‘Hirondelle/Dooi Vogeltje/The Great Swallow’ © Alexis Destoop

Anne Dekerk

Leestijd 10 — 13 minuten

Zoektocht naar generositeit

Fragmenten uit een gesprek samengesteld door Anne Dekerk

Een nummer over liefde. Als ik aan liefde denk in relatie tot het werk van Benjamin Verdonck, kom ik snel uit bij het woord ‘generositeit’. Niet meteen een woord dat en vogue is in een wereld waar economische ruil domineert. Is generositeit of liefde een subversief gebaar in zo’n context? En hoe stel je een genereus gebaar? Vanuit welke plek kan je dit doen?

Benjamin selecteerde een aantal beelden van zijn werk die hij verbindt met generositeit. Daarna zaten we rond de tafel met Geert Opsomer, de beelden en de bijhorende voorstellingen als uitgangspunt voor een gesprek. Gedachten van een kleine zoektocht naar generositeit, of een plek die vanuit het onmogelijke een mogelijkheid tracht te creëren.

Hirondelle/Dooi Vogeltje/The Great Swallow

Een man/zwaluw in een nest, gehecht aan de buitenkant van een administratieve toren. De man komt uit het nest en spreidt zijn armen in een poging de mensen beneden te omhelzen. In die poging valt hij naar beneden. Er blijft een krijtspoor achter van zijn lichaam en een lege ambulance.

Benjamin Verdonck: Dit werk draait inhoudelijk rond het stellen van een genereus gebaar. Ik heb hier heel letterlijk gevoeld wat het is om te mogen geven. Het was erg elementair. Er passeerden mensen en ik gebaarde dat ik naar hen toe zou vliegen en de mensen gebaarden op hun beurt dat ze me zouden opvangen, of meevliegen.

Geert Opsomer: Het gaat voor mij over het innemen van een plek die je normaal niet kunt innemen. Een plek waar normaal gezien niemand staat. Een utopische plek misschien. Om van daaruit een genereus gebaar te maken naar de samenleving toe. Je geeft een cadeau zonder dat iemand erom vraagt. Het creëert een oerkracht in de maatschappij. Vanwaar komt dat? Waarom die generositeit?

Anne Dekerk: Generositeit staat steeds in een spannings- verhouding, denk ik. Voor mij heeft het steeds een band met iets grenzeloos of buitensporigs. Hoe ver ga je? In welke mate verlies je jezelf daarin, zelfs tot de dood toe? In hoeverre overtreed je de wet of normen? In religie, maar misschien ook in het theater, is dat gekaderd en wordt die grenzeloosheid, denk ik, aan banden gelegd.

Geert: Liefde heeft iets subversiefs. Als je verliefd bent op iemand, op een werk, dan ben je bereid om dingen te doen die buiten de Wet vallen. Dat alleen al heeft iets erg subversiefs. Dat maakt het niet-recupereerbaar, niet-consumeerbaar, niet- vervangbaar, niet-legitimeerbaar.

Anne: Een genereus gebaar, of een gebaar tout court, herinnert mij aan het begin van het boek Onsterfelijkheid, van Milan Kundera. Hij beschrijft er het gebaar van een oudere vrouw die wuift, alsof het gebaar afkomstig is van toen ze nog jong was. Dat gebaar heeft iets wat niet te grijpen is. Alsof het een eigen leven heeft en lichamen kiest om te bewonen: ‘Met een deel van ons wezen leven we buiten de tijd.’ Een gebaar heeft een vreemde verhouding met de belichamer ervan. Het lijkt er los van te staan en tegelijk kan het niet zonder die incarnering. In mijn ogen heeft dat iets te maken met de afstand die je hier creëerde, vergeleken met Bara/ke. Je stond er tussen de mensen en dus draaide het meer om het concrete contact met de mensen. In Hirondelle heb je door de afstand tegenover de passant een theatraliteit bereikt en wordt dat gebaar een performatieve daad. Door die afstand krijg je ook een andere verhouding met het belichamen van dat genereuze gebaar.

Geert: Gebaren zijn vaak erg gecodeerd, ze betekenen iets. Als je een gebaar wil stellen dat tegelijk herkenbaar is en genereus, dan moet je de gangbare gebaren kunnen overstijgen.

Anne: Naast het overstijgende aspect, is een genereus gebaar ook steeds een risico. Je verliest iets.

Geert: Je kan niet anders dan een risico nemen. Dat is inderdaad een verlies. Je kunt er letterlijk buiten hangen en het risico nemen om te vallen. Verlies en tragiek zijn steeds verbonden met de generositeit van dat gebaar. In al zijn liefde heeft generositeit ook iets eindigs. Generositeit is iets paradijselijks en tegelijk iets tragisch, vandaar de krijtlijn van het lichaam op de grond achteraf.

Benjamin: Het einde, waarbij ik val, zie ik ook als een punt achter deze voorstelling. Het is alsof je anders te veel de belichaming van die actie zou worden, ik als Benjamin Verdonck en niet als acteur, alsof je jezelf aan het geven bent. Dat einde heeft eerder iets van een grote verdwijntruc, veeleer dan dood te zijn: gedooid… Het dooi vogeltje is een andere benaming voor de zwaluwen, het verwijst naar de laatste ijsheiligen en dus de aankondiging van de lente. Het is een einde dat hoop in zich draagt op een nieuw begin.

Geert: Het is hier tevens een stellen van een niet gevraagd gebaar. Het creëert een appèl naar mensen toe, een ruilproces. Maar een ruilproces dat een ander statuut heeft dan de economische ruil. Er ontstaat bij de ander iets waardoor hij opgeroepen wordt om zich te verhouden tot dat gebaar.

Benjamin: Ik vind het een mooi idee om een kunstwerk onverwacht aan te bieden. Het is iets dat je ontvangt, zonder dat je op weg ging met dat verlangen of een verwachting. Je kocht geen toegangskaartje. Je verwachtte geen ontroering in evenredigheid tot het gespendeerde inkomstbedrag.

Boom

Benjamin: Door de wacht te houden op een boom, met niets achter mij dat beschermd dient te worden, werd mijn actie een werk. Het gebaarde: “kijken naar wat komt”. Toen ik keek naar het landschap en wist dat de mensen achter mij door zouden komen om mij te zien, dacht ik: hier ontstaat een situatie van ‘samen kijken naar’. Het is een letterlijk gebaar. Net doordat ik dit doe, komen de mensen samen met mij kijken naar het landschap. Doordat ik er sta, kijken de mensen die kant uit. Het is ontvangen, geven, doorgeven. Ik ben zelfs met mijn rug naar het publiek gekeerd. Dus de mensen kijken niet eens meer naar een act die ik doe, maar ze kijken bijna door mij heen, doorheen mij, naar een volgend ding. Het verbeeldt iets doorheen mij.

Geert: Het geeft ook een rust dat iemand die plek inneemt. Het heeft wel een spirituele dimensie. Vergeleken met vroeger gebeurt dat nu eerder via de kunst. Anne: Hier verwijst het ook letterlijk naar elders. Naar een landschap. Het is een mediërende positie.

Geert: Het is ook de vraag naar de plek van de kunst. En deze ligt zeker niet in een functioneel of praktisch nut. Hoewel ze uiteraard een praktisch nut kan hebben. Je zou het vermogen willen hebben om zo méér plekken te zien. Om te verlangen naar zo’n plek. Dat is anders dan ‘ik wil rijk worden’, of ‘ik wil een popster worden’. Als mensen dat soort vermogen zoeken, dan kun je door het zien van zulke gebaren proberen te zoeken naar een talig vermogen om datgene wat onmogelijk blijkt te gaan proberen verwoorden. Alleen kunst kan in dat gat gaan staan, om vanuit dat onmogelijke tot een mogelijkheid te komen en te gaan creëren. Vroeger zat het meer in de relatie tot het goddelijke of het koninklijke. Het vond zijn articulatie via religie of de staat. Dat is er nu niet meer. Het heeft de taal niet meer die er was. Maar het is nog een brokstuk van een gebaar, het is verschrompeld tot een gebaar. De dimensie die we nu trachten te benoemen is in feite spiritueel of utopisch.

Anne: Onvermijdelijk wordt het ook afgemeten, het moet verkopen en het zit vaak in een utilitaristisch systeem. Het is een kwestie van daar een verhouding toe te zoeken. Hier is die band met de grenzeloosheid er opnieuw voor mij. Generositeit kan niet afgemeten worden aan een ideaal of een norm. En generositeit kan niet restloos gemeten worden. Als je het wil afmeten aan een bepaald nut is er steeds een rest die niet gerecupereerd kan worden en die blijft doorwerken. Dat heeft ook iets te maken met het gegeven ‘proces en productie’ en de structuren waarbinnen je een werk maakt.

Geert: Het is juist die weerbarstigheid, dat niet functionele, de energie en het vermogen die niet onder te brengen zijn in utilitaire categorieën. Ook liefde hebben voor een werk staat in een spanningsverhouding met de productiemechanismen en de structuren errond die het willen inperken. Er is iets erg belangrijks in het aspect van liefde voor het leven van een werk.

313/Misschien wisten zij alles

Benjamin: De concrete aanleiding voor deze voorstelling was 11 september. Toen dit gebeurde, restte ons de vraag hoe ons te verhouden tot zo’n gebeurtenis. We konden enkel bedenken dat we iets ongelooflijk moois wilden maken. Niet met de bedoeling om de ogen te sluiten maar als vertroosting, hoewel dat een onhandig woord is binnen deze context. Dat gebaar hebben we formeel gemaakt door een zo groot mogelijk cadeau te maken met op het einde een taart.

Geert: Het gaat in zekere zin over fabels maar daarnaast is er een parallelle wereld. De wereld van Benjamin en Willy die bezig zijn met iets te bouwen, iets te construeren. Het is een installatie die constant in beweging is. Jullie zijn op een hele genereuze manier bezig met een feest in elkaar te steken. Als toeschouwer heb ik hier het meest het gevoel gehad van in een wereld te komen waarin wel veel dingen fout zijn maar dat het allemaal niet erg is, want er is een grote generositeit, een soort energie waardoor je toch doorgaat. Ik had na die voorstelling het gevoel dat er één groot vangnet was.

Anne: De taart, de verhouding tussen jullie, het bouwen en construeren, dat is eerder de representatie van generositeit op de scène. Tevens wordt er een geborgen gevoel gegeven aan het publiek. Je neemt deel aan de wereld die gecreëerd wordt. Wat gegeven wordt, is een plaats die je als toeschouwer krijgt. Je wordt omarmd in het gebeuren.

Wewilllivestorm

Benjamin: De voorstelling was een poging om tegengewicht te bieden aan hoe ik de wereld op dat moment ervoer. De reclame die op je afkomt, het aanzetten tot steeds meer en meer, nieuw en nieuwer. Ik wou geen afwijzend gebaar aanreiken, maar net in zachtheid, verstilling en verfijning gaan. Bijna alsof je zou zeggen ‘kom binnen’ en ‘hier kan het even stil zijn’. In Wewilllivestorm ligt voor mij de poging tot het genereuze gebaar vooral in hoe het te formuleren. Het ligt vooral in de betrachting het zo stil en zacht en fijn mogelijk aan te bieden. Het is een uitnodiging: kom, zie en kijk.

Anne: Ik vind het mooi hoe er telkens een andere soort ruimte en een andere verhouding ontstaan tussen jou en objecten in de verschillende voorstellingen.

Geert: In 313 is er een grotere verspilling in het gebaar. Hier is er een grotere precisie, het is eerder een soort ritueel dat zijn verloop kent.

Benjamin: In die precisie zit ook een toewijding. Het ding een ding laten zijn, als een soort eerherstel: het brood is het brood is het brood en geen ding dat we geacht worden te kopen omdat het in een zak zit waarop de Spice Girls gedrukt staan. Het is een gebaar naar het ding toe.

Geert: Het is het ding zelf dat een wereld creëert en een verbeelding doet ontstaan.

Benjamin: Generositeit voelt voor mij aan als het laatste dat je kan doen als verzet. Het is verzet, maar niet binnen een dialectische verhouding zoals wij die kennen. Het is niet direct ergens tegen gericht of het is geen institutionele kritiek of ideologische propaganda. Het voelt aan als een menselijk gebaar dat juist omdat het zich niet concreet ergens tegen positioneert, net ongrijpbaarder is. Er is ook een mogelijke politieke consequentie. Het geven is een subversieve daad, want je ondergraaft een politiek consumistisch model.

Global Anatomy

Benjamin: Misschien vertrekt deze voorstelling meer vanuit de donkerte om van daaruit liefde te ontdekken. De nadruk op het lichte, het optimisme staat niet los van tragiek, wanhoop, donkerte.

Anne: Ik vind de verhouding tot mij als toeschouwer hier veel gewrongener dan in andere voorstellingen. Het is op momenten een erg harde voorstelling. De objecten hebben hun waardigheid hier verloren. Ze functioneren niet. Hun nut wordt verstoord. De donkerte of de wreedheid, ook tussen de twee vrienden, komt veel directer aan bij de toeschouwer. En toch word je tegelijk meegesleurd in het ‘doorgaan’, wat aanvoelt als ‘door iets heen gaan’. Die energie en dat letterlijk ‘doorheen en on- danks alles’ blijven bouwen en construeren riep verbazing op bij mij. Ik denk dat de generositeit hier samenhangt met dat laatste. Tegelijk is het erg dubbel in een wereld die een grote verwenruimte is: zoals in de voorstelling, letterlijk met uw gat in de boter gevallen zijn. Die verhouding van generositeit tot een wereld waar verkwisting en overvloed heerst, heeft mij aan het denken gezet. Is dat genereuze gebaar dan gelukt? Of blijft het bij pogingen die tevergeefs mislukken?

Benjamin: Waar we naar op zoek waren, was om net doorheen die donkerte echt letterlijk te verbinden. Zoeken naar hoe elementen te verbinden zijn en hoe je dat met het publiek doet. Het ging misschien wel over de onmogelijk- heid van het stellen van dergelijke gebaren, of het immer pogen een gebaar te stellen. Wat meespeelt, was misschien dat ik niet alleen ‘melig’ of zacht over dat onderwerp wou praten. Of misschien had ik dit nodig om te weten dat ik er alleen zacht over wil praten?

Geert: Hier gaat het over het gebrek aan respect en de ontwaarding van dingen. Dat creëert een mesthoop. Het is de samenwerking tussen die twee figuren die steeds ver- dergaat. Ze blijven maar creëren, dingen doen en verbeelden, hoe absurd ook. Je krijgt een soort surrealisme. Het is verbonden met het consumeren, met spektakel. ‘Ik ben den diene en kijk eens wat ik aan heb’, zoiets als de kleren van de keizer. Voor mij valt dit in een reeks wereldbeelden die je creëert doorheen de voorstellingen. Het zijn gebaren die je maakt in de wereld waarin we leven.

Benjamin: Ik vind wereldbeeld wel een mooi woord. Willy Thomas had het Wereldbeeldenboek van Rondas gelezen en vertelde mij over Leo Apostel. Hij vertelt over wereldbeelden als constructies die je toestaan om een ordening te maken voor jezelf in deze chaotische belevenis, de wereld. En het is eigenlijk wel fantastisch als je dat met een voorstelling kan doen, als die voorstelling een instrument kan zijn dat je aanreikt. Als je kan zeggen: misschien maak je hier wel een gaatje mee waardoor je dat weggetje ziet dat er voordien niet was, waardoor je iets anders ontdekt voor jezelf. Dat is een mooie weg.

Anne: Misschien is het net dat wel. Het is altijd in bewe- ging, geconstrueerd, er is geen vooraf gegeven model. Maar je kan wel een soort instrumentenkoffer (toolbox) aanreiken. Misschien is het model eerder het zoeken, het construeren en het bouwen. Ik kwam toevallig het zinnetje tegen ‘Wat af is, is niet gemaakt‘. Het is zoiets als huizen en hutten bouwen. Het bouwen is de dragende kracht, niet het resultaat. Maar het bouwen kan niet zonder de verbeelding van wat het resultaat kan zijn. En is dat resultaat ooit af? Het is voor mij wat Geert vertelt over het belang van de liefde voor het leven van een werk.

Geert: Kunnen tonen wat een vermogen inhoudt, dat leunt voor mij erg dicht aan bij dat wereldbeeld. Een vermogen dat ontwikkeld kan worden om dan met die mogelijkheid het vermogen van de mensen aan te spreken. Benjamin: Ik vind vermogen een belangrijk woord hier.

Boomhut op de Scheld’apen

Benjamin: Ik koos deze foto omdat ze ook een deel uit- maakt van mijn werk, ook al is het geen theatraal project. Ik heb de boomhut samen met mijn broer gemaakt voor de Scheld’apen, met niet meer ambitie dan het maken en openstellen van een goede plek. De mensen kunnen dat gebruiken. Ik vind dit een genereus gebaar, niet alleen het openstellen, maar ook omdat ons hart in dat hutje zit. Zéker dat van mijn broer, die ongelooflijk goed en mooi kan bouwen. Hij is iemand die alleen maar iets kan maken als het helemaal is zoals hij denkt dat het zou moeten zijn. Het resultaat daarvan is verbluffend en onvatbaar. De generositeit hiervan zit ook in het wezen van de maker zelf. Je stelt daardoor iets open.

Geert: Het maakt ook deel uit van een levenswijze. Het schrijven van brieven, het geven van iets aan iemand. Het ligt in je manier van leven. Het stopt niet met het begin – en eindpunt van het werk.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

gesprek
Leestijd 10 — 13 minuten

#110

15.02.2008

14.05.2008

Anne Dekerk

Anne Dekerk is redacteur van Etcetera, is algemeen diensthoofd / psycholoog in een multidisciplinair diagnostisch en therapeutisch centrum te Brussel. Studeerde theaterwetenschappen, lid van kunstenaarscollectief ECHO. BASE.