislukte staatsgreep seppuku pleegt samen met zijn vrouw Reiko. Inderdaad, krak dezelfde fantasie die de schrijver later echt zal uitvoeren. Kunst als training ground voor de dood.
Shinji’s doodsstrijd wordt tergend langzaam uitgesponnen, in lyrische termen die het sterven fêteren als de ultieme daad van schoonheid en transcendentie. Dit is welhaast snuff porn in slow motion. Shinji schokt en kokhalst, zijn bleke ingewanden liggen in een rivier van bloed, maar hij smacht bezeten naar het einde zoals naar een geliefde, zijn doorzettingsvermogen om het mes nog dieper in zijn maag te planten is bijna orgastisch. Niet toevallig beschouwde Mishima seppuku als de “ultieme masturbatie”.
Het fragment uit Patriotism is fascinerend, het verhoogt mijn dopamine. Maar eerder dan waarlijk obsceen of schokkend heeft het toch iets gimmicky, vergelijkbaar met de glamoureuze shockseries van Ryan Murphy. Liddell ontsnapt zelf ook niet aan deze valkuil. Haar voorstelling balanceert tussen melancholische Trauerarbeit vanuit een bij momenten invoelbaar doodsverlangen van een ouder wordende kunstenares en een dweperige personencultus waarbij de dood als groots theatraal gebaar wordt geïnstrumentaliseerd om haar eigen mythologie (en die van Mishima) te versterken.
De grens tussen die twee is dun. Dat wordt meteen duidelijk in het eerste deel, dat in grote blokletters het motto ‘oprechtheid’ draagt (opnieuw een knipoog naar Patriotism, dit woord stond op de muur van Shinji’s appartement). In een ingetogen scène trekt Liddell kledingstukken aan van overleden personen. Ze leest ons een karakterbeschrijving en hun echte doodsoorzaak voor (zelfmoord, kanker), gevolgd door een kort rouwdicht. Het zijn ontroerende teksten, soms troostend, soms macaber, waarin haar romantische schrijfstijl tot zijn recht komt.
“Seppuku balanceert tussen melancholische Trauerarbeit vanuit een bij momenten invoelbaar doodsverlangen van een ouder wordende kunstenares en een dweperige personencultus waarbij de dood als groots theatraal gebaar wordt geïnstrumentaliseerd om haar eigen mythologie (en die van Mishima) te versterken.”
Maar de confrontatie is ook hard. De doden breken hier zo onontkoombaar door de theaterwand heen dat ik in paniek geraak en met moeite deze scène kan uitzitten. Je voelt dat laatste restje wegsmeltende aanwezigheid in de kleren. Respect dat de nabestaanden die dierbare spullen hebben afgestaan, want natuurlijk staat dit ritueel vooral tendienste functie van Liddell zelf. Geïnspireerd door Ingmar Bergman, die geloofde dat je weet wanneer je zal sterven als je de plek bezoekt waar iemand zelfmoord pleegde, duwt ze haar neus diep in de stoffen en vraagt ze wanhopig wanneer zij eindelijk aan de beurt is. De recuperatie van andermans leed ligt op de loer, maar het evenwicht blijft nog intact.
Anders is het moment waarop Liddell wierook aansteekt met de as van haar overleden ouders. Ze laat de rook cirkelen door haar haren en jurk, maar zonder doorleefde emotie. Het voelt gratuit, intimiteit die makkelijk te grabbel wordt gegooid voor het werkelijkheidseffect, snel op naar de volgende scène. Ik kijk en denk: wat is groter, Angélica, de liefde voor je ouders of voor het theater?
Vergeleken met eerder werk is furie Liddell over het algemeen een stuk ingetogener en bescheidener aanwezig in Seppuku en dat is een verademing. In de eerste helft geeft ze het podium vooral aan de twee Noh-acteurs: een kolos van een vent (Kazan Tachimoto) en een genderfluïde, engelachtige figuur met half geschoren haar (Ichiro Sugae). Ze belichamen Mishima’s gespleten aard: zijn verborgen homoseksualiteit en de man die elke dag fantatiek trainde om zijn lichaam te boetseren naar oud-Grieks ideaal. Zij brengen onder meer een adaptatie van het Noh-stuk Hagoromo. Mishima schreef zelf een paar Noh-stukken en als kunstvorm waarin de doden traditioneel komen rondspoken is de link met Seppuku evident. Hoe fascinerend het ook is om eens Noh te zien, een buitenkans op een westers podium, je kan je niet van de indruk ontdoen dat je kijkt naar tokens van de Japanse cultuur die uit hun context zijn gerukt. Het is een fetisjistische strategie die Liddell wel vaker toepast: medespelers voert ze op als erotisch geladen beelden, poppetjes in haar universum.
Natuurlijk blijft ze de kunstenaar die ze is. Woede is altijd Liddells motor geweest. Uiteindelijk volgt toch een lange, frontale tirade waarin ze haar gal spuwt. Naar goede gewoonte kijkt ze daarin neer op ons, het publiek, dat te middelmatig is, het eeuwige miskent voor de geneugten van het profane, die niet begrijpt hoe diep ze lijdt en als verheven kunstenaar elke dag onze uitwerpselen staat op te kuisen. Oké, juffrouw Liddell.
Deze geloofsbelijdenis is het hart van Seppuku, het bevat de essentie van haar poëtica en die gaat vele kanten uit. Liddell verlangt naar de dood omdat ze een nihilist is: het leven betekent niets, de mens betekent niets, ze fantaseert elke dag over de gruwelijke dood die ze haar vijanden toewenst. Een zelfgekozen dood is ook een daad van politieke rebellie, een poort naar het mystieke, een psychologische uitweg uit de angst, insomnia en misantropie die haar al jaren teisteren. Maar bovenal lijkt het Liddell toch te gaan om de eros, de seksuele energie: ze wil een olympische dood, sterven als een toreador, een slaaf van de schoonheid (let op de analogie met het discours van Jan Fabre), omdat er niets vitaler en energetischer is dan je eigen vernietiging beleven. Filosoof Martijn Meijer omschreef Mishima ooit als ‘een paradoxale zelfmoordenaar’ en in die traditie kunnen we Liddell ook plaatsen: ze wil sterven om in de nabijheid van de dood nog één keer de hete adem van het leven te voelen, de opwinding van de prooi die op het punt staat verslonden te worden.
“Moeilijk om bij deze hang naar ‘destructieve oprechtheid’ niet meermaals de wenkbrauwen te fronsen. In welke bubbel leeft Liddell eigenlijk als ze stelt dat we zelfmoord niet moeten beschouwen als een taboe of maatschappelijk probleem, maar als ‘een poëtische daad’, ‘een compositie’, ‘een esthetisch tragisch lot’?”
Moeilijk om bij deze hang naar “destructieve oprechtheid” niet meermaals de wenkbrauwen te fronsen. Liddell wil “in oorlog” sterven. Zeg dat eens tegen een vrouw die kanker heeft. Of tegen Nobelprijswinnares Narges Mohammadi die in eenzame opsluiting zit in een Iraanse cel, zonder daglicht, zonder besef van tijd waardoor elke overleefde dag voelt als een jaar. “Een executie in slow motion”, noemde ze het in een recent naar buiten gesmokkelde getuigenis in The Guardian. Dat is pas sterven in oorlog.
In welke bubbel leeft Liddell eigenlijk als ze stelt dat we zelfmoord niet moeten beschouwen als een taboe of een maatschappelijk probleem, maar als “een poëtische daad”, “een compositie”, “een esthetisch tragisch lot”? Euh ja, op een koude winternacht alleen naar de Bourgoyen fietsen om je op te hangen aan een boom is zeer poëtisch, ja. Of je met het koord van je kamerjas verhangen op je studentenkot. Of in je pyjama het huis uitstrompelen en op je fiets de vaart in rijden, nadat je al je spaargeld onder je kussen hebt gelegd. Ik betwijfel of alle zelfmoordenaars die ik ken zich zo extatisch voelden in die laatste seconde als Liddell beweert.
Neem ik het allemaal te serieus? Mag ik Liddells woorden niet zo tegen de lat van het echte leven leggen? Wellicht niet. Maar is dat niet in strijd met haar eigen poëtica? Lidell maakt van haar dood de epische inzet van haar kunst, maar eigenlijk hebben die twee weinig met elkaar te maken en precies daarin zit haar tragiek. Haar ophemeling van suïcide is louter een fictie. Haar woorden hebben alleen betekenis in de bubbel van kunst, op papier, ze verwijzen niet naar een reële buitenwereld. Het is veelzeggend hoeveel mensen uit het publiek begonnen te lachen bij Liddells zelfglorifiërende tirade, omdat het allemaal toch maar moeilijk serieus te nemen valt. Even vraag ik me af of ze uit is op dit effect, speelt met de pastiche van zichzelf, maar alles aan haar stuk spreekt dat tegen.
“Laat me sterven zodat ik weet dat ik de waarheid spreek.” Het zijn misschien de meest rake woorden die Liddell in de hele voorstelling zal spreken. Als je zelfmoord zo ophemelt, als je je oprechte wens om uit het leven te stappen zo laat versmoren onder het gewicht van je fantasie en je je alleen nog maar ophoudt in een schijnwereld van woorden, dan kan ik me voorstellen dat je zoiets extreem nodig hebt als de dood om te weten wat nog echt is. Dan draait de prioriteit op een twisted manier om: je bent het verplicht om de hand aan jezelf te slaan, omdat alleen dan je kunst zin heeft gehad, geloofwaardig wordt. Het lijkt me een onoplosbaar conflict voor Liddell, met inerte kunst als resultaat. Logisch dat ze het gevoel heeft dat we haar niet begrijpen en ernstig nemen, die catch 22 heeft ze zelf gecreëerd. Maar waarom ga je in het licht van dat failliet niet gewoon op zoek naar een andere taal, Angélica, zodat je dood geen voorwaarde moet zijn voor ons begrip?
Nog een laatste punt waardoor ik haar propositie moeilijk serieus kan nemen: Liddells verlangen naar de dood komt ook voort uit een irritant agisme, haar onmogelijkheid om vrede te nemen met het ouder worden. Het is allemaal voorbij voor zestigers zoals haar, we doen er niet meer toe. “Ruik aan jongeren, aan hun geslacht,” oppert ze terwijl ze afkeurend aan de losse huid onder haar armen trekt. Ouderen stinken, ze zijn een rotte bloemenkrans, een witte tuniek gevuld met stront. Ook hier lijkt ze weer randje copycat van Mishima, die geobsedeerd was door zijn eigen lichaam en wilde sterven voor het verval inzette. “The beautiful should die young, and everyone else should live as long as possible.”
Op het eind verschijnt Liddell in een bikini en doet ze heupwiegend een dansje met vijf onbehaarde, opgeschoten tieners in Hawaïhemdjes. Op de achterwand: de Venus van Urbino, haar lolita-ideaal. Via een fragment uit Mishima’s Een zeeman door de zee verstoten mijmert ze over de straffeloosheid van de jeugd. Tot 14 jaar ben je in veel landen vrij, kan je leven zonder consequenties, zelfs als je iemand doodt. Daarna ben je onderworpen aan het burgerlijke leven, vol compromissen, angst en aardse routines.
“Ik begrijp Liddells melancholie, hoe ze worstelt met haar aftakelende lichaam. Maar is de oplossing een fetisjisering van de jeugd?! Niet moeilijk dat je er met zo’n wereldbeeld de brui aan wil geven.”
Ik begrijp Liddells melancholie, hoe ze worstelt met haar aftakelende lichaam en fuckability die naar eigen zeggen afneemt (nog een van haar obsessies, eerder probeerde ze haar geslacht nog te ‘reanimeren’ door er met een verse lever op te slaan). Maar is de oplossing een fetisjisering van de jeugd?! Niet moeilijk dat je er met zo’n wereldbeeld de brui aan wil geven. Ik weiger me daarmee te verzoenen.
Er zijn weinig mensen die de dood zo omarmen als Liddell. Dat is op zich uniek. Zij viert het, maakt het tot de kern van haar bestaan. Potentieel kan dat bevrijdend zijn, maar in de hier getoonde extremiteit lijkt het me au fond gewoon een andere keerzijde van dezelfde stervensangst waar non-believers van weglopen. Zou het finaal eigenlijk een verschil maken op haar sterfbed? I wonder. Die eenmalige happening kan helaas niemand van ons repeteren.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.