‘Woe’ © Pepijn Lutgerink

Leestijd 5 — 8 minuten

Woe

Edit Kaldor

Woe, het nieuwe stuk van Edit Kaldor, sluit heel direct aan op de actualiteit. Niet alleen omdat het gaat over kinder- misbruik, maar ook omdat het – op een ogenschijnlijk naïef gegoogelde wijze – veel informatie bij elkaar brengt over de manier waarop kindermishandeling inwerkt op de ontwikkeling, en dan vooral op het brein van kinderen. Je bent wat je brein wil, maar dat brein blijkt geen onbeschreven blad, of een bord dat je zomaar kan afvegen.

Er zijn veel manieren om kindermisbruik aan te kaarten. De bekendste is wel de manier waarop het gerecht probeert de waarheid, en niets dan de waarheid boven te halen, onder de vorm van de precieze feiten. Je kan je wellicht voorstellen dat zoiets een hachelijke zaak is. Niet voor de advocaat of de rechter die leeft van de feiten en de wijze waarop ze in perspectief geplaatst kunnen worden. Wel voor het slachtoffer zelf, want dat kan zich vaak niet meer alle feiten exact voor ogen halen, noch de precieze details oproepen in al hun gore realiteit. Dat komt onder andere door het fenomeen van dissociatie: nog voor je dat zelf bewust beslist kan je brein beslissen bepaalde gebeurtenissen niet ten volle op te nemen, gewoon omdat zoiets onverdraaglijk zou zijn. Maar zelfs zonder dit fenomeen zegt de exacte beschrijving van een feit, een aanraking bijvoorbeeld, weinig over de manier waarop dat feit betekenis krijgt voor iemand, en in de herinnering gaat leven. Herinneringen zijn evenmin fotografisch exacte dingen. Herinneringen zijn altijd een herschikking, een verdichting van reëel gebeurde feiten waarbij de juiste toedracht (een leven lang) ingekookt wordt tot er slechts een paar emblematische momenten overblijven die staan voor een soms lange reeks feiten waar je niet meer aan kan, of wil.

Woe is gebaseerd op een waargebeurd verhaal: een vrouw die haar misbruik als kind aanhangig maakte bij de rechtbank en tot de bevinding kwam dat het ‘format’, het verhalend stramien waarin ze haar ervaringen moest prangen geen recht deed aan wat ze te berde wou brengen. Uiteraard is er een treffende parallel tussen een rechtszaak en een toneelstuk: in beide gevallen wordt een spel opgevoerd waarbij ieder zich schikt naar hetgeen past in de rol die hem of haar wordt toebedeeld. In het gerecht geldt dat zeker voor de rechter en de advocaat. Hun rol is duidelijk: ze handelen vanuit een bepaald motief – het recht – en weten welke middelen en argumenten daarbij ‘geldig’ of ‘ongeldig’ zijn. Daardoor is hun optreden zelden problematisch. Dat is veel minder het geval voor wie voor de rechtbank moet verschijnen als klager of beklaagde – en de rollen verschuiven soms ongemerkt. Zij zijn zich niet noodzakelijk of zelfs zelden bewust van het theatrale karakter van een proces, of van het feit dat slechts bepaalde argumenten en feiten hier geldig zijn. Ze moeten het spel leren en al lerende hun rol schrijven en vormgeven. Maar hoe ga je een trauma ‘opvoeren’, vertellen op een manier die waarachtig genoeg bevonden wordt en geen aanleiding geeft tot verdachtmakingen of insinuerende vragen?

Dat is trouwens ook het probleem van het ‘echte’ theater: hoe krijg je het onbegrijpelijke of onaanvaardbare gerepresenteerd? Niemand zou immers een demonstratie van de ‘echte feiten’ wenselijk achten, hoop ik. Maar hoe toon je die dan, zodat we toch de ernst en de omvang van het probleem zien en geloven in de getuigenis, en dus de representatie als de best mogelijke benadering van een niet volledig te achterhalen of te reconstrueren werkelijkheid aanvaarden? Op die vraag zal iedere tijd zijn antwoord moeten verzinnen, maar in een hypergemediatiseerde tijd als de onze is elk ‘vertoon’ al snel verdacht. Al snakken we naar eerlijkheid, wanneer we die dan zien, denken we toch al snel dat ze in scène is gezet.

Een lange inleiding om het te hebben over dit stuk waarin je intiem aanwezig bent bij drie heel jonge spelers, scholieren, die nog net niet bij je op schoot zitten maar je toch rechtstreeks aanspreken. Ondanks hun ongemak over wat hen op het hart ligt – het fijne kom je er overigens niet van te weten – stellen ze toch al meteen vrij brutaal de vraag of het publiek voor een verhaaltje is gekomen of openstaat voor iets meer dan dat. Meteen volgt een tweede vraag: kunnen jullie de ervaring van een misbruikt kind wel begrijpen, niet langer kind zijnde? Moet je niet proberen terug te gaan naar de tijd dat je kind was, naar de manier waarop je de wereld ervoer, om te begrijpen hoe zoiets aankomt? Weet je nog wat het is als alles om je heen veel groter is en veel heftiger binnenkomt omdat alles voor het eerst gebeurt en je het dus niet kan plaatsen of benoemen? Het is ook de reden dat het drietal Merel, David en Kobe het verhaal nooit volop vertelt, maar er enkel op alludeert. Er zijn geen woorden voor, enkel woorden achteraf. Je weet zelfs nooit helemaal zeker of ze hun eigen verhaal vertellen of dat van iemand die ze goed kennen.

Het drietal probeert je op diverse wijzen terug te voeren naar een kinderlijke ervaringswereld. Eenvoudig soms, zoals met een tekstje dat ze van internet halen en waarin je gehoor getest wordt. Voorbij een bepaalde leeftijd hoor je bepaalde toonhoogtes niet meer. Het is slechts één bewijs voor het feit dat kinderen de dingen anders en intenser zien. Dat laatste verklaren ze nogmaals met internetvondsten over de verhouding tussen grijze en witte hersencellen. In de loop van je ontwikkeling vertonen hersenen eerst meer grijze, gemakkelijk onder de indruk te brengen cellen. Pas later overheersen de witte, beter gestructureerde en minder snel te ‘vangen’ cellen.

Heel vaak dringen ze er bij de kijkers rechtstreeks op aan dat ze zouden proberen om zich gebeurtenissen uit de kindertijd weer levendig voor de geest te halen. Eerst met erg bekende dingen (hoe opgelucht je was wanneer je eindelijk je blaas kon ledigen terwijl je hoogdringend moest). Ze brengen je ook in de sfeer door je te laten meespelen in een kinderspelletje. Later duiken in hun gebabbel echter gebeurtenissen op die hopelijk weinigen uit het publiek aan den lijve hebben ervaren, zoals: weet je wat het is om honger te hebben, of te merken dat er ’s avonds niemand thuis is, en je geld noch huissleutel op zak hebt? Wat je meteen ook leert, is dat zo’n traumatische gebeurtenissen (en er volgen er ergere) blijkbaar een onuitwisbare indruk op je amygdala nalaten, en bovendien de ontwikkeling van de hersenschors afremmen door het fenomeen van dissociatie. Niet dat je alles kan buitensluiten. Zo zie je plots op het scherm waarop hun Google-vondsten verschijnen gruwelijk precieze beelden van ‘blauwe plekken’ of hoor je beschrijvingen van een oog dat dicht geslagen is.

De drie steken aanvankelijk wat de draak met hun verhaal. David steekt van wal met een verhaal over gruwelijke omstandigheden – een potige, alcoholische vader vol tattoos die zijn handen niet kan thuishouden – , maar dat soort overdrijvingen schuiven ze zelf snel aan de kant. Ze focussen op het moment, het ‘tipping point’, waarop blijkt dat er echt iets fout gaat, het moment dat de omgeving chaos wordt. Gek is wel dat ze de geboorte als eerste ‘tipping point’ tonen, met een filmpje dat hen blijkbaar afgrijzen inboezemt. Het zegt iets over de internetgeneratie: alle informatie zit ergens op dat net, maar ‘de feiten zelf’ van het leven, en hoe je er bijna letterlijk wordt ingeworpen, blijken in zo’n maakbaar en kneedbaar wereldbeeld een bijna onverteerbaar probleem.

Er is maar één moment, meteen ook het laatste, waarop je in zekere zin direct toegang krijgt tot de ervaring van een misbruikt kind. Dat moment wordt niet meer voorgesteld. Je krijgt het mee als een verhaal dat via een klankband verteld wordt over een droom die iemand levenslang heeft. Een huis, een stem die zijn lichaam binnendringt en tenslotte, op de derde etage, de confrontatie met een wezen dat bedreigend- vervreemdend op de vloer ligt.

Woe raakt zo veel problemen aan over voorstelling, voorstellingswerelden en trauma’s op een manier die erg authentiek aandoet, omdat het verhaal verteld wordt vanuit het perspectief en met de middelen van mensen die nu jong zijn – nog heel dicht dus bij de leeftijd waarop ze misbruikt hadden kunnen worden. Het verloopt allemaal met weinig nadruk, maar je blijft er achteraf wel lang op prakkezeren.

www.editkaldor.com

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#133

15.06.2013

14.09.2013

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis. Hij richtte recensieplatform Pzazz op.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!