Average Happiness – Dinsdag.org / Bas Vanderschoot
G = (GM – OGM)/t
Pepijn Loobuyck
In ’83 kondigt het W.V.T.K. Malpertuis Pinters jongste toneelstuk A kind of Alaska aan, dat amper één jaar daarvoor bij het National Theatre in Londen in wereldpremière ging. Wegens ziekte van Liliane De Waegeneer werd deze creatie voor de Nederlanden naar een volgend speelseizoen verschoven en vervangen door een oudere Pinter, Collection, dat tien jaar geleden (en toen ook reeds tien jaar na datum) door het toenmalige Brussels Kamertoneel in Vlaanderen werd geïntroduceerd. Begin ’85 wordt Gesnapt van Simon Gray(van wie Pinter in Londen reeds een paar stukken regisseerde) één week voor de première “om redenen van artistieke aard” (sic) uit de Tieltse kelder afgevoerd. Twee maand later krijgen we dan toch het beloofde Een soort Alaska geserveerd, waarmee Jo Gevers (jarenlang Malpertuis’ huisregisseur, maar sinds kort aflossend directeur van Teater Antigone Kortrijk) zichzelf uitwuift. Kortom: het lijkt a kind of Pinter wel. Niets is zo absurd, dat het ook niet werkelijk gebeurt. Een probiis verbis genoteerde publieksvraag als “Schrijft die man nog toneel?” bevestigt dit.
Interessant is het, om n.a.v. deze tweeprodukties, die zo’n twintig jaar auteurschap overspannen (en met Arca’s De huisbewaarder nog vers in het geheugen) na te gaan, in welke mate Pinter nog relevant is, nog boeit. Opmerkelijk daarbij is de vaststelling, dat de typisch Pinteriaanse afstraling van omvangrijker stukken als bijvoorbeeld Het verjaardagsfeest en het phoenix-stuk De huisbewaarder, dat her en der om de zoveel jaar weer in het repertoire opduikt, zoveel inzicht verschaft voor de aanpak van z.g. kleinere werken (die m.i. wel meer intrinsieke dramatische kracht bezitten), zodat wij niet zelden in creaties van deze laatsten de ruimste dimensies van zowel Pinters gedachtenwereld als van zijn talent ervaren. Kleine theaters hebben al vaker voor zo’n aangename verrassing gezorgd en grotere gezelschappen zodoende het zout voor de soep gereikt. Veel staat of valt met de fijngevoeligheid waarmee de makers de conflictstof uit de eerder schrale, zich bij oppervlakkige lezing zelfs als banaal aandiende tekst weten te detecteren, om er dan de leemtes en stiltes mee te omlijnen, te omspannen, zodat het geheel doorlopend iets beklemmends en onuitgesprokens krijgt, iets dreigends ook. Het hele stuk door kan zich dat laten aanvoelen, als ergens het tikken van een bom, die evenwel nooit tot ontploffing komt. Was dit al het geval met Collection, het is het des te meer met Een soort Alaska.
In dit amper 24 bladzijden tellende stuk wordt historisch feitenmateriaal uit Oliver Sacks’ boek Awakenings, waarin uitvoerig diverse gevallen van lethargie in het begin van deze eeuw en in het bijzonder de reacties na het ontwaken door toediening van L-Dopa worden behandeld, gereduceerd tot een metaforisch synthese-geval. In de besloten ruimte van een slaapkamer voltrekt zich in De-borah (Ingrid De Vos) het versneld proces van bewustwording en inzicht tot ware levensmoeheid. De inducerende elementen in deze ontwikkeling zijn, naast dokter Hornby (Herman Verschelden) en Debby’s zuster Pauline (Liliane De Waegeneer), die samen twintig jaar bij het bed gewaakt hebben, het sterk doorleefde onderbewuste van Debby zelf. De plaats van het gebeuren is een ongedefinieerd ergens, waarrond nauwelijks een buitenwereld wordt gesuggereerd. In samenwerking met Jo Gevers heeft Luc Cnops een decor neergezet, dat, in combinatie met de kledij en het diffuus licht, de irreële sfeer van bepaalde zwartwit-films uit de dertiger jaren benadert. De wanden zijn zwart. Eén verticaal raam, waarvan de kruiskozijnen met gaas zijn overspannen en waardoor gefilterd licht invalt. Het meubilair is zwart gelakt: een ronde tafel, twee Tonet-stoelen en een kleine laden-kast. In het midden het grote, witte bed dat met zijn gebogen frame postmodernistisch aandoet tussen de Tonets. Van het hondje in geglazuurd witsteen, in Anubishouding van op de kast in Debby’s richting kijkend, gaat een enorme suggestieve kracht uit. De hond is overigens een belangrijk motief van haar gemoedsleven. Deze plek is de wereld, met zijn dualiteit van geboorte en dood, waarin mensen in hun onderlinge relaties met leugens een complex schijngevecht leveren tegen de waarheid en elkaar daarbij voortdurend met schuldgevoelens willen belasten. Dit is zowat de thematiek van het stuk.
Amper is Deborah ontwaakt, of Hornby probeert haar herkenningsvermogens te dwingen, om van haar als het ware een bevestiging van zijn eigen persoon te ontfutselen. Die opdringerigheid waarmee hij haar uit haar slaap wil hijsen en de kinderlijkheid waarmee zij verwarde herinneringen door droombeelden en reële ervaringen uit haar lethargische toestand verft, creëren meteen een spanningsveld dat anderhalf uur het klimaat bepaalt. Door beide partijen wordt strijd geleverd tegen de rejectie. Ingrid De Vos speelt aanhoudend onwaarschijnlijk dicht tegen deze grens van een mogelijke terugval aan. Ze komt evenwel nooit echt van de slaaptoestand los, zodat haar overgave eraan op het einde geloofwaardig blijft. Tegen het dromerig meisjes-gebabbel, blijft de stem van Hornby aankloppen, met korte, afgemeten zinnen en op een toon waarin de vrees, dat de woorden doorheen de muren zouden kunnen gaan, duidelijk is ingecalculeerd. Dit levert een indringend acoustisch beeld op, dat dramatisch relevanter is dan de inhoud van de woorden zelf. “Hoe indringender de ervaring, hoe minder uitgesproken zijn verwoording,” heeft Pinter ooit beweerd. Werkelijk uniek is hij dan ook in het oproepen van twijfels en vermoedens, waardoor er tussen de personages meteen een geladen relatie ontstaat. Debby speelt met erotische droombeelden, waardoor rond Hornby meteen een verdacht sfeertje gaat hangen. Als zo halverwege het stuk Pauline de kamer is binnengevallen en de eerste woorden met Deborah heeft gewisseld, zegt Hornby “Ik heb je niet geroepen,” wat zoveel als een beschuldiging is. Ook hier weer een staaltje van het fijne regiewerk: Gevers laat Pauline kordaat opkomen met een vaasje bloemen, zodat haar handeling zich duidelijk als een dagelijkse routinedaad laat begrijpen, maar waardoor de beschuldigende toon van Hornby de implicatie vergroot. Welke is overigens de verhouding tussen die twee na al die jaren rond Debby? Pinter laat deze plotse confrontatie ook plaatsvinden op een ogenblik dat Debby reeds het tafeltje bereikt heeft en het soms verpletterende gevoel van haar vorige toestand wegpraat met herinneringen aan dansen in gewichtloze toestand. De fysieke verschijning van Pauline, die aan een preutse weduwtante doet denken, valt plots als een drukkende schaduw over het frivool gemijmer. De ingetogen manier waarop De Waegeneer in deze rol hiervoor tegelijk schaamte en schuldgevoel uitstraalt, getuigt van verbluffend raffinement. Als ze bij Hornby informeert, of ze nu de waarheid moet vertellen ofwel liegen, antwoordt deze kortaf: allebei. Spanning in alle richtingen nu. In haar vermeende onschuld kwetst Debby Pauline voortdurend in haar aftakeling. De onwil om in haar haar jongere zus te erkennen, drijft haar terug in het bed. Vanuit een nergens aanwijsbare bron intensifieert het licht de dialogen. Op onopvallende wijze is de derde persoon een schim geworden, die elk ogenblik weer uit de schaduw kan treden.
Er ontwikkelt zich ook een subtiele verschuiving in de (ver)houdingen: als Pauline de schuld terug naar Debby afschuift, wordt ze daarin door Hornby gesteund. Zij zijn het die onder de situatie geleden hebben. Pogingen om haar verder in deze wereld te praten, falen systematisch op dubbelzinnigheden, die een mogelijke voorstelling van deze wereld steeds meer vertroebelen. Is er voor Deborah eigenlijk wel een wereld, buiten deze waarin ze twintig jaar heeft gedwaald? Ze weigert in de spiegel te kijken. Ze haakt stelselmatig weer af. Ze neemt genoegen met wat flarden informatie, die zij zelf nog even op een rij zet en waarmee ze voor goed afscheid neemt: “Ik geloof dat ik de zaak door heb. Dank je.” Je vraagt je af, of Devos’ mimiek en spraak op de glijweerstand van het lichtorgel is aangesloten. Op onopmerkbare wijze is zij samen met de rest weggedeemsterd. Alleen de Anu-bis laat zijn negatief op het netvlies achter.
Deze voorstelling van Een soort Alaska scoort op alle vlakken. Regie en beeldzetting van topniveau en acteurs die niet alleen op elk moment weten wat ze doen en waarom, maar dat bovenal ook kunnen. Aan die voorwaarden zou inderdaad altijd moeten kunnen voldaan zijn, maar in dit geval is het beslist een conditio sine qua non. Het broos gegeven is zo subtiel in elkaar gezet, dat alles gewoon voor alles verantwoordelijk is. De optie-nemer zij hiermede gewaarschuwd.
Een soort Alaska
auteur: Harold Pinter;
vertaling: Herman Verschelden;
regie en toneelbeeld: Jo Gevers;
spelers: Ingrid De Vos, Liliane De Waegeneer, Herman Verschelden.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.