© Laurent Philippe

Marlene Monteiro Freitas & Israel Galván – RI TE (Kunstenfestivaldesarts)

Gedanste ambiguïteit, versie slapstick

Marlene Freitas en Israel Galván vertegenwoordigen uiteenlopende artistieke werelden. Zij maakt voorstellingen op het snijpunt van dans en performance, die steevast ook zijn doordrongen van een carnavaleske, aan het groteske grenzende theatraliteit (haar werk heeft iets ‘Ensoriaans’). Hij vernieuwt sinds einde jaren negentig de flamencotraditie door ze te vermengen met daaraan vreemde bewegingen uit sport of populaire cultuur. Samen creëerden ze RI TE in goed vier dagen voor het Festival d’Automne à Paris, dat Freitas in 2022 als centrale gast verwelkomde. De korte creatietijd was mogelijk door hun gemeenschappelijke focus op de kunst van het gebaar.

Zowel flamenco als carnaval berusten op sterk gecodeerde gestes. Die conventionele, ritueel aandoende gebaren verdichten vaak tot poses, zoals de stoere, op de torero-allure teruggaande houding van de mannelijke flamencodanser of het grijnzende, licht verbeten gezicht van de carnavalsvierder. Je kan deze gestolde culturele vormen als intrinsiek disciplinerend of sterk vrouwonvriendelijk opzij schuiven; of je poogt ze te redden door ze te deconstrueren, te ironiseren, te re-contextualiseren. Freitas en Galván doen het laatste met de tradities die ze zich vanuit hun eigen culturele achtergrond toe-eigenen (Freitas werd geboren in Kaapverdië, Galván in Sevilla). Het is een van de mogelijke betekenissen van de titel van de voorstelling: ‘RI TE ’ staat voor een gespleten ritualisme dat ooit vanzelfsprekende gebaren vormelijk reproduceert maar inhoudelijk re-articuleert. Of met een knipoog naar een befaamde uitspraak van Marx: de performers brengen versteende verhoudingen aan het dansen op een tot dan toe onbekende melodie.

RI TE is een lowfi-voorstelling: minimale belichting, een gestripte scenografie, af en toe een song (van pop over flamenco tot klassiek). Midden op het podium staat een eenvoudig houten speelvlak: een achterwand, daarvoor twee stoelen, twee korte zijwanden en een doorlopende vloer, wat de indruk creëert van een uitgerekt proscenium dat dienst kan doen als dansvloer. Freitas en Galván geven al present bij het binnenkomen van de toeschouwers. Ze zijn gekleed in witte overalls met een twist; om hun rechterhand zit een handschoen, wat het licht-komische van hun outfit onderstreept. Galván draagt lage, knalroze rubberen laarzen, Freitas’ schoeisel is onderaan voorzien van ijzeren plaatjes.

“RI TE zet de machtsbalans binnen de traditionele flamencodans op z’n kop.”

Bij het begin van de voorstelling bewegen ze naar elkaar toe langs de achterwand. Hij roffelt met de vingers, zij schraapt met haar nagels over het hout. Ze naderen elkaar, maar de aantrekking gaat gepaard met afwending, afwijzing, afstoting. Het is de ambiguïteit die we kennen van de flamencodans evengoed als van het balletduet. Ze doordesemt de voorstelling tot aan het slot, wanneer Freitas en Galván elkaar vinden als gelukkige performers in een gezamenlijk gebaar dat zegt ‘We did this together!’. Ondertussen werd meermaals dezelfde geste van attractie en negatie herhaald: hij zendt een handkus, zij weigert die hooghartig door het hoofd af te wenden en op de grond te spuwen. Die dubbele beweging heeft al snel iets van een tegelijk grappig en grimmig ritueel, een dat tevens de genderverhoudingen op scherp stelt: hij initieert, zij gunt niets – zelfs geen blik – en onderbreekt zo de symbolische cyclus van geven en teruggeven die het verleidingsspel ritmeert. 

RI TE zet de machtsbalans binnen de traditionele flamencodans op z’n kop. De omkering krijgt nog meer contour door de regelmatige zinspelingen op het stierengevecht. Hij de torero, zij het te veroveren lichaam – maar zo werkt het dus niet in de voorstelling. Zoals alle conventionele gebaren zijn de gemaakte allusies afwisselend expliciet en subtiel. Hun sociale betekenis wordt gedurig gehercodeerd, en ook ‘gecarnavaliseerd’, door ze in te schrijven binnen het register van de automaton. Het is waarmerk van Freitas’ choreografische taal.

In het universum van Freitas handelen lichamen niet met agency, maar volgen ze gedachteloos impulsen of bevelen, performen ze willoos individuele verlangens of restrictieve normen: een ondoorzichtig Programma regeert. De gemaakte bewegingen zijn vaak hoekig, op het machinale af. Deze choreografische logica herinnert onwillekeurig aan de wereld van de slapstick en domineert ook in RI TE. Zelfs wanneer Galváns bewegingen – eindelijk! – naar ‘echte flamenco’ beginnen neigen, wordt die aanzet niet alleen gebroken door de rubberen laarzen maar ook door een zichtbare dwangmatigheid: niks virtuositeit of expressiviteit, enkel een voorgeprogrammeerde lichaamsmachine die heftig gesticuleert dat er wordt ‘geflamencoot’. 

© Laurent Philippe

Galván mimeert de danstaal van Freitas. De hele voorstelling lang voegt hij zich naar de combinatie van hoekigheid en het clowneske – de marionet is nooit veraf – die het bewegingsidioom van Freitas kenmerkt. Eén cruciaal gebaar neemt hij niet over: zijn gezicht verandert nooit in dat van een pias. Het is een signature gesture in de voorstellingen van Freitas: een gezicht dat, zoals het gelaat van de circusclown, verspringt van grimas naar glimlach, oscilleert tussen blijdschap en wanhoop, grinniken en treuren (opnieuw: ‘Ensorianisme’). Ook in RI TE plooit Freitas haar gezicht moeiteloos naar dit choreografisch maxime, met een snelheid en soepelheid die ik geen van haar performers ooit in een voorstelling zag benaderen. Galváns gezicht blijf daarentegen de hele tijd in dezelfde plooi liggen, een die jongensachtige verwondering met een pientere blik combineert en zo de mogelijkheid van een intelligente Pinocchio suggereert.

Zij leidt dus? Niet echt: zij probeert ook tevergeefs zijn danskunst imiteren. Dat tekortschieten als flamencodanseres condenseert al snel tot een dikwijls herhaald en daardoor zichzelf uithollend symbool: Freitas die afwisselend puffend en triomfantelijk, verveeld of enkel lippend ‘Olé!’ uitroept. Ze mag dan wel metalen plaatjes in de zolen van haar schoenen hebben zitten, flamenco dansen lukt haar niet echt. Ook zij is veroordeeld tot een onvolkomen avance, die haar ambigue clownsmimiek versterkt.

RI TE gaat over de onmogelijkheid om een andere danstaal zonder veel inspanning te kunnen leren en incorporeren omdat een lichaam altijd al een welbepaalde training heeft doorlopen: het is per definitie geprogrammeerd. De dramaturgie van de voorstelling kruist dit fysieke onvermogen met de sociaal-erotische dynamiek van aantrekken en afstoten enerzijds, het performanceregister van de komische film anderzijds. Naar het einde komt alles samen in een ontroerende scène. Terwijl Freitas verwoed maar beroerd door trappelt, moedigt Galván haar aan door driftig op een van zijn rubberen schoenzolen te klappen. Door de voorafgaande ambiguïteit voelt dat dubbel voetenwerk niet klef aan, maar is het dramaturgisch overtuigend. 

Aan het slot van de voorstelling omhelzen Freitas en Galván elkaar als evenwaardige performers: RI TE ensceneert het samen dansen als een ruimte van gelijke ontmoeting voorbij culturele verschillen, maar zonder zweem van gemakkelijke harmonie. De voorstelling viert integendeel op een soms hilarische, vaak grappige en meestal virtuoze manier het spel van aantrekking en afstoting tussen genders en culturen. In deze dialectiek schuilt de belofte van een verzoend en tegelijk ‘gebroken’, gedeeld én verdeeld samenleven dat RI TE choreografeert en ‘uit-danst’ als een aflevering van de ooit beroemde tv-serie Comedy Capers.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#175

15.03.2024

—

31.05.2024

Rudi Laermans

Rudi Laermans is socioloog en auteur, en tevens werkzaam als vertaler en dramaturg. Hij was hoogleraar sociale theorie aan de KU Leuven en gastdocent theorie aan meerdere kunsthogescholen, een rol die hij blijft opnemen binnen P.A.R.T.S. in Brussel. Recent publiceerde hij de boekessays Gedeelde angsten (2021) en Democratie zonder politiek? (2024). Als vertaler werkte hij o.a. mee aan Eigenzinnigheid, werk en geschiedenis (2023) van Oskar Negt & Alexander Kluge en Verlies (2025) van Andreas Reckwitz. Hij is al geruime tijd dramaturg bij Not Standing, het gezelschap van Alexander Vantournhout, en gaf ook dramaturgische input bij voorstellingen van o.m. Aïda Gabriëls.

Dit artikel maakt deel uit van: Dossier: Kunstenfestivaldesarts 2024

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!