(v.l.n.r.) Eléna Doratiotto, Benjamin Op de Beeck*, Dominique van Malder*, Laura Sépul, Tania Vander Sanden in ‘Baal’, waarvan * oud-RITS-studenten zijn van Jos Verbist © Thomas Dhanens

Bart Van Nuffelen, Johan Petit, Simon Allemeersch, Jos Verbist, Carly Wijs

Leestijd 19 — 22 minuten

50 jaar RITS

Eind 2012 was het vijftig jaar geleden dat in Brussel het Hoger Rijks Instituut voor Toneel en Cultuurspreiding, oftewel het HRITCS werd opgericht. Sinds die tijd zijn er ettelijke generaties studenten voor een opleiding toneel, film, radio en televisie gepas- seerd. Tot de eerste generatie studenten regie behoorde Franz Marijnen, die afstudeerde in 1967. Toen hij enkele jaren geleden laureaat werd van de RITS Alumni Award, hield hij een – totnogtoe ongepubliceerde – toespraak, die we hier afdrukken. Hoe is het de opleiding in de decennia daarna vergaan? Aan enkele oud-studenten en lesgevers stelden we de vraag wat het rits voor hen heeft betekend en betekent. Hoe heeft het hen gevormd en welke invloed heeft het op hun theaterpraktijk? We kozen daarbij voor een focus op het breukmoment in de opleiding van midden jaren negentig. Oud-studenten Bart Van Nuffelen, Johan Petit en Simon Allemeersch, en lesgevers Jos Verbist en Carly Wijs getuigen.

Franz Marijnen

studeerde aan het HRITCS van 1963 tot 1967.

Er werd mij gevraagd om na de uitreiking van de Alumni Award – mooi Nederlands woord trouwens – een paar woorden tot u te richten.

Ik ben nooit erg happig wanneer het om dit soort manifestaties gaat, maar het woordje ‘award’ veroorzaakte een fantasie dat ik via een rode loper, gevolgd door camera’s, voor het oog van de wereld mijn prijs de lucht in stak en met betraande ogen en stokkende stem kon zeggen: ‘I have no words for this… Thank you all… I love you all… Thank you mama for putting me on this wonderful world… Thank you kids for putting up with me…’, etcetera.

Maar ik sta hier nu in de nieuwe outfit van het RITS en moet u vertellen wat deze opleiding voor mij betekend heeft. Bij navraag werd me gemeld dat ‘kritische noten op hun plaats kunnen zijn’…

Ik heb geconcentreerd in mijn achteruit- kijkspiegel gekeken om die tijd weer op te graven en jullie iets te vertellen over mijn opleiding, die soms een omleiding was, vaker nog een afleiding, zelfs misleiding, maar God zij geloofd ook soms een verleiding. Plaatsbeschrijving: een oud vervallen bankgebouw in de Naamsestraat dat ook onderdak gaf aan het INSAS, wat nu ondenkbaar is. Helaas.

De vaste prik op maandagochtend. Verzamelen op de hoogste verdieping, op de prachtige groene tapijten van de bankdirecteurskamer in een potsierlijke outfit die dansers plegen te dragen bij repetities, voor de les van een niet onbekend regisseur. Ontspanningsoefeningen. Je stapt maandagochtend de trein op en je wil het weekend uit je lijf rukken en je wil aan de slag. Je schreeuwt om ‘spanning’ en je ligt twee uur op een groen tapijt te ontspan- nen terwijl de regisseur de krant leest en af en toe met zeemzoete stem fluistert ‘inademen – uitademen’. Je wordt opgeleid tot regisseur.

Elders in het gebouw: een klein lokaaltje met bord en een klein verhoogje waar een meneer uit Gent, die er om bekend stond een aap in huis te hebben, een obscure cursus gaf die meestal bestond uit slecht voorgelezen delen van een even obscuur boek Het Vlaamsch Tooneel uit 1927 van ene meneer Monteyne, of het leren doodvallen op het toneel. Volgens deze leraar waren er drie manieren, die hij – zoals het een goede leraar past – demonstreerde. Daarna was het aan ons. Het bureau werd van het kleine verhoogje gehaald en om beurt moesten we drie keer doodvallen. Een stiekeme opname van dit feest zou vandaag een hit zijn op YouTube. Of er toen al verzet bestond tegen deze ‘misleiding’?

Ja hoor. Ik heb de lessen van die meneer nooit meer gevolgd maar zocht ‘afleiding’ bij Jean – het stamcafé van de school – waar ik uit- groeide tot een geduchte tafelvoetbalster en regelmatig de speelautomaat deed rinkelen.

Of de lessen van een mevrouw die uitblonk door een snijdende ij-klank die zo overheersend was dat ik niet eens meer weet wat zij doceerde. Navraag leerde me dat zij de vrouw was van de grote baas van Het Laatste Nieuws, een gevreesde machtige man die met zijn vingers in veel potjes roerde. Dus ook het RITS-potje.

Ik vergat bijna de feestelijke lessen van een tekenleraar wiens hand ik nog steeds voel toen hij de mijne kwam helpen bij het corrigeren van de natuurlijke welvingen van een vrouwenborst – uiteraard beslissend in mijn latere carrière. Ik wist toen nog niet dat deze hand toebehoorde aan een latere directeur van het RITS.

Of nog een meneer uit het Gentse die ons leerde met stokken op elkaar in te meppen onder de noemer gevechtstechnieken. Toen maakte ik ook kennis met het Gentsche dialect.

Of de vele lessen die afgelast werden vanwege professionele activiteiten van sommige lesgevers. Je kunt niet eeuwig kaart spelen of pilsjes verdienen op de shotbak, dus ontdek je het filmmuseum, boekhandels, concerten in wat vandaag de Bozar heet en mijn eerste kennismaking met Glenn Gould in de heerlijke platenzaak in datzelfde gebouw. Dit hoort onder de noemer ‘afleiding’ maar nu merk ik dat het eigenlijk een deel van mijn ‘opleiding’ is geweest.

Maar kom. Het is een beetje feest vandaag dus tijd voor wat ik de ‘verleiding’ wil noemen. Want die was er ook in dat sombere inadequate gebouw aan de Naamsestraat. Ook tijd om mensen een naam te geven.

Tone Brulin, die even nieuwsgierig naar ons keek als wij naar hem. Die ons leerde dat er buiten onze benauwende grenzen ook theater werd gemaakt en uit eerste hand daarover vertelde. Door Tone hoorde ik voor het eerst de naam Grotowski. Mensen die mijn traject kennen, zullen weten hoe belangrijk die man voor mij is geweest en is. Naar Tone kijken en luisteren was begrijpen wat theater met een leven kon doen. Hij gaf zin aan de lange uren in dat gebouw en compenseerde ruimschoots voor veel van de zinloosheid die de rest van het curriculum ontsierde.

Carlos Tindemans, die het zalig onzalige idee had om op zaterdagochtend les te geven. Nooit afwezig, stipt om tien uur begon en naargelang zijn enthousiasme meestal ruim over tijd ging. Ik weet nog dat ik vrijdagavond niet met de maten op stap ging maar vroeg naar bed ging om fris bij hem binnen te stappen. Zijn tochten door het repertoire zijn onvergetelijk. Zijn kennis verbluffend. Zijn uren over Brecht waren alsof je met de man aan tafel zat. Carlos leerde ons teksten lezen en deed ons verborgen schatten in de toneelliteratuur ontdekken. Geen saaie opsommingen maar verbanden en nieuwe inzichten. Bij hem leerde ik dat kennis macht is en denken een voorrecht.

En last but not least: Alex Van Royen. Die uitblonk door zijn vele afwezigheden maar als hij dan uit Amsterdam kwam aanrijden in zijn flashy cabriolet was het feest. Altijd pico bello gekleed en met de unieke geur van ‘Vetiver’ van Guerlain. Hedonist avant la lettre. Bewust van zijn acteurschap. Altijd op zoek naar medeplichtigheid en snoeihard voor onverschil- ligheid en lamlendigheid. Zijn sonore stem en zijn taligheid zitten nog steeds in mijn hoofd. Omgaan met tekst en die tekst koesteren was zijn credo. Doodzonde dat hij er niet meer is. Hij zou niet veel heel laten van hoe er vandaag met tekst wordt omgegaan. Een groot deel van mijn liefde voor goede wijn heb ik aan hem te danken en ook culinair waren we spitsbroeders.

Ik kan nog wel een tijdje doorgaan over die vier jaar maar ik denk dat ik al ruim over de mij toegemeten korte tijd ben.

Afsluitend: het zal wel duidelijk zijn dat deze korte terugblik enige bitterheid verraadt maar ook veel nostalgie en wat is nostalgie anders dan het snakken naar een andere tijd, naar onze jeugd, naar het trage ritme van onze dromen. Met andere woorden: een verzet tegen de tijd waarin we nu leven. Maar we leven in deze tijd en het RITS bestaat in deze tijd.

Tot mijn allergrootste verbazing studeerde ik af met grote onderscheiding, ook al weigerde ik het bijwonen van lessen die ik in mijn jeugdige onbezonnenheid als nutteloos aanzag. Ik sta nog steeds achter die jeugdige beslissing.

Interpreteer dit vooral niet als een oproep tot ongehoorzaamheid of opstand tegen een opgelegd curriculum maar eerder als bescheiden signaal voor het besef dat je zelf ook verantwoordelijk bent voor je opleiding en dat je zonder eigen initiatief verloren loopt. Ik heb wel eens badinerend gezegd dat ik pas na het RITS gaan studeren ben. Maar studeren doe ik nog steeds.

Studeren is eigenlijk het best te omschrijven als gelegitimeerde en soms ook gesubsidieerde tijd om uit te zoeken wat je met je leven wil. Als je dat na vier jaar ontdekt, is je studietijd een succes geweest.

Ik zal het hier maar bij laten. Bedankt voor uw aandacht.

Uitgesproken op de uitreiking van de rits Alumni Award op 24 september 2009, waar Franz Marijnen een van de laureaten was.

Bart Van Nuffelen

studeerde aan het HRITCS/RITS van 1992 tot 1996.

In 1992 trok ik met meer moed dan wijsheid naar Brussel, om daar regisseur te worden in een school die zichzelf onuitspreekbaar het hritcs noemde. Zoals Johan Petit hiernaast vertelt, was er in de lessen niet zo heel veel te leren. Maar Brussel maakte veel goed. Ik voelde me er al snel thuis, dwaalde er graag door de straten en ging zes keer per week een stille film zien in het Filmmuseum. Daarnaast zag ik alle toneel dat er te zien was (en vond dat vanzelfsprekend meestal niet goed) en samen met een steeds wisselend gezelschap van nieuwe vrienden beslisten we in lange sessies op café en op kot dat wij dat beter zouden doen. Zo gezegd, zo gedaan en we maakten een toneelstuk voor een ‘free podium’-festival in de Beursschouwburg. Ik weet niet meer exact wat we er juist brachten; het was iets met een doos, een bejaarde zangeres en een suikerfles. Maar ik weet nog heel goed dat het een drama was. Dat ge het publiek zo hoorde verkillen. Dat er geen applaus kwam. En dat ik achteraf op de prachtige trappen van die Beursschouwburg dacht; dit nooit meer.

Niet veel later waaide er plots een frisse wind door de gangen van de school die zich voortaan het RITS zou noemen. Maar eigenlijk was het voor ons te laat. De meeste van mijn klasgenoten waren op dat moment (in de loop van ons derde jaar) al uitgeblust geraakt door jaren wanbeleid en ook de nieuwe garde docenten wist niet goed wat met ons aan te vangen. Een soort verloren generatie dus. Gelukkig waren er een paar studenten die zich daar niet bij wilden neerleggen, zoals bijvoorbeeld de onverwoestbare Roel Verniers, die toen al hoogst indrukwekkend was. Die kon én goed drinken én goed schlagers zingen én het goed uitleggen, zodat wij toch nog een soort aangepast noodprogramma kregen. Met schrijflessen van een intrigerend klein deftig mijnheertje, met toespraken door een voetbaltrainer maar dan over toneel, met sessies over onbegrijpelijke theatertheorieën door een hoogst verwarde professor. En plots ging er een wereld open; van mensen met een passie, die onze passie begrepen. Die ons de weg wezen naar de theorieën, luisterspelen en auteurs die onze passie zouden voeden. Die naar Johan Simons belden en hem min of meer dwongen mij toch als negende regie-assistent te aanvaarden. En die ons vooral aanmoedigden om ons ding te blijven doen. En dus bleven we zelf sponsors lastigvallen, locaties regelen en acteurs zo zot maken om gratis mee te doen. We maakten toneel in een open loods terwijl het buiten sneeuwde. Trotseerden de hond Boris in De Zwarte Komedie. Speelden ons afstudeerproject in een vervallen militair hospitaal. En werden in een soort natraject avant-la-lettre door een van de docenten meegenomen naar Kortrijk, kregen er gratis en voor niets geld en raad en goede acteurs (onder andere dat deftig mijnheertje dat bij nader inzien toch niet zo heel deftig bleek) en maakten een spectaculair toneelstuk over alles. En we waren vertrokken. In die afgelopen vijftien jaar heb ik nog regelmatig ontredderd op een trap gezeten en gedacht: dit nooit meer. Maar ik ben blij dat ik doorgezet heb, want ik kan mij geen schoner bestaan indenken. En ik ben daar zowel het RITS als het HRITCS dankbaar voor.

Want als ik er nu op terugkijk, denk ik de best denkbare opleiding te hebben gehad. Eerst een paar jaar dwalen en dolen. Mijn eigen goesting doen, mijn gedacht vormen, mijn dromen koesteren over hoe waarlijk toneel moet worden gemaakt. En pas als dat klaar was; zo wat sjotten en kansen en aanmoedigingen krijgen. Dat was voor deze regisseur in spe het ideale traject. Ik weet niet eens of ik het in de huidige school zou overleven. Pff, vanaf dag één op uw vel gezeten worden. Ik denk niet dat ik had kunnen verbergen dat er onder dat vel nog niets zat. Dat dat nog tijd nodig had.

Jos Verbist

geeft les aan het RITS sinds 1994

Beste Johan,

Iets schrijven over het RITS naar aanleiding van zijn vijftigjarige bestaan? Eigenlijk niet veel tijd op dit moment, maar voor jou probeer ik het toch graag. Om te beginnen een momentopname uit mijn prilste begin als docent aan het RITS.

In 1994 moet het geweest zijn dat Stijn Coninx me belde met de vraag om les te geven aan het RITS in de afdeling ‘Theaterregie’. Ik had geen idee van wat daar op dat moment gebeurde. Kende een paar namen van lesgevers, een aantal mensen die er afgestudeerd waren. Dat was het. Opleiding had me altijd al geïnteresseerd. Zelf ben ik afgestudeerd als acteur aan Studio Herman Teirlinck, waar het accent voornamelijk op spelen lag, maar ook toen al vond ik het maken van een voorstelling misschien nog belangrijker dan het spelen an sich.

Stijn belde me vanuit zijn functie van algemeen artistiek directeur ad interim, als ik me niet vergis. Ad interim, omdat in afwachting van de hervorming van de hogescholen er nog geen definitieve artistieke directie kon worden aangesteld.

Ik had geen benul van wat me te wachten zou staan. Mijn eerste tien minuten waren slechts een voorbode van wat volgen zou.

Ik begeef me naar de Naamsestraat voor een gesprek met de toenmalige algemeen directeur. Voor de deur van zijn kantoor loop ik Geert Opsomer tegen het lijf. We kenden elkaar vooral van een theaterworkshop die ik een enkele jaren eerder aan de universiteit van Leuven had gegeven.

Geert: ‘Wat kom jij hier doen? ’

‘Gevraagd om les te geven. En jij? ’

‘Gastdocent theatergeschiedenis. Ik wou net die deur binnengaan om mijn ontslag aan te bieden, maar als jij komt dan blijf ik nog even en dan moeten we de koppen eens bij elkaar steken. Alles zit hier muurvast.’

Muurvast bleek een eufemisme voor wat ik op mijn weg vond.

(Het infrastructuurverhaal laat ik hier buiten beschouwing. Mijn eerste praktijklessen moesten plaatsvinden in de zielloze klaslokalen van de verpleegsterschool in Jette. Het gevecht om goede werklokalen is op zich een boek waard. Tijdens een latere periode zagen we ons zelfs verplicht het hogeschoolgebouw in de Dansaertstraat te kraken om met de studenten te kunnen werken.)

Ik kreeg de derdejaarsstudenten onder mijn hoede. Een tiental als ik me niet vergis. Een aantal energieke meiden (de vrouwelijke studenten waren binnen de opleiding toen al in de meerderheid), ook Roel Verniers en Bart Van Nuffelen. Allemaal regisseurs in spe. De klas zou zo goed als compleet het laatste jaar bereiken. Echte schifting leek amper te bestaan.

Maar erger nog. Waar had men die jonge mensen gedurende drie jaar mee beziggehouden? Praktijk was zo goed als onbestaande. Professionele stages waren zeldzaam en eerder toevallig. Een beroepsacteur kregen ze amper te zien, laat staan dat ze er mee konden werken. Lesgevers die echt in de theaterpraktijk stonden, kon je op een paar vingers tellen. Sommige vakken leken nog te dateren van kort na de Tweede Wereldoorlog. Schermen en schminken stonden nog op het programma – voor regisseurs nota bene – omdat een prof dat nu eenmaal graag gaf.

Dit was een der belangrijkste vaststellingen: lesgevers leken vooral te geven wat ze zelf wilden geven, en daarmee was de kous af. Onderling overleg? Elkaar met rust laten was veiliger.

Eén hilarische, veelzeggende anekdote kan ik je niet onthouden. Ze was voor mij werkelijk de druppel die de symbolische emmer deed overlopen. Enkele studentinnen waren uiterst nerveus voor een theoretisch examen dat ze moesten afleggen. Examen in ‘de theorie van het regisseren’. Ik was erg benieuwd naar wat dat dan wel inhield. Hou je vast. Daar leerde ik dat er verschillende soorten acteurs bestaan. Het waren er zes, maar ik herinner me vooral de eerste vier:

1 De acteur die erg meegaand is met de regisseur.

2 De acteur die niet meegaand is met de regisseur.

3 De acteur die in het begin meegaand is met de regisseur, maar dan plots niet meegaand wordt.

4 De acteur die in het begin niet meegaand is met de regisseur, maar gaandeweg toch wel meegaand.

Een ander belangrijk item in diezelfde cursus was de werking van een ensemble. ‘…dat het binnen een ensemble vaak moeilijk ging wanneer de directeur een relatie had met een van de actrices’. En dan stonden daar letterlijk twee namen van een vooraanstaand gezelschap uit Brussel ter illustratie.

Met dit soort baarlijke onzin werden die schapen bezig gehouden.

Met een niet in te houden lach, een ongeloof bijna dat dit bestond, legde ik die potsierlijke cursus voor aan een paar collega’s.

We staken met een paar docenten – Marnix Verduyn, Geert Opsomer, Dirk Buyse, om de belangrijkste te noemen (vergeef me als ik er een paar vergeet) – de koppen bij elkaar. Met volle steun en onder leiding van Stijn Coninx werd het programma volledig opengebroken. Tal van andere, zowel theorie- als praktijk-docenten (onder andere Ivo Kuyl en Pol Dehert, Jolente De Keersmaeker, Willy Thomas, Lucas Vandervost, Sam Bogaerts, te veel om allen te noemen) werden aangezocht. De basis werd gelegd voor de opleiding zoals die daarna verder zou evolueren: een opleiding om de jonge theatermaker, aan de hand van diverse confrontaties, zo goed mogelijk voor te bereiden, te wapenen om theater te kun- nen maken in de steeds veranderende wereld.

Contact bieden met en toegang verschaffen tot de werkelijkheid van een theaterpraktijk vormde onze belangrijkste ambitie. In het theaterlandschap bestonden nog te weinig plekken waar jonge makers volwaardig kansen kregen en goed begeleid werden bij hun eerste professionele projecten.

(Toen in 1997 het lot mij de artistieke leiding van Theater Antigone in de schoot worp, heb ik daar meteen een van de hoofdpijlers van de artistieke werking van gemaakt. Nog geen seconde spijt van gehad.)

Intussen werd dat leerprogramma al een aantal keren bijgestuurd. Sinds een tiental jaren worden er ook spelers opgeleid. Vanaf dat moment werd het een onophoudelijk zoeken naar een goede balans voor makers én spelers. Een queeste waar je als opleiding nooit helemaal uit bent.

De Bologna-akkoorden dwongen het hele kunstonderwijs in het bachelor-mastersysteem. Dit heeft onder andere tot gevolg dat een student met een professionele bachelor (drie jaar opleiding) al klaar moet zijn voor het beroep. Als opleiding moet je daar je verantwoordelijkheid in nemen.

Hoe organiseer je het bijbrengen van intellectuele, artistieke en technische maturiteit in drie jaar tijd?

Een andere zorg binnen het kunstonder- wijs is de zogenaamde ‘academisering’. Een klacht die ook weerklinkt in de rangen van andere kunstrichtingen. Reflecteren en theoretiseren zijn geen onbelangrijke aspecten, maar het ‘maken’ van een kunstwerk blijft toch nog altijd belangrijker dan er goed over kunnen praten.

En een laatste puntje. Het RITS heeft met zijn diverse audiovisuele afdelingen en zijn theaterafdeling unieke troeven in de hand. Troeven die nog steeds niet ten volle benut worden. Het is bijna onbegrijpelijk dat er in deze tijden nog zo weinig cross-overs bestaan tussen die verschillende disciplines.

Tal van uitdagingen waarover we ons gelukkig met alle docenten blijven beraden. Dat houdt het spannend. Voor minder gaan we niet.

Johan Petit

studeerde aan het HRITCS/RITS van 1993 tot 1997.

In het jaar 1993 heb ik mijn middelbaar afgemaakt. Ik was negentien jaar en ik wou toneel maken. En dus ging ik naar de toneelregieschool, het RITS. Om te leren hoe dat ge dat moet doen, toneel maken.

De plek waar ik les kreeg, heette ‘de Sonart’, een oud vervallen gebouw met een televisieloods, een lange gang waar iedereen op lange banken wachtte tot de lessen begonnen en een aula of twee. Toneel was nog niet gescheiden van tv en film. En dus kreeg ik filmgeschiedenis, beelddramaturgie en werd mij fysicagewijs uitgelegd hoe het mogelijk is dat een televisie- signaal zowel op zwart-witte als op kleurentv’s te ontvangen was. De lessen waren, op enkele uitzonderingen na, dodelijk saai. En dus zat ik in de kantine te kaarten en genoot ik van de broodjes van de sandwicherie op de hoek. Over toneel leerde ik dat eerste jaar niks.

In het tweede jaar kregen we enkele vakken los van de film- en tv-opleiding en toneel. Ik leerde schermen, moest een decormaquette maken, kreeg theorielessen over postmodern theater (die ik zo goed ik kon probeerde te begrijpen, waar ik jammerlijk in faalde, omdat ik totaal geen benul had van wat die theorie in de praktijk inhield) en verder leerde ik nog iets over komma’s, pauzes en subtekst (onuit- gesproken, onzichtbare tekst die verborgen zit achter de letters op het papier) van Dirk Buyse. En nog steeds wist ik niks van toneel. Ondertussen was ik op kot gegaan. Met zes anderen, die ook allemaal op het RITS zaten, hadden we een huis gehuurd met drie appartementen aan de Lemonnierlaan. Daar lazen we boeken over Meyerhold, Peter Brook en de Dodenklas van Tadeusz Kantor, we discussieerden veel en droomden van toneel. En omdat we op school toch niks leerden, besloten we zelf toneel te maken. Op locatie, in open lucht, in de winter. Dromen en gefluister of is de snor storend bij cunnilingus, zo heette het stuk. Het duurde twee uur, waarbij het publiek anderhalf uur moest rechtstaan.

En toen gebeurde het. Toen ik in het derde jaar zat, barstte de revolutie los. Er waren legendarische vergaderingen met nieuwe docenten, Pol Dehert, Jos Verbist, Ivo Kuyl, Geert Opsomer en Marnix Verduyn. Er werd een betoging georganiseerd. We kraakten een gebouw in de Dan- saertstraat waar geen verwarming was en waar het papier van de muren kwam. Daar kregen wij les. Het was een heel opwindende tijd. Alles was ineens anders. Alles kon. Plots werd er geluisterd naar hetgeen we mee bezig waren.

Brussel werd plots veel meer dan de plek waar we les kregen. Onder invloed van gast- docenten zoals Willy Thomas werden we aangemoedigd om de stad in te trekken. Om, ook buiten school, op zoek te gaan naar verwante geesten. Plots werd er, hoewel vaak informeel, samengewerkt met mensen van de Studio en het Conservatorium van Antwerpen. Eindexamens werden gespeeld in de Monty, in nOna, op locaties in Gent, in Brussel. De school, die jarenlang niks anders had gedaan dan met zichzelf bezig te zijn, trok letterlijk de straat op, de stad en het land in.

In tegenstelling tot de jaren daarvoor werden we overspoeld met inhoudelijke input. Er werden projectweken georganiseerd rond verschillende thema’s, we gingen kijken naar repetities van Luk Perceval en moesten plots stages doen. De meest bijzondere verwezenlijking vond ik het installeren van de ‘solomomenten’. Tussen alle lessen en examens door werden we verplicht om één keer per jaar, in onze vrije tijd, een solostuk te maken dat we op school moesten tonen. De solo’s werden niet gekwoteerd, waardoor ze werkelijk de meest totaal geschifte experimenten opleverden. Na een monoloog van een alcoholieker die een tekst van een alcoholische schrijver speelde, zagen we op een plein iemand letterlijk uit een boom vallen, een veertienjarige jongen zong een smartlap van Drukwerk, op het dak van de Dansaertstraat deed een actrice een maf dansje, terwijl in de kelder iemand met micro’s en gitaren Blixa Bargeld nadeed. In mijn klas begonnen mensen plots dansvoorstellingen te maken, travestieshows, installatietheater en documentair theater over Briek Schotte.

En intussen werden we door de docenten bestookt met filosofie, dramaturgie, boksende dichters, Duitse schrijvers en ‘grave verhalen’. Vooral heel veel grave verhalen. Af en toe leerden we ook iets over de manier waarop toneel werkt. Af en toe was er plots een moment van inzicht, een moment waarop ge al die theorieën en grote woorden ineens begrijpt. En dat is een uitzon- derlijk gevoel. Want veel valt er over toneel op een toneelschool niet te leren. Ge moet proeven, proberen en mislukken. Durven en doen. En als ge onderweg twee dingen leert, dan kunt ge daar vijftien jaar mee verder.

Ik heb op het RITS drie dingen geleerd: 1. dat wat ge doet en zegt op scene ‘concreet’ moet zijn, 2. dat ge moet weten wat ge wilt vertellen en 3. dat ge in een bespreking met acteurs altijd de goeie dingen eerst moet benoemen en pas daarna de slechte. Dat is gigantisch veel eigenlijk.

Maar waar ik het RITS vooral dankbaar voor ben is dat ze mij daar onderwerpen hebben aangereikt, dat ze me aangemoedigd hebben, dat ze mij geholpen hebben in mijn zoektocht naar een persoonlijk verhaal en een eigen stem. En als ik vandaag min of meer het gevoel heb dat ik dat min of meer gevonden heb, dan weet ik dat ze mij daar op de goeie weg hebben gezet.

Carly Wijs

geeft sinds 2006 regelmatig les aan het RITS

Voor mij persoonlijk is het een confronterende ervaring om de generaties na mij te zien ploeteren en tot het besef te komen dat ik het na vijfentwintig jaar nog niet veel beter doe. Het leert je nederig te zijn. Misschien is het belangrijkste wat ik de leerlingen bijbreng het inzicht dat vallen een onderdeel is van groei en dat de grootste mislukking het beste lesmateriaal oplevert. Het betekent dat je vaak balanceert op een slap koord. Niks is met simpele taal te duiden. Je moet gebruik maken van woorden als: authentiek, transformatievermogen, betrokkenheid bij het materiaal, of nog zo’n mooie: in verbinding staan met je eigen emotionele huishouding. Ga er maar aan staan en probeer er maar wat mee te doen. Hoe leg je als leraar aan een student uit dat hij of zij op alle punten is gezakt dit jaar, maar dat het toch heel goed gaat? Hoe leggen de studenten uit aan hun ouders dat ze echt heel hard hebben gewerkt het afgelopen jaar, maar dat ze er toch niet door zijn? Dat is de onvoorspelbaarheid van de opleiding. Van alle kunstopleidingen. En daar ligt meteen ook de kracht van de kunstopleiding; het leert je misschien niet iets makkelijk meetbaars als rechten of wiskunde, maar bereidt je wel voor op de onvoorspelbaarheid van het leven en leert je de flexibiliteit die je later zo hard nodig zal hebben om te overleven in dit veld. Eigenlijk om te overleven in elk denkbaar veld.

Ook is het voor mij belangrijk dat de school in Brussel staat. De stad die ik twintig jaar geleden al in mijn hart sloot en waar ik nu sinds vijf jaar woon. In Molenbeek. De wijk waar ook de theaterafdeling van het rits staat. Een moeilijke wijk, vuil, niet in één woord te vangen, beangstigend en anders. Ooit maakte ik met Frank Vercruyssen een reis naar Marokko met de wagen. Iedereen had mij verteld dat er een wereld voor mij zou opengaan wanneer ik van de boot zou afstappen in Nador, het noorden van Marokko. Afrika zou als een warme deken over me heen vallen en alles zou anders zijn. Het deed me niks, het zag er uit als de Gentsesteenweg in Molenbeek: dezelfde winkeltjes, dezelfde producten en dezelfde mannen die de spulletjes op dezelfde manier verkochten. Het was alleen wat warmer, dat wel. Ik durf dus te beweren dat Molenbeek een andere wereld is binnen Brussel. En toch is het typisch Brussel, want Brussel is nu juist een verzameling werelden die bij elkaar één gewest vormen. Het feit dat de school in deze wijk staat, dwingt je te kijken naar die andere wereld. En laat dat voor mij nu net het essentiële zijn van theater: de mensen laten kijken naar het andere. Zelfs in de ogenschijnlijk meest bevestigende voorstellingen als de musical Shrek wordt het publiek gewezen op het andere. Als er ergens een functie voor het theater is weggelegd, dan is het wel hier. Molenbeek maakt dat duidelijk. Het is ook pijnlijk. Precies het proces waar je als student doorheen gaat gedurende vier jaar hier op school. Mijn werk op het RITS heeft er voor gezorgd dat ik in mijn eigen werk meer kanten durf op te schieten. Mijn voorstellingen zijn gerelateerd aan tekst en zullen dat ook altijd blijven omdat daar mijn hart ligt, maar de confrontatie met een ander soort fantasie beïnvloedt me.

Ik kom uit een lichting die de klassieke teksten leerde herwaarderen. De liefde voor de literatuur. Het bewerken van boeken voor theater, waarbij je wekenlang de schriftuur van een schrijver ontleedt, verwerkt en opnieuw tot leven laat komen door middel van een theatertekst. Tegenwoordig voel ik de generatiekloof vooral op dat punt. De generatie van nu is zeer sterk beeldbepaald en dat geeft een letterlijkheid waar ik soms tegenop loop. Een tekst lezen, herlezen en herinterpreteren bij iedere lezing lijkt een te grote opgave geworden in een wereld waar ieder beeld direct oproepbaar is. Het denken in metaforen lijkt wel verdwenen. Of misschien zijn de metaforen veranderd en herken ik ze niet meer? Ben ik degene die het beeld te letterlijk opvat en ligt het probleem daar? Ik zie het als mijn taak om de onduidelijkheid die heerst tussen de generaties te overbruggen. Dat doe je niet door je eigen mening door te drukken. Maar dat doe je ook niet door iets anders te doen dan hetgeen je eigenlijk kan en waarnaar je hart uitgaat. Kortom, door je anders voor te doen dan je bent. Het is dat gesprek dat gevoerd moet worden door de student en de docent. Daarvoor zijn aandacht nodig en overgave, maar ook afstand: ik ben niet de beste vriendin van mijn studenten. Ik sta daar en probeer een gesprek te voeren, maar verplicht hen tot niks. Dat is hun eigen verantwoordelijkheid. Ze moeten zelf het gesprek gaande houden. Op die manier denk ik dat je in de buurt van je eigen taal kunt komen en iets toevoegen aan het theaterlandschap. Een van de redenen waarom ik niet in Antwerpen woon en wel in Brussel is dat ik in Antwerpen de hele tijd werd gewezen op mijn ‘Hollanderschap’. Dat is een niet erg positief statuut in Antwerpen. Het is lastig als je jezelf de hele dag door moet verexcuseren voor het feit dat je uit een bepaald land komt waarover een bepaald vooroordeel heerst. In Brussel hoeft dat niet. In Brussel mag iedereen komen. Arno zei ooit: ‘Brussel is als een oude hoer; ze ontvangt iedereen met open armen, maar je moet wel braaf zijn.’ Dat is heel precies geformuleerd, met de juiste humor bovendien. Waar kun je beter dan in Brussel het andere leren waarderen? Brussel is de stad waar de anderen welkom zijn. Het is er niet altijd even schoon en zeker op de fiets ontbreekt ieder gevoel van veiligheid, maar de armen van Brussel staan altijd wijd gespreid naar ieder die de stad nadert. Ze ziet er alleen uit als een oude hoer…

Simon Allemeersch

studeerde aan het RITS van 2002 tot 2006.

Ik ben naar het RITS gegaan omdat iemand me zei dat Eric De Volder daar les gaf. Dat bleek niet te kloppen. In het eerste jaar bleek al vlug dat ik niet zou slagen. Vanaf toen begon ik mijn zin te doen, en begon ik het fijn te vinden.

Ik heb van geen enkele vrouwelijke maker ooit les gehad. Er bleken geen vrouwen te bestaan die toneel maken. Het was een opleiding van en voor mannen.

Ik heb het RITS altijd als een winkeldiefstal gezien: ongemerkt binnengaan, zoveel mogelijk meepikken en dan proberen buiten te raken zonder dat iemand je tegenhoudt.

Ik heb altijd het tegenovergestelde proberen te doen van wat men mij aanraadde.

Wat niet goed was binnen de school dwong me om dat buiten de school te zoeken. Als dat de opleiding was, dan heb ik er veel aan gehad.

De opleiding voelde als één grote chaos. Voor mij werkte dat heel goed. Ik vraag me af wat er van de mensen is geworden voor wie dat niet werkte.

De school had niets te maken met de stad die er omheen lag. Er werd over ‘het veld’ gesproken, en ik vroeg me af wat voor plek dat dan was. Het is me nooit echt duidelijk geworden.

Er was te weinig geld om eindwerken te maken en van Stijn Daens Coninx mochten studenten niet staken.

In het derde jaar ging ik thee drinken bij Jan Devos thuis. Dat was het beste moment van de hele opleiding.

Ik heb onlangs een project gedaan met theaterstudenten. Ik probeer zoveel mogelijk het tegenovergestelde te doen van wat ik me herinner van het RITS.

www.rits.be

artikel
Leestijd 19 — 22 minuten

Bart Van Nuffelen, Johan Petit, Simon Allemeersch, Jos Verbist, Carly Wijs

artikel