Eric De Kuyper

Leestijd 5 — 8 minuten

De zon komt op. Het is een prachtige lenteochtend.

‘Dat je met een zaklantaarn de maan kunt nabootsen leek het tienjarig kind dat hij toen was, aan het magische te reiken.’ Eric De Kuyper over theaterbelichting in de jaren 1950 en over de negentiende-eeuwselichtspektakels van Daguerre.

In die tijd speelden ze poppenspel. Een hele winter lang werd er gebouwd en geknutseld. De meeste energie ging in de voorbereiding zitten. De opvoering zelf leek op een formaliteit, ter afsluiting van de voorbereiding.

Ook dat er zoiets als een stuk diende gespeeld te worden, was bijzaak. Ze beschikten immers slechts over drie draadpoppen: een prinses, een prins en een heks. Met deze drie personages kon je overigens een heel eind geraken. (Propp heeft aangetoond dat je met deze sleutelfiguren enkele fundamentele gegevens hebt van elke verhaalstructuur.)

Alle aandacht en zorg ging naar de decors en meer nog naar de belichting. Met een bureaulamp bereikten ze het effect van ‘volle zon’ en met de blauwgroene slingerverlichting van de kerstboomversiering toverden ze de dag om tot nacht. Dat diende met veel handigheid te geschieden want over zoiets als een ‘dimmer’ beschikten ze niet. Het mooiste was echter het effect dat ze verkregen met een zaklantaarn: de maan kwam op en gleed achter de takken van de bomen. Hier werd dagenlang mee geoefend om de perfectie van de illusie te benaderen. Dat je met een zaklantaarn de maan kunt nabootsen leek het tienjarig kind dat hij toen was, aan het magische te reiken.

Ik houd in het theater nog steeds van magie en illusie. Het theater als doos waarin wonderbare dingen gebeuren. De zwarte doos en het lijsttoneel lijken me toch nog altijd het mooiste te zijn wat er is.

Iets ouder geworden, bleef ik gefascineerd door wat er op een toneel allemaal met licht kon gebeuren. Wat ik in die dagen in de KVS te zien kreeg (einde jaren 1950), was uiteraard niet veel meer dan de traditionele belichting met de voorgeschreven effecten. Nu eens realistisch, dan weer neigend naar het expressionisme. Het was niet meer dan het werk van een goede vakman achter het licht-orgel, maar ik bleef even geboeid als door onze kinderlijke poppenspeleffecten met de kerstversiering en de zaklantaarn.

Een lichtorgel: wat een mooie en juiste benaming! De ruimte wordt bespeeld, het decor wordt afgetast, de acteurs krijgen een aura: het toneelbeeld komt tot leven.

Het licht is een natuurlijk element dat in het theater totaal kunstmatig wordt voortgebracht. Alle kenmerken die het licht in de werkelijkheid heeft, kunnen aan de hand van elektriciteit en vaardigheid worden nagebootst. En nog veel meer, want van Appia tot Wilson zijn er steeds mensen geweest in het theater van de 20ste eeuw die het licht en de belichting op een onrealistische manier, als een abstract gegeven hanteerden. Vreemd genoeg is dat – licht als licht – iets waar je bij de film nooit toe komt. Misschien komt dat omdat een filmprojectie zelf reeds uit licht bestaat? Je kunt bij film natuurlijk ontzettend veel met licht verkrijgen – en meer in zwart-wit dan in kleur, omdat je er zoveel meer mee kunt bereiken wanneer het om schaduwen gaat, de overgang van licht in duisternis – maar het abstract licht dat toch tastbaar is, dat is een register dat enkel op de bühne bereikbaar is. Reden dus om voor die kunstvorm een aparte en wat dat betreft een onvervangbare status te blijven opeisen. Maar ik moet mij beperken en zal het niet hebben over dat abstracte licht, dat zuivere licht.

In het tekstboek lees je: ‘De zon komt op. Het is een prachtige lenteochtend.’ Of: ‘De zon gaat onder en er dreigen onweerswolken.’ Op het toneel zie je het. Wat een wonder!

In het begin van de 19de eeuw was een van de grote spektakelvormen — even populair als de panorama’s, maar over de wereld minder verbreid – het diorama. L-J.M. Daguerre, de man die de fotografie (mede-)ontdekte (daguerro-typie), was in het begin van zijn loopbaan een theaterdecorateur. Of juister gezegd: hij was gespecialiseerd in het scheppen van speciale lichteffecten zoals onder- en opgaande zonnen. In alle theaters van Parijs was hij werkzaam. Hij verzorgde de ‘special effects’ die met licht te maken hadden. Zijn kunst baarde veel waardering, zodat hij op een dag besliste om een eigen theatertje te bouwen, geheel naar eigen ontwerp. Wat de toeschouwers er te zien kregen was één enkel beeld, niet eens een decor, maar een tafereel (bijvoorbeeld een Zwitsers landschap) bestaande uit een reeks beschilderde doeken (afmetingen van het tableau: 22 m breed op 14 m hoog). Door middel van transparantie, ging het ene beeld over in het andere, het ene doek werd van achter belicht en liet een tweede, derde, enz. zien… Heel eenvoudig principe, maar uiteraard moeilijk vatbaar voor wie nooit met dat soort knutselwerk bezig is geweest! Eenvoudig uitgelegd: neem een blad papier met aan de achterkant een tekening en houd het achter je bureaulamp: je ziet enkel wit. Houd het nu voor je bureaulamp: je ontdekt de tekening! Doe dat nu met verschillende bladen papier, en verzet de lamp van voor naar achter.

Bij de schouwspelen van Daguerre waren geen personages, er was geen verhaal, er was slechts dat ene beeld waar de toeschouwers in drommen naar toe kwamen kijken. Gedurende ongeveer een kwartier zagen en bewonderden ze hoe de zon opkwam op de Sarnen-vallei, het daarna langzaamaan dag werd, hoe na verloop van tijd de zon weer onderging en het nacht werd. Je zag ook rook opstijgen uit de woningen, het bergbeekje leek te kabbelen (vooral indrukwekkend onder het maanlicht), lichtjes gingen aan in de huizen, sterren fonkelden,…

Illusie van beweging enkel teweeggebracht door die tweedimensionale doeken. En alles uitsluitend teweeggebracht door licht dat beweegt voor en achter die doeken.

De recensent van The Times schreef: ‘The most striking effect is the change of light. From a calm soft, delicious, serene day in summer, the horizon gradually changes, becoming more and more overcast, until a darkness, not the effect of night, but evidently of approaching storm – a murky tempestuous blackness – discolours every object, making us listen almost for the thunder which is to growl in the distance.’ En zo gaat de schrijver een lange paragraaf verder.

De voorstellingen waren doorlopend, van 11 uur tot 16 uur, en duurden zoals gezegd slechts een vijftiental minuten. Dit gebeurde allemaal met daglicht. Een uitermate ingenieuze (en door Daguerre gepatenteerde) opstelling van luiken en kleurenfilters (vergelijk met een hyper-gemechaniseerde reeks luxaflexen) maakten al die lichteffecten mogelijk.

Na dit eerste tableau werd de hele zaal op haar as gedraaid met toeschouwers en al, en schoof zo voor een tweede tableau. Het was immers veel te ingewikkeld om de doeken te

verplaatsen en te verhangen; ze bleven nagenoeg een jaar hangen en werden dan vervangen door een ‘nieuw programma’.

In elke geschiedenis van de film, wordt een hoofdstukje aan het ‘diorama’ gewijd. Wellicht omdat Daguerre een grondlegger van de fotografie is geweest, maar ook omdat hij met zijn diorama terecht wordt beschouwd als iemand die vanuit stilstaande beelden zoiets als de illusie van beweging wist te toveren. Ik vind het daarentegen vreemd dat je in de ‘geschiedenissen van het theater’ zijn naam nooit tegenkomt, terwijl dit toch een prachtig schouwspel moet zijn geweest. Het lijkt ons natuurlijk vreemd dat toeschouwers zich verplaatsten en (dure) kaartjes kochten om slechts naar een enkel beeld te gaan kijken.

Ik denk dat ik het ook sprookjesachtig mooi zou hebben gevonden. De fascinatie zal wel met het manipuleren van de tijd te maken hebben gehad: één volle dag van 24 uur wordt in vijftien minuten gecondenseerd. Het verloop van de tijd wordt mogelijk – en zichtbaar – gemaakt door middel van licht. Het zichtbaar maken van zoiets onzichtbaars als tijd, daar gingen de diorama’s over. En evenveel als het kijken naar een beeld, kijk je naar licht en de wijzigingen van het licht.

Tijd, licht en beweging… Met eenvoudige, ja naïeve middelen een heel abstract idee concretiseren, dat is toch fantastisch! Ik moet dan altijd denken aan de uitspraak van Gurnemanz aan Parsifal, alvorens de held de Graal binnentreedt: ‘zum Raum wird hier die Zeit!’

 

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#78

15.10.2001

14.01.2002

Eric De Kuyper

Eric de Kuyper (1942) is de auteur van talloze artikelen over dans, opera en film, en van een reeks autobiografische boeken, waaronder Bruxelles, here I come (1993). In 2007 verscheen Het teruggevonden kind.